Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 36

Chapter 363,253 wordsPublic domain

Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten, omdat zij, bekend met de wenschen des volks, waardoor de onlusten waren ontstaan, sedert 1787 bijna niets deden ter verbetering van het door zoovelen aangevallene staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende misbruiken;--doch vooral, omdat de staats-omwenteling van 1789 in _Frankrijk_ hun tot ontzetting deed zien, welk eene magt het volk tegenover den troon, den adel en de geestelijkheid kon ontwikkelen; welke de eischen waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde vormen en begrippen na zich ~moest~ slepen. Bekend was het bovendien, hoe zeer de Nederlandsche vlugtelingen blaakten van wraakzucht, om hunne overheden het inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe zij zich met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling met hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden op eene door hen voorbereide verlossing, ter bekoming van eene gelijke vrijheid en volkssouvereiniteit, als de Fransche republiek reeds had verworven. In weerwil de onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den val van Koning LODEWIJK XVI, alle mogendheden deden sidderen voor de woede van een bandeloos volk--bleven de Staten van _Friesland_ zorgeloos en gerust op het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795, toen het water reeds tot aan de lippen was gestegen, ontveinsden zij het klimmende gevaar, daar zij, bij openlijk plakkaat, zich durfden »vleien, dat de Unie zal blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt van den gelukkigen en wenschelyken voortgang der aangevangene Vreedes Negotiatien; uit welken hoofde 'er zig gegronde hoope opdoet tot het zien eindigen van deezen bloedigen Oorlog."[364]

[364] _Verzameling van Placaaten_, 436, 437.

Zóó blind, zóó onverzettelijk bleven 's lands Regenten, die echter reeds den volgenden dag al onthutst waren over »de verandering der gedaante van zaaken door de rampen des Oorlogs," waarom ze den predikanten bevolen te bidden, »dat God den bloedigen Oorlog mogt doen eindigen." Doch die oorlog was toen eerst aangevangen en zou nog twintig jaren lang, geweldiger dan ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze en liefdevolle leiding, het middel te worden, om de natiën, die in vrede en voorspoed doof waren geweest voor de stem van godsdienst en rede, en blind voor hun duurzaam belang, door lijden en strijd te louteren, en, eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te verheffen tot eene betere maatschappelijke orde en meerdere vatbaarheid voor volksgeluk.

VIJFDE TIJDVAK.

FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN DE FRANSCHE OVERHEERSCHING.

VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN HET STADHOUDERSCHAP TOT DE HERSTELLING VAN NEDERLAND EN HET VERTREK DER FRANSCHEN.

_Van het jaar 1795 tot 1813._

42. _De Staats-omwenteling en hare gevolgen._

Te laat namen de Staten van _Friesland_, den 7 Februarij 1795, het besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na in _België_ lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen der Franschen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot eene natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger gevlugte patriotten, die in _Frankrijk_ de bloedige tooneelen van de revolutie-koorts hadden bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Franschen onzen Staat, op den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte Prins WILLEM V met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee eeuwen veilig was geweest onder de hoede van ORANJE. De in 1787 alleen door de kracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandschen invloed.

Ook in _Friesland_ vestigde zich een _Committé Revolutionair_, hetwelk, na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom te _Leeuwarden_ geplant te hebben, den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo verklaarde het den 19 Februarij met eene plegtige aanspraak de Staten van _Friesland_, gelijk den Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten. Hierna werden er 60 Provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_ in hunne plaats aangesteld, en voorzien van eene instructie, welke de beginselen bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden bestuurd. Het Committé legde toen tevens zijne taak neder, en »wenschte het volk plegtig geluk met de volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende omkeering van zaken overal bewaard, der Friesche natie voor het oog der geheele wereld tot onsterfelijken roem verstrekten."

In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele Representanten bij verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering, de miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen voor de wet te verzekeren, onder vermaning, van de verkregene voorregten door geene rustverstoring te bezoedelen.[365]

[365] Zie dit alles in de _Verzaamel. van Placaaten_, I 1-29, in de _Dagverhalen_ en veelvuldige geschriften van dien tijd.

