Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 35
Vóór echter deze oorlog door den vrede van _Aken_ (1748) geëindigd werd, hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige gebeurtenissen plaats. Reeds lang hadden de bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands voortreffelijke Raadpensionaris SIMON VAN SLINGELANDT, erkend: »dat het missen van eenen Stadhouder de gebreken in de Constitutie thans meer bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen deed hebben, dan voordezen"[355]. Doch de heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten, door wie op vele plaatsen eene familie-regering was ingevoerd, hadden zich van het gezag meester gemaakt ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands Staten halsstarrig weigerden, ook »uit vrees voor Frieschen invloed," de noodzakelijkheid van het Stadhouderschap te erkennen, bleven alle pogingen der vrienden van den Prins van _Oranje_, om zijn gezag uit te breiden, vruchteloos. Sedert het uitbreken van den oorlog werd het gemis van een éénhoofdig bestuur, het gebrek van een middelpunt van gezag, waardoor de kracht des bewinds verslapt was, meer gevoeld, en stegen de klagten over veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen, met den dag. Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre tot _België_ bepaald en was _Vlaanderen_ reeds voor twee jaren door LODEWIJK XV veroverd--daar verbreidt zich op ééns het gerucht door het vaderland, dat de Franschen ook in _Staats-Vlaanderen_ zijn gevallen, zoodat _Zeeland_ in het grootste gevaar verkeert. Van waar nu hulp, van waar redding in dien nood? Even als in 1672, stak het volk de handen uit naar den nu, even als toen, door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden _Prins van Oranje_. Op den 25 April 1747, op den zelfden dag, dat de Prins uit _Leeuwarden_ een brief afzond, waarbij hij den Staten van _Zeeland_ zijne hulp en dienst aanbood, ging weder uit het kleine _Vere_ het eerst de kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond in geheel _Zeeland_, _Holland_ en de overige gewesten, zoodat binnen weinig tijds de volksstem Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, als WILLEM _den vierde_, als door een wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten verhief, en met zoo vele eerambten en waardigheden overlaadde, als nog geen zijner voorgangers had bezeten.
[355] SLINGELANDT, _Staatk. Geschriften_, I 212, 223; VAN KAMPEN, _Verkorte Geschiedenis der Nederl._ II 232.
De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: »de hoogste eerzucht, die het hart eens stervelings kan streelen, is, zich als het voorwerp der liefde en hoogachting van een vrij volk te mogen beschouwen," aanvaardde met ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden, waarop zijn naam, afkomst en hoedanigheden hem regt gaven. Ja, hoe benard de toestand des lands ook ware, hij verheugde zich in de gelegenheid gesteld te worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te wenden ter bevordering van het welzijn des volks. Den 9 Mei vertrok de Prins van _Leeuwarden_ over _Harlingen_ met een jagt naar _Amsterdam_. Eene opgetogene menigte verbeidde hem, »den Verlosser van _Nederland_," daar, zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in _'s Gravenhage_, als op aller handen gelijk in aller harten gedragen. De blijdschap des volks kende geene palen, en had het moed bekomen in het dreigende gevaar en hoop voor de toekomst. »Nooit moge de nakomelingschap die dagen van geestdrift vergeten!"[356]
[356] Deze woorden van den Prins, gerigt tot ONNO ZWIER VAN HAREN, die veel tot 's Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht: _de Geuzen_, hier vóór en in _Aant. 20_ nader vermeld: "opdat die onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met behoorlijke kleuren mogt worden beschreven." Zie het begin der _Ophelderingen van de Geuzen_, en verder WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 78 env.; HAVERKAMP, _Leven van Prins Willem_ IV, 18, 45 env.
Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt de natie zware offers brengen, om, tot afwering van den vijand, het leger te versterken en het land van binnen door gewapende magt te beschermen, waartoe overal eene _liberale gift_ met blijdschap werd opgebragt[357]. Dan, nu ook begon het volk, dat zich tegenover de regenten versterkt gevoelde door het gezag van den Prins, overal zijne regten te doen gelden, en verbetering te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende, misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur. Tot herstelling daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid te zijn geboren. Geweldige opschuddingen en hevige beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om uit te spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen deze in _Groningen_ en daarna in _Friesland_. Die onlusten openbaarden zich het eerst door het gewelddadig vernielen van de opzigtershuisjes der pachters van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie. De gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van verpachting geheven; doch de knevelarijen dier pachters, waaraan de ingezetenen bloot stonden, de zwaarte der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften, de hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld en daarbij de zware schuldenlast der provincie bij te vele zwaar-bezoldigde ambtenaren--ziedaar eenige der voornaamste grieven, waarvan velen onder Frieslands ingezetenen herstelling en verbetering wenschten.
[357] De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in Februarij 1748 alleen in de stad _Leeuwarden_ aan goud- en zilverwerk en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheel _Friesland_ 345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne verzameling.
Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen den 1 Junij 1748 negen-en-vijftig der voornaamste burgers van _Harlingen_, als Gecommitteerden uit de ingezetenen dier stad, te _Leeuwarden_, die van Gedeputeerde Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten. Tevens verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap zoowel in de vrouwelijke als mannelijke lijn erfelijk verklaard mogt worden. De Staten, die de verpachting van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden dit laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs alle ingezetenen uit, om hunne bezwaren tegen den 5 Junij in te brengen. Tot dit einde werden er in alle steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar _Leeuwarden_ afgevaardigd, om bezwaren in te leveren. De Magistraat dier stad had tot ontvangst van zoo vele personen, wier getal ruim 200 beliep, de Groote of Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig Congres, onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien punten van redres onderling opgemaakt, werden aan de vergaderde Staten ingezonden en nog dien zelfden dag aangenomen en goedgekeurd.
Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich somtijds zeer dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd. De Gecommitteerden achtten hunne taak echter nog niet afgedaan; maar, om de uitvoering van de toegezegde verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen uit iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd bleven, om voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne werkzaamheden in het belang des volks voort te zetten, en met de Staten verder te onderhandelen. Na onderscheidene voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73 Punten-reformatoir voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere bezwaren van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij zij den 25 dier maand nog 47 Punten voegden, welke, als de wenschen des volks, alle door de Staten werden aangenomen en uitgevaardigd. De Prins, verhinderd om door eene spoedige overkomst aan aller verlangen te voldoen, zond intusschen eenig krijgsvolk tot herstel van de rust in _Friesland_, benevens eene Commissie, om de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met de Gecommitteerden des volks en de Staten, die den Prins volkomene magt hadden verleend, »om de Constitutie des lands op vaste gronden te stellen, de ingeslopen abuizen in de regering, financiën als anderzins te redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz." Welk een gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren dus afgestane, Oppermagt maakte, bleek eerlang, toen de Stadhouder den 18 December 1748 tot aller vreugde te _Leeuwarden_ kwam, en zijne voorstellen tot verbetering aan de plegtig vergaderde Staten mededeelde. Den 23 December werd alzoo zijn »Reglement, om te dienen tot eene fundamenteele en onverbreekelyke WET, waar naa alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat, voortaan zullen werden beleid en behandelt," uitmakende 61 artikelen, uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door het uitschrijven van eene algemeene Amnestie en van een nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig onuitvoerbaar werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene takken van beheer en gezag op een beteren voet geregeld[358].
[358] De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn bijeengebragt in het werkje: _het Verward Frieslandt_ (door J. DOTINGH), Leeuw. 1749. Zie mede WAGENAAR, XX 196; _Nederl. Jaerboeken_, II 524.
