Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 34
Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der Grieken en Romeinen, met oogmerk, om de voortreffelijke werken hunner klassieke schrijvers en dichters uit te leggen, op te helderen en tot veredeling van den smaak en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft ons vaderland in de beide vorige eeuwen grooten roem verworven. Talrijke vreemdelingen kwamen soms herwaarts, alléén om de uitstekende mannen te hooren, welke in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In hoe verre _Franeker_ daartoe heeft bijgedragen, hebben wij reeds vermeld. Bovendien waren er hier nog andere letterkundigen, die òf in de scholen òf door uitgegevene geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen grondslag der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien roem te schragen. Dit deden JOH. FUNGERUS, E. E. L. MELLEMA, EDO NEUHUSIUS en zijne zonen REINIER en HENDRIK, alsmede TOBIAS, WERNERUS en HENRICUS GUTBERLETH, JOH. HILARIDES en anderen in de 17e eeuw; terwijl de 18e eeuw, waarin de scholen van VALCKENAER en SCHRADER bloeiden, mannen kweekte, als: SIGEBERTUS HAVERKAMP, THOMAS WOPKENS, OLPHERDUS BELIDA, PETRUS en GERHARDUS HORREUS, JOH. BALCK, JOH. PIERSON, GIJSBERT KOEN, H. VAN DER SLOOT en ERNST WILLEM HIGT; gelijk later RICHEUS VAN OMMEREN, JOH. ADAM NODELL, THEODORUS VAN KOOTEN, ADRIANUS HERINGA, FRANS HEMSTERHUIS en JOANNES VERWEIJ; alsmede JOH. RUARDI, JACOBUS TERPSTRA, JOH. DANIEL VAN LENNEP, HERMAN BOSSCHA, HENR. WAARDENBURG, EVERWINUS WASSENBERGH, H. FRIESEMAN, VALENTINUS SLOTHOUWER, ECCO EPKEMA en anderen, die tot op onzen leeftijd de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld.
Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen beoefenden tevens de Latijnsche poëzij, waarvan zij vele proeven hebben nagelaten, even als HERO en FREDERIK VAN INTHIEMA, JOANNES BOURICIUS, ERNESTUS BADERS, PAULUS VAN GHEMMENICH, CHRISTIAAN BRINK, VOP. HOR. ACKER en onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een roem in stelden, smaak voor de oude letteren aan de beoefening van de wetenschappen te paren.
_Dichters._
't Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde karaktertrek der Friezen en hunne meer bepaalde neiging voor de studie van dégelijke wetenschappen aanleiding hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor de beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het rijk der idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende dan de wezenlijkheid tot voorwerp heeft. Het is zoo; wanneer wij het groot getal verzenmakers, als: WIJBRAND MICHIELS, PETRUS BAARDT, T. SONNEMA, HENDRIK RINTJES, VITUS RINGERS, HERO GALAMA, FOPPE FOPPESZOON JUNIOR, GABBEMA enz. uit de 17e eeuw, gelijk FRANÇOIS HALMA, ROELOF ROUKEMA, WIJBRANDUS DE GEEST, MAGDALENA POLLIUS, JETSKE REINOU VAN DER MALEN, EELKE MEINDERTS, CLARA FEIJOENA VAN SIJTZAMA, JOAN SANDE, JAN AUKES BAKKER, SYMEN en JAN ALTHUYSEN enz. uit de 18e eeuw, wier verzen om de onderwerpen of hunne zedelijke of godsdienstige strekking den bijval verwierven van hunne tijdgenooten, niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter, in den hoogeren zin van dat woord,--dan bepaalt dit getal zich tot weinige personen. Doch die weinige kunnen dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan ~JAN JANSZOON STARTER~, die in 1614 op twintigjarigen leeftijd te _Leeuwarden_ kwam en deze stad in 1620 weder verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren van het bestand hier, èn door de oprigting van eene Rederijkerskamer: Och, mogt het rijzen! welke 80 aanzienlijke personen tot leden telde, èn door het opvoeren van treur- en blijspelen, èn door zijne onuitputtelijke en geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de nieuwe Nederduitsche poëzij opwekte, welke verwonderlijk was[344]. Hij liet aan zijne talrijke vereerders de _Friesche Lusthof_, vol aardige minneliederen en trouwdichten, na, welke dien bijval vond, dat dezelve in dertien jaren 6 of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de invloed ook was, dien STARTER tijdelijk uitoefende, deze was echter niet van duur of van dat gunstig gevolg, hetwelk men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven.