En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene omwenteling en vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche Generaal GASPARD THIERRY met een aantal huzaren zijne plegtige intrede in _Leeuwarden_, onder de uitbundigste vreugdebetooningen van het uit alle oorden te zamengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand met den luchthartigen Franschman dansende om den vrijheidsboom, zich zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het eene inhaling was als van het Grieksche paard in _Troje_. Doch de Franschen hadden beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen, en als verlossers van de overheersching en beschermers van de nieuwe republiek, die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel, nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden over het gansche land waren verspreid, waarvan _Friesland_ zijn aandeel rijkelijk bekwam!

Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eischten de Franschen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied, 100 millioen gulden voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen in dienst te houden en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning behaald en zich gewroken op den Prins en de staatsleden, die hen in 1787 hadden doen vlugten, maar--ten koste der onafhankelijkheid des lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de regten van den mensch en burger, de schoonste toekomst van eene veel verbeterde staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in herhaalde geldleeningen, heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te brengen[366].

[366] In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, "ten einde de Friesche trouw ongeschonden bewaard blijve" (!), dat het zesde gedeelte der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke, geestelijke, dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen, openlijk verkocht en het bedrag daarvan den lande tegen 3-1/2 proc. rente opgeschoten moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge nood des lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het overschot te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is van bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het dubbele van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in de _Verzameling van Placaaten_, II 21, 73, 199.

Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping van het volk van _Friesland_ tot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden. Nog scheen dit bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de Groote Kerk te _Leeuwarden_ schandelijk vernield en de Grafkelders geschonden werden (1 Aug.). Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot bijeenroeping van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en verdedigen, omdat zij haar _zelfbestaan_ niet konde, niet wilde vernietigen, en omdat zij zich van eene vereeniging met de andere gewesten voor _Friesland_ groot gevaar en vele nadeelen voorstelde. Doch _Holland_, met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de ineensmelting van de provinciën en de provinciale schulden door te drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het geene middelen, »geen vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen." Het werd daarin ondersteund door een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de een- en ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden. Zóó vormden zich onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedragt, nog sterker dan vóór de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden zich eenigen dier ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de Representanten, die hen eene oproerige bende van baatzuchtige fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden. Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die alzoo, door Fransche en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde[367]. Wel kwam er intusschen den 1 Maart eene Nationale Vergadering te _'s Gravenhage_ bijeen, waarop _Friesland_ echter eerst, evenmin als _Zeeland_, afgevaardigden zond; doch de uiteenloopende meeningen der vier partijen hiervan verstonden elkander zóó weinig, dat zij enkel voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten en geweldige maatregelen, op de tweede Nationale Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der meerderheid van het stemgeregtigde volk bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798 uitgevaardigd werd: dat de één-en-ondeelbare Bataafsche Republiek zou bestaan uit acht Departementen, met een Vertegenwoordigend Ligchaam, waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30 leden zou bestaan, benevens een Uitvoerend Bewind van 5 leden.

[367] 't Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming van alle, "de gelijkheid onteerende," titels, livreijen, onderscheidingsteekens en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als hinderlijk aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger. _Verzameling van Placaaten_, II 17, 56,71.

Ofschoon _Friesland_ bij die Staatsregeling voor het eerst na zoovele eeuwen zijn Naam verloor, daar het met _Groningen_ werd vereenigd onder den naam van het _Departement van de Eems_;--ofschoon het nu eindelijk aan Hollands heerschzucht en overwigt zijne souvereiniteit en zelfbestaan en alzoo een groot gedeelte zijner magt en invloed ten offer moest brengen, en zich bovendien met een ~veel grooter schuldenlast~ dan zijne eigene zag bezwaard;--ofschoon het Provinciaal Bestuur van _Friesland_, alléén uit aanmerking van »den bejammerenswaardigen toestand der republiek," gevolg gaf aan het bevel der Constitueerende Vergadering, die zich den 22 Januarij 1798 te _'s Gravenhage_ met geweld van de oppermagt had meester gemaakt, om, »met ontbinding van alle Provinciale Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur, afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde Vergadering," uit te maken:--toch werd die merkwaardige en in zoo vele opzigten vernederende gebeurtenis, een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling, hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd. Ja, de democratische of revolutionaire partij had, na het overheerschen of verbannen van alle gematigde patriotten, door Hollandschen en Franschen invloed, in _Friesland_ veler gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest de belagchelijkste tooneelen opleverde. Op den 19 Mei 1798 werd het onder grooten toevloed van aanschouwers te _Leeuwarden_ gevierd. De _Een-en-Ondeelbaarheid_, verbeeld door eene maagd, met de acte van Staatsregeling in de hand, werd, zittende op een triumfwagen, tusschen een talrijken trein van regeringsleden, zinnebeeldig versierde personen en de gewapende magt, door de stad gevoerd, en geleid op een troon in den Tempel der Vrijheid, welke op de Langepijp was opgerigt. Nadat de personen, verbeeldende de Regten van den mensch, de Gelijkheid en de Broederschap, als ook de vier nationale Deugden en de vier Standen van den mensch, zich nevens haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig Monster van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve souvereine, Vereenigde Provinciën) op een houtstapel gelegd en onder gejuich verbrand, waarna de President voor het Altaar der vrijheid eene aanspraak deed, en het feest met dansen om den Vrijheidsboom en andere luidruchtige vermaken werd besloten[368].

[368] De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke kunstliefhebber PETRUS GROENIA (nog in 1831 bekend als Kolonel van eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid vervaardigde, is, met het Programma van den optogt, thans in mijn bezit.

Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu hadden gezegepraald, regeerde niet lang. Nadat zij reeds in Februarij des vorigen jaars verontrust was door een dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit den omtrek van _Kollum_[369], had op den 12 Junij 1798 te _'s Gravenhage_ eene soort van tegen-omwenteling plaats, waarbij het Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Ligchaam met magt van wapenen werden uiteengedreven. Eerst nadat het volk zich, ingevolge de aangenomene Staatsregeling, eene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van meer gematigde personen, die eene algemeene vergiffenis van staatkundige misdrijven uitvaardigden, scheen er een einde te zullen komen aan al de revolutionaire woelingen en de omwenteling voltooid te zijn. Die Staatsregeling toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken afschafte en de sedert jaren verkondigde theoriën omtrent het maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed des volks op het staatsbestuur in werking bragt, was bij voorraad eene belangrijke schrede tot vooruitgang, tot verspreiding van mildere beginselen en tot bevrediging der eischen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere banden was ontwassen. Na zoo hevige schokken en bittere vervolgingen van de partijen onderling, kwam er nu meerdere orde en rust onder de ingezetenen, en leerde men zich met bedaardheid onderwerpen aan de drukkende gevolgen eener omwenteling, welke een geheel anderen loop en rigting had genomen, dan zelfs de bewerkers zich hadden voorgesteld.

[369] Die volksbeweging, onder den naam van het _Kollumer oproer_ bekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende dienst te _Kollum_, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen en grietenijen uit. "Onder den oproerkreet van Oranje boven!" trokken eenige honderden gewapende landlieden zelfs op _Dokkum_ aan, vanwaar ze verjaagd en verder door de van _Leeuwarden_ afgezondene troepen bedwongen werden. Een getal van 174 personen, die daaraan deel hadden genomen of van Oranjegezindheid verdacht waren, werden op het Blokhuis te _Leeuwarden_ gevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden spoedig losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige berigten deswege in de destijds uitgegevene _Beschrijving van de oproerige Beweegingen in Friesland_.

43. _De val der Republiek en vernietiging van ons Volksbestaan._

Nog waren er geene drie jaren verloopen, of er bestond reeds behoefte aan eene nieuwe Grondwet, welke verbeterde Staatsregeling in 1801 door het volk werd aangenomen. Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering tot het oude, doordien de omvang der vroegere provinciën hersteld werd en ook _Friesland_ zijn Naam herkreeg, met een Departementaal Bestuur van elf leden; terwijl het Algemeen Bestuur was zamengesteld uit een Staatsbewind van 12 en een Wetgevend Ligchaam van 35 leden. Hierop volgde weldra eene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen, aan wier leden het Huishoudelijk beheer, gelijk de Policie en Justitie aan Drosten en Geregten, alsmede aan Dorpregters was opgedragen. Daartoe werd _Friesland_ verdeeld in 14 Drost-ambten. Bij de benoeming van vele nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam verschijnsel, eene meerdere toenadering en verzoening tusschen de vroegere partijen te bespeuren; terwijl de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te heelen tot eendragtige zamenwerking aan het algemeen belang.

Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke op den Staat drukten, ook buiten den geldnood, waarin men door dikwijls herhaalde heffingen op de bezittingen en inkomsten, door leeningen en buitengewone belastingen trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een stelsel van algemeene belastingen op allerlei voorwerpen werden vervangen. De bezorgdheid van het Staatsbewind was in 1803 zelfs zóó groot, dat het klaagde »over de gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze nationale zeden en de toenemende onverschilligheid omtrent God en Godsdienstige zaken, zoodat er redenen bestonden, om nieuwe en onherstelbare rampen te vreezen"[370].

[370] Zie over al het vermelde de _Verzameling van Placaaten_, VI 168, 179, 209, 224, 311, 345.

Intusschen was de invloed van _Frankrijk_ en onze afhankelijkheid van NAPOLÉON, die zich in 1804 tot Keizer had verheven, grooter geworden. Eene gewijzigde Staatsregeling voor het Bataafsche Gemeenebest was daarvan in 1805 het gevolg. De edele staatsman RUTGER JAN SCHIMMELPENNINCK werd als Raadpensionaris met een Wetgevend Ligchaam geplaatst aan het hoofd van het bewind, dat de belangen der Departementen en Gemeenten door nieuwe verordeningen (ook op het onderwijs) zocht te bevorderen. _Friesland_ werd nu ten aanzien van de Justitie en Politie verdeeld in 15 Drost-ambten, welker bestuur uit een Drost, Mederegters en Schepenen bestond. Dat bewind, hetwelk den zorgvollen toestand des lands zoo veel mogelijk trachtte te lenigen, was echter alleen de overgang tot eene Monarchale regering. NAPOLÉON'S wil schiep het Koningrijk _Holland_, en plaatste zijnen broeder LODEWIJK op den troon (5 Junij 1806). Op nieuw onderging de constitutie eene wijziging, en werden den Koning vier Ministers met eén Wetgevend Ligchaam van 38 leden toegevoegd, voor zooverre er voor dezen nog een schijn van gezag was overgebleven na het vallen van de eenmaal zoo grootsche republiek. Ten gevolge daarvan werd _Friesland_ in den volgenden jare (vermeerderd met de eilanden _Vlieland_ en _Terschelling_) gesteld onder het bestuur van een Land-Drost met zijne zes Assessoren, benevens drie Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van den eersten rang, boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van een Burgemeester, vier Wethouders en eene Vroedschap, benevens eene Schepensbank als nedergeregt. Ten platten lande werd een Baljuw aan het hoofd van het bestuur van ieder der 30 Districten gesteld[371].

[371] Zie de _Verzameling van Placaaten_, VIII 1, 23, IX 483, X 193, 482 env.

De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koning LODEWIJK de belangen van ons vernederd vaderland tegenover de aanmatigingen van zijnen heerschzuchtigen broeder voorstond, verzachtte aanmerkelijk het misnoegen des volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen van den Land-Drost REGNERUS LIVIUS VAN ANDRINGA DE KEMPENAER en zijne Assessoren mogt _Friesland_ gedurende de vier jaren van het koningschap vele voorregten smaken. In vergelijking toch van _Holland_, dat door het stilstaan van den handel kwijnde en van andere provinciën, die door watervloeden en oorlogsrampen geteisterd werden, had ons gewest aan de toenemende ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs eene mate van voorspoed en bloei te danken, welke eenigzins opwoog tegen de immer stijgende schulden, lasten en bezwaren. Doch NAPOLÉON'S zucht om te veroveren en te heerschen, bij voortdurende teleurstelling in zijn wensch om _Engeland_ meester te worden, maakte hem vermetel, bitter en onregtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons vaderland. De Keizer dwong hem, afstand te doen van den troon (1 Julij 1810), en weldra volgden nu de besluiten, dat _Holland_ met het Keizerrijk werd vereenigd, dat het Fransche stelsel van regering, wetgeving, belastingen en conscriptie op ons land werd toegepast, en dat de renten der schuld slechts voor een derde zouden worden voldaan. Het grondgebied werd daarbij verdeeld in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefekt en Onder-Prefekten met een Raad van Prefekture. Alléén _Friesland_ bleef daarvan zijn alouden Naam behouden, en ontving eene verdeeling in drie Arrondissementen met drie Regtbanken, in 19 Kantons met zoovele Vrederegters en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd[372].

[372] _Verzameling van Placaaten_, XIV 97, 111, 137.