Nooit bleek voorzeker aan _Friesland_ het gewigt en nut van het Stadhouderschap duidelijker, dan in dit merkwaardige jaar 1748. De Prins betreurde het echter met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en verwoestingen (te _Wier_, _St. Anna-Parochie_, _Hallum_ en elders) bezoedelde. Zeker bragten de persoonlijke hoedanigheden en gedragingen van den Prins, die de grootheid van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat, veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen en aller harten aan zich verbonden te houden. Veel is er vervolgens door hem verrigt, om orde, regt, geldmiddelen en krijgstucht te herstellen en om koophandel en zeevaart te doen bloeijen. Wat mogt men nu verder niet voor het welzijn des lands verwachten van een Vorst, met zooveel magt bekleed, met zoo vele gaven versierd, en als een toonbeeld van christelijke deugden vereerd? Terwijl men zich over zulk eene gelukkige toekomst verheugde, behaagde het God, 's Prinsen levensdraad onverwachts af te snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep betreurd door het gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige grootmoedigheid had leeren kennen, en dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde voor zijn volk met wederliefde en trouw had vergolden. Hoe kort de regering van Prins WILLEM _den vierde_ ook ware, zij was lang en eervol genoeg, om hem eene roemrijke plaats te bezorgen onder de edele Vorsten des vaderlands[359].
[359] Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder, die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt op hem mag beroemen. Behalve naar WAGENAAR en de _Jaerboeken_ verwijs ik enkel naar HAVERKAMP, _'s Lands verijdelde hoope_, Amst. 1753; O. Z. VAN HAREN, _Lijkreeden_, Leeuw. 1766; HOFSTEDE, _Bloemen op het graf_, Rott. 1752; _Levensb. van ber. Mannen_, VI 284; SCHELTEMA, _Staatk. Ned._ II 487; V. KAMPEN, II 251, _Karakterk._ II 565.
Inzonderheid was _Friesland_ wegens het voorgevallene in 1748 aan dien Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking met andere provinciën, waar, even als in de zaken der Generaliteit, zoo vele misbruiken en verkeerdheden nog onverbeterd waren gebleven. Prinses ANNA, die na zijn dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins WILLEM V, het bewind had aanvaard, vermogt te weinig en bezat ook niet genoeg vertrouwen na het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en _Frankrijk_, om veel goeds tot stand te kunnen brengen. Omdat de Staten de vermeerdering van de krijgsmagt niet wilden toestaan, wist zij tegen te gaan, dat onze zwakke zeemagt versterkt werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk, dewijl de handel en scheepvaart, waarin ook _Friesland_ toen een belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen, die zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden of hinder toebragten[360]. De dood van Prinses ANNA, op den 12 Januarij 1759, maakte een einde aan dien staat van spanning, en bevorderde dadelijk de versterking van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten tegen de roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche kapers.
[360] Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapitein JAN BINKES in die dagen is vermeld achter _Aanteekening 23_.
Terwijl _Holland_ en de vijf andere provinciën nu gedurende de minderjarigheid van Prins WILLEM V hoofdzakelijk bestuurd werden door zijn voogd en ook lateren leidsman LODEWIJK ERNST, Hertog van _Brunswijk-Wolfenbuttel_, Veldmaarschalk van den staat, hadden de Staten van _Friesland_ zoo veel eerbied voor 's Prinsen grootmoeder, Prinses MARIA LOUISA, dat zij haar, hoewel reeds 70 jaren oud, als Gouvernante op nieuw het bewind toevertrouwden. Met die waardigheid en kracht, welke de edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer had betoond onder zoo vele smartelijke verliezen, welke haar troffen, volbragt zij gedurende zes jaren deze taak. Zij deed dit zóódanig tot genoegen der Staten, dat deze bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April 1765, konden betuigen: »dat zij een allergezegendst middel in Gods hand was geweest, om de welvaart dezer provincie met den uitersten ijver te bevorderen op eene zoo vreedzame en vriendelijke wijze, dat zij de liefde en hoogachting van Regenten en ingezetenen van allerlei staat voor lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen behouden had"[361].