[344] Voor eenige jaren heb ik over _Starter en zijne Gedichten, in betrekking tot den toestand der Letterkunde in Friesland in het eerste gedeelte der 17e eeuw_ eene uitvoerige verhandeling zamengesteld, die ik welligt eerlang eens zal uitgeven, ook omdat er zoo weinig van en omtrent dezen dichter en dit tijdvak bekend is.
Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche taal uitgaf. Eerlang vond hij daarin een navolger in ~GYSBERT JACOBSZ.~, schooldienaar te _Bolsward_, die, na eerst in het Nederduitsch zwakke proeven, nog in den trant van SPIEGHEL, te hebben gegeven, zich in het Friesch tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der bewondering zijner nakomelingen heeft gemaakt. In hem toch zien wij scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd met eene groote mate van gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking leidde en ten teugel diende. In elk zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht oordeel, als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch des onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke lessen van levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een meesterschap over de taal betoont, zoo als nog niemand hare kracht en schoonheid had aan den dag gebragt. Dáárom vereeren de Friezen hunnen GYSBERT, als hun dichter bij uitnemendheid[345].
[345] Over GYSBERT sprekende, mag men zeker HALBERTSMA'S voortreffelijke _Hulde_ niet verzwijgen en evenmin het leedgevoel onderdrukken, dat deze dan nu, na 25 jaren wachtens, onvoltooid zal blijven. Zijn _Letterkundige Naoogst_ heeft ons daarvoor echter eenige vergoeding geschonken.
Meer algemeen was de roem, welken de broeders ~WILLEM~ en ~ONNO ZWIER VAN HAREN~, niet enkel in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid als Dichters mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18e eeuw de dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst om nette, rollende verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid, dichterlijke vlugt of gevoel, toonden zij het vaderland door hunne mingepolijste poëzij, dat die vereischten der ware kunst nog niet geheel verloren waren. WILLEM mogt door zijn grootsch heldendicht: _Gevallen van Friso_ en zijne stoute _Lierzangen_ even grooten roem behalen als ONNO later door zijne _Geuzen_, _Treurspelen_, _Lierzangen_ enz. In vaderlandsch gevoel, in stoute beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid van zaken dongen beide om den prijs. Die meesterstukken van waarachtige poëzij doordringen toch, waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd. Vandaar, dat zij, die de hooge roeping des dichters vervulden, de dankbare bewondering van het nageslacht en de lofspraak van een BILDERDIJK verdienden:
_Van Harens, Broedrental dat zelden weêrga vond, O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond!_[346]
[346] Ook omtrent de VAN HAREN'S heeft Dr. J. H. HALBERTMA zich door de uitgave zijne _Fragmenten_ verdienstelijk gemaakt; even als de Heeren DE VRIES en KEMPER door hunne verhandelingen, voor de nieuwe uitgave der Werken van de VAN HAREN'S geplaatst. Reeds in 1747 schatte D^o. HOFSTEDE de verdiensten dezer broeders zoo hoog, dat hij in eene leerrede op de verheffing van Prins WILLEM IV, 104, verklaarde, dat zij "een Standbeeld, naar de wyze der _Ouden_, in deezen Burgerstaat verdiend hebben." _De Geuzen_ volgden echter eerst 22 jaren later. Zie ook _Aanteekening 20_.
In dit zelfde tijdvak mogten mede ERNST WILLEM HIGT, BOELARDUS AUGUSTINUS VAN BOELENS, CYNTHIA LENIGE en SIMON STIJL door voortreffelijke dichtvruchten eer en onderscheiding verwerven.
_Schilders, Teekenaars en Graveurs._
Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om boven vermelde reden, in _Friesland_ minder algemeen geheerscht zouden hebben, en dat dit afgelegene gewest (in vergelijking van het rijke en voor de gemeenschap met andere landen zoo gunstig gelegene _Holland_) weinige kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,--ook dit zou zeer natuurlijk geweest zijn. En toch noemt de geschiedenis onzer vaderlandsche Schilder-, Teeken-en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne hebben toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen.
Als ~Schilders~ hebben toch PIETER DE VALK, JACOB BAKKER, FRANS CARRÉ, JELLE REINIERS, JAKOB POTMA, WIJBRAND DE GEEST, SIMON en DIRK DE VRIES, GERARD EDEMA, MATTHIJS HAARINGS en WIGERUS VITRINGA zich in de 17e eeuw verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij ook niet mogen noemen MEINDERT HOBBEMA, wiens meesterstukken thans bijna tegen goud worden opgewogen?[347] Ook in de volgende eeuw waren TAKO HAJO JELGERSMA, BERNARDUS en MATTHIJS ACCAMA, HERMANUS BUSCH, RIENK JELGERHUIS en GERARD WIGMANA, even als J. DE WILDE, TACO SCHELTEMA, HERMANUS WOUTER BEEKKERK, DIRK PLOEGSMA, ALLERT VAN DER POORT, NICOLAAS BAUR, WILLEM BARTEL VAN DER KOOI enz. in verschillende vakken zeer geacht.
[347] Ook REMBRANDT had eenige betrekking op _Friesland_, doordien hij hier (en niet te _Ransdorp_ of _Rarup_ in _Noord-Holland_) eene vrouw zocht en vond in SASKIA, de dochter van den Leeuwarder Raadsheer Dr. ROMBERTUS ULENBURG, met wie hij den 22 Junij 1634 te _St. Anna Parochie_ in den echt werd verbonden, zoo als ik onlangs ontdekt en met bewijzen heb kunnen staven.
Als ~Teekenaars~ mogten MARGARETHA DE HEER, J. STELLINGWERF, PIETER IDSERDS PORTIER, PETRUS CAMPER, JOH. JELGERHUIS RZ. en anderen zich mede onderscheiden.
Hoewel het niet bekend is, dat er in _Friesland_ ooit eene Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als ~Graveurs~ uitgemunt: BOETHIUS of BOTE en SCHELTE VAN BOLSWERD, PETRUS FEDDES VAN HARLINGEN, JAN JAAPIX, J. VAN MUNNICKHUIZEN, JAN DE VOS, JACOBUS en ANNA FOLKEMA, PIETER TANJÉ, MICHIEL ELGERSMA en KLEIS LANTING, waarvan sommigen uitstekende kunstwerken hebben voortgebragt[348].
[348] Bijna al de genoemde kunstenaars komen met korte levensschetsen voor in het bekende werk van IMMERZEEL, _de Levens en Werken der Holl. en Vlaamsche Kunstschilders_ enz. Amst. 1842, 3 dln. Van onderscheidene der laatste heb ik kunstwerken verzameld.
Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste personen, welke, in verschillende vakken van kennis en kunst, uit _Friesland_ zijn voortgekomen en die hebben bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang in wetenschap, smaak en beschaving te bevorderen[349]. Gewis, dit gewest heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk van het goede en schoone toegebragt, en roemvol is de rij van verdienstelijke personen, die onze vaderlandsliefde zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die tevens een prikkel tot navolging vinden in de overtuiging:
_Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer._
[349] Het zou mij zeker niet moeijelijk gevallen zijn, om van al de vermelde personen hierbij korte levensschetsen te voegen uit mijne sedert 1826 verzamelde Aanteekeningen betrekkelijk beroemde Friezen. Doch dan ware dit onderwerp voor deze _Beknopte Geschiedenis_ veel te uitvoerig behandeld geworden, in verhouding tot het overig gedeelte. En toch is het een zoo hoogst belangrijk onderwerp, dat ik hartelijk wensch, dat het voornemen, door Jhr. Mr. H. B. VAN SMINIA en mij opgevat, om een _Beroemd Friesland_ te bewerken en over eenige jaren uit te geven, door ons zal mogen worden volbragt.
41. _Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en Partijschappen ontbinden den Staat._
_Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling._
_1713-1795_[350].
[350] Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak strekt ten vervolge van het tweede gedeelte, dat op bl. 308 eindigt.
Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat zij, dagelijks door hoop en vrees geslingerd, aan vrede en voorspoed het denkbeeld van geluk--en aan nood en tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter leert de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat--terwijl nood en tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en moed en inspanning ten algemeenen nutte ontwikkelen--ons geslacht veelal zwak genoeg was, om vrede en voorspoed meer te doen strekken tot gemak en genot, die verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en vooruitgang in velerlei betrekkingen van den staat en der maatschappij. Zóó misleiden de volken zich zelve, door van de beste der gaven geen verstandig gebruik te maken! Dán hoopen de smetstoffen in den staatkundigen dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting komt, welke allen uit den slaap opwekt en naar hulp en redding doet uitzien. Bij het licht des geloofs, dat God de natiën bestemd heeft, om steeds te vorderen in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden van dit alles: dat alle pogingen om het ware en goede te bevorderen duurzaam tot heil strekken; dat de raadslagen der boozen verijdeld worden, en dat de dwalingen en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing voor de toekomst.
De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende de 18e eeuw heeft dit alles bewezen.--In de oorzaken, middelen en gevolgen daarvan had _Friesland_ rijkelijk zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad hervatten, en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit tijdvak in hoofdtrekken mededeelen.
Had ons land ná den Munsterschen vrede van 1648 langer dan eene halve eeuw moeten oorlogvoeren met andere mogendheden,--op den vrede, in 1713 te _Utrecht_ gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede te bewaren en den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de aanzienlijke vermindering van de landmagt en de verwaarloozing van het zeewezen wel noodzakelijk was, ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls in de waagschaal stelden. Onder het genot van die rust, bij welke de vroegere wakkerheid vervangen werd door zucht naar gemak en weelde, bleven koophandel en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke nu en dan aanzienlijke offers eischten. Immers, nog was de veepest, in 1712 begonnen, aan het woeden, toen _Friesland_ eerst in 1715, doch vooral bij den Kersvloed van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door dijkbreuken en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten. Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en verbeteringen van onze zeeweringen voltooid, en pas had eene heerschende ziekte en ongemeene sterfte in 1728 opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de paalworm, in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer havens en kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en vervolgens, de veepest nog grootere verliezen veroorzaakte[351].
[351] Zie over deze hier slechts aangestipte punten ook bl. 238, 316, 336 hier vóór.
Intusschen had Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, door eene voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste leermeesters gevormd en van nature met de edelste vermogens van verstand en hart begaafd, in 1731 den twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap over _Friesland_ aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses MARIA LOUISA het bewind nedergelegd, en nevens den dank der Staten voor de uitnemende diensten, welke hare wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen, eene gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk bedrag, uit achting voor haar persoon en verdiensten, ontvangen. Reeds in 1718 was de Prins door _Groningen_ en in 1722 door _Drenthe_ en _Gelderland_ tot Stadhouder benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard, in weerwil der tegenkantingen van _Holland_ en andere provinciën, die deze uitbreiding van 's Prinsen magt met leede oogen aanzagen. In spijt der tegenbedenkingen van _Holland_ steeg het aanzien van den Prins nog meer door zijne echtverbindtenis met ANNA, Kroonprinses van _Groot-Brittanje_, oudste dochter van Koning GEORGE II, welke den 25 Maart 1734 werd voltrokken. Luisterrijk was het onthaal, dat het vorstelijk paar, te _Harlingen_ aangekomen, den 11 Mei op zijn togt naar en in _Leeuwarden_ mogt ondervinden, waarbij de regering en de ingezetenen hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den dag legden; terwijl 's lands Staten der Prinses eene tonne gouds tot eene huwelijksgift aanboden[352]. In de liefde zijner Friezen vond de Prins dan ook bestendig de meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke hij bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting en tegenwerking der Staten van _Holland_ en andere gewesten fier te verheffen.
[352] Onder den titel van: _het Juichend Friesland_ is er destijds een verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden, eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ook _Reg. op de Staats-resol._ 343, 519.
* * * * *
Hoe duurzaam het genot van vrede en voorspoed ook schenen te zijn, ten jare 1740 ontbrandde op eens de Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan de meeste staten van _Europa_ deel namen. KAREL VI, Keizer van _Oostenrijk_, stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige dochter MARIA THERESIA, Koningin van _Hongarije_ en _Bohemen_. Zes mogendheden, _Beijeren_, _Pruissen_, _Polen_, _Spanje_, _Sardinië_ en _Frankrijk_ zochten deze troonsopvolging te verhinderen, en zonden schielijk ontzaggelijke legers in _Duitschland_. In ons vaderland weifelden de staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht der pragmatieke Sanctie of het Weener verdrag van 1732, der Koningin hulp zou bieden, dan of men zich onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten hunne landmagt in 1741 wel, eerst met 21,000 en daarna met nog 20,000 man; doch in plaats van hulpbenden aan MARIA THERESIA te zenden, besloten zij, haar een onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden. Toen er echter in het volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel om troepen kwam, waren de gevoelens zeer verdeeld. Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden bewaren, of die _Frankrijk_ vreesden, besloten tot onzijdigheid; maar anderen meenden, dat de goede trouw den Staat verpligtte, aan de traktaten gevolg te geven en hulptroepen te zenden. De wakkere WILLEM VAN HAREN koos met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij, als afgevaardigde van _Friesland_, in de vergadering der Algemeene Staten zijne welsprekendheid had uitgeput, om de vertegenwoordigers der provinciën tot zijne beginselen over te halen, nam hij zijn dichterlijk talent te baat, om ook het volk zelf met die beginselen van regtvaardigheid en goede trouw te bezielen. Hij gaf de _Leonidas_ en drie _Lierzangen_ in het licht, en--behaalde met deze gloeijende verzen eene staatkundige zegepraal op de harten des volks, die der dichtkunst wel bij de Grieken, maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen. Men wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken van deze gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen op VAN HAREN. De opgewonden geest des volks werkte op dien der Staten, die daarom in 1743 besloten, de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan, welk getal in den volgenden jare werd verdubbeld. »Eere zij onzen Vaderen, die door eerlijkheid vergoed hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak. Eere vooral den Staatsman en Dichter, die, in zijnen _Leonidas_, door het voorbeeld van den held van _Sparta_, de natie uit hare slaapziekte pogende op te wekken, hun, die niet schroomden het trouwblijven aan verbonden eene _koppigheid_ te noemen, met verontwaardiging toevoerde, hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot de diepte verlaagden der _Barbaren_, die hunnen val beoogden"[353].
[353] Deze Gedichten, te _'s Hage_ bij BEAUREGARD in 4^o. uitgegeven, zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uit POLYBIUS in proza, benevens eene menigte lofverzen op VAN HAREN, in 8^o. gedrukt te _Harderwijk_. Ze zijn ook opgenomen in VAN HAREN'S _Werken_ bij WESTERMAN. Zie mede HALBERTSMA, _Fragmenten over de van Harens_, 120 en SCHELTEMA, _Mengelwerk_, I 132; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 555.
Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde veldtogten van LODEWIJK XV in de _Oostenrijksche Nederlanden_ weinig eere mogten behalen, hebben toch onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich onderscheiden: de Luitenant-Generaal JOHAN SICCO Baron THOE SCHWARTZENBERG, de Brigadier GEMME ONUPHRIUS VAN BURMANIA, de Luitenant-Kolonel LAAS ULBE VAN BURMANIA, benevens nog vier andere leden van dit geslacht; alsmede de Majoor DANIEL DE BLOCQ VAN BOURICIUS, Kommandant van het Regiment _Oranje-Friesland_; doch bovenal de dappere Luitenant-Generaal HOBBE ESAÏAS VAN AYLVA, Gouverneur van _Maastricht_, die van zijne uitstekende verdediging van deze sterke, doch hevig aangevallene vesting in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn aanvaller, de Maarschalk van _Saksen_, als blijk van achting voor zijn moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij vredesverdrag was overgegaan, toestond, bij zijn eervollen uittogt vier kanonnen en twee mortieren uit de vesting mede te voeren. Nadat _Frankrijk_ verpligt werd, _Maastricht_ weder aan ons af te staan, werd dit geschut, op voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van State vereerd, na voorzien te zijn van het opschrift: DONUM VIRTUTIS AYLVÆ, of _Eeregift voor Aylva's dapperheid_[354].
[354] In 1758 heeft de Generaal AYLVA deze zes stukken geschuts gelegateerd aan de Staten van _Friesland_, op wier last ze, na zijn overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht te _Leeuwarden_, volgens _Reg. Staats-res._ 41, 61; _Teg. Staat_, II 109; TE WATER, _Verbond der Edelen_, II 167; KOK, _Vaderlandsch Woordenb._ II 403; BOSSCHA, _Heldend._ II 657; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 180, 190; VAN LEEUWEN, in _de Vrije Fries_, V 367, 382.
* * * * *