Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 33
Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en kunstzin? Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel, heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en vleesch kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die bij het leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om te lijden en te strijden, geen moed om te sterven.
Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in _Friesland_ zou zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware, goede en schoone; zelfs met _Holland_, welks roem in kunsten en wetenschappen ook door den Baron COLLOT D'ESCURY zoo eervol is gehandhaafd. Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers, de voortreffelijke VAN