[361] Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren kleinzoon. Zie STUART, _vervolg op_ WAGENAAR, II 249; DE CHALMOT, _Leven der Prinses_, Leeuw. 1765; J. VAN DEN BOSCH, _de Heeren Stadhouderen van Vriesland_, Leeuw. 1770, 35, 86; _Levensbeschrijving van Nederl. Mannen enz._ VI 154; VAN KAMPEN, _Karakterkunde_, II 562 enz.
* * * * *
Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart was er voor het vaderland aangebroken, toen Prins WILLEM V in 1766 in alle provinciën als Erfstadhouder werd gehuldigd. Die voorspoed, welke ook _Friesland_ bestraalde, werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de veepest van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel trachtten de staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen dezer provincie te verbeteren, doch er kwam veel minder goeds gedurende dit bloeijende en rustige tijdvak tot stand dan men had mogen verwachten. De vroegere wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten blijken gaven van de kregelheid, eerzucht en twistgierigheid, welke vele republikeinen dier dagen bezielden. Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins in de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende bewijzen, toen hij _Friesland_ in 1773 en 1777 bij herhaling bezocht, omgeven van den glans der weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten toon spreidde.
Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en de toestand des lands met den jare 1780!
De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen tegen _Engeland_ verwekte allereerst eene ongemeene belangstelling en geestdrift. Bijzonder was dit het geval bij de vrijheidlievende Friezen, wier Staten zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van al de provinciën waren, die vóór de vrijverklaring van _Amerika_ stemden[362].
[362] Zie LOOSJES, _Gedenkzuil der Vrij-verklaaring_, 31, 58, 64, 131, 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit te _Leeuwarden_: _Door Vrijheid en IJver_ aan Gedeputeerden, met aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had laten vervaardigen. De studenten te _Franeker_ huldigden hetzelve door het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest overal aangewakkerd.
Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen, in weerwil van Engelands verbod, bleven ondersteunen, moest dit natuurlijk een oorlog van ons land met _Engeland_ ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze zeemagt bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe. Groot verschil van staatkundige inzigten en daarbij een toenemend misnoegen over het gedrag van den Prins en meer nog over de handelingen van zijnen raadsman, den Hertog van BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, dien men, nadat hij in den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde hebben,--dit alles verwekte meer en meer verwijdering, verbittering, scheuring en partijschap.
Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken te zijn van het Regerings-reglement van 1748, en zich beklaagde over de aanmatigingen der rijken, de voorregten der aristocratie en de misbruiken der familie-regering, verlangde meerdere regten uit te oefenen, en eischte grondwettige herstelling van het, in zoovele opzigten verbasterde, staatsbestuur. Het woord _vrijheid_, hetwelk in de zaak der Amerikanen zulk eene heilige beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd, vermengd met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren over godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke klubs of fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van het gezag der regenten. Zelfs benamen de Friesche Steden den Prins in 1782 het aan zijn vader en hem afgestane regt van Raadsbestelling en het begeven van de in haar kwartier rondgaande ambten. Noch het vertrek van den Hertog van BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, noch de vrede met _Engeland_ (1784), noch een verdedigend verbond met _Frankrijk_ (1785), konden de opgewondene gemoederen tot rust brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging van oorlog met Keizer JOZEF II het volk algemeen de wapenen in handen had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen of Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding der natie, waarvan een deel weldra met die zelfde wapenen hare overheden bedreigde en zich tegen het gezag verzette. De brave Prins, te zwak om in tijden van beweging het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich nu bij de aristocratie aan, in plaats van eene poging te doen, om de verlorene vriendschap der patriotten te herwinnen, door hunne voornaamste wenschen in te willigen.
In dien onrustigen stand van zaken waagden de Staten van _Friesland_ het, den publieken geest, welke zich dagelijks krachtiger openbaarde en op de verbetering van talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door op den 25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te vaardigen. Bij het eerste werd het op strenge straf verboden, beleedigende geschriften uit te geven, of requesten en adressen over zaken der regering te teekenen. Bij het tweede werden de nu gevaarlijk geachte Exercitie-genootschappen opgeheven en verboden, en de burgers bevolen hunne wapenen af te leggen[363]. Dan, de stroom vloeide reeds te lang en te sterk, om, door zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen, de breuke tusschen de Prins-gezinden en Patriotten grooter, de verbittering sterker. De stad _Franeker_ werd in Mei 1787 het middelpunt, waar de gewapende misnoegden en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich vereenigden; waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde aanvallen versterkte, door de stad met schansen en elf batterijen te omgeven en krijgsvoorraad bijeen te brengen, en waar in Augustus tien leden der Staten zich van die van _Leeuwarden_ afscheidden en, even als in 1672 te _Sneek_, eene tegenregering vormden, die, met versmading van de wettige meerderheid, hare bevelen, als de eenige en hoogste magt des lands, overal wilde doen eerbiedigen.
[363] Zie de _Verzameling van Placaten_, 339, 343; _Apologie van_ C. L. VAN BEIJMA, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.
Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de rust, de veiligheid en welvaart der ingezetenen hoogst verderfelijk was, kon niet duurzaam zijn bij al de blijken, welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn voor het genot van eene vrijheid, waarvan alléén de klank veler hoofden had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied en liefde tusschen overheid, vorst en volk was verbroken. Welk persoon, wat stout bedrijf of welke merkwaardige gebeurtenis zou den veegen Staat redden? Helaas! den benarden Stadhouder, dien men in _Holland_ zoo veel leed had aangedaan, dat hij naar _Nijmegen_ was geweken, scheen geen ander middel tot zelfbehoud over te schieten, dan de hulp in te roepen van zijnen schoonbroeder, den Koning van _Pruissen_, die in September 1787 een leger van 20,000 man naar _Holland_ zond, om den Prins in zijn gezag te herstellen. Achtten velen deze inroeping van vreemde hulp eene grievende beleediging,--zij had voor het oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom, na hevige uitspattingen, de volksberoeringen ophielden, en dat de Staten van _Holland_, met intrekking van al hunne besluiten, tegen den Prins genomen, den Stadhouder verzochten weder in _'s Gravenhage_ te komen. Zegepralende op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam hij zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm met kracht gehandhaafd.
Maar welk gebruik maakten de Staten van _Friesland_ van deze overwinning van het gezag? Verdienden zij door edele grootmoedigheid en vergevensgezindheid den eerbied, waarop zij op nieuw aanspraak maakten? Neen, strenge vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het welzijn des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht om het beleedigde gezag te wreken het roersel hunner daden was. Nadat allen, die zich verdedigers der grondwettige regten en vrijheden des volks noemden, met de talrijke te _Franeker_ zamengevloeide gewapende burgers die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September door de Staten bezet, en daarna gestraft met het uitligten van de deuren der poorten, welke in de kerk werden vastgelegd. Honderden Friesche patriotten vlugtten, waarvan de meesten te _St. Omer_ in _Frankrijk_ eene schuilplaats vonden. Vele leden van het defensiewezen en andere deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden regeringsvorm werden gevat en door het Hof gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten, verbeurdverklaring van goederen en andere straffen. Eene algemeene ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten en andere dergelijke staatkundige bijeenkomsten werden streng verboden. Wel lieten de Staten den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze bevatte, na eene opsomming van al het misdrevene zóó vele uitzonderingen, dat de meeste deelgenooten daar buitengesloten bleven, en zich liever den last der ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard viel deze straf vooral vele rustige en brave burgers, die, met de beste bedoelingen, door den tijdgeest onwillekeurig waren medegevoerd geworden. Nog harder viel die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds eenige jaren verloopen waren, doof bleven voor alle verzoeken tot matiging, zoodat zelfs nog in 1792 de zedige en verdienstelijke EISE EISINGA, die zich, na jaren omzwervens, te _Visvliet_ nedergezet had en daar gevat was, na een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit deze provincie gebannen werd, enkel omdat hij in 1787 lid was geweest van het defensiewezen te _Franeker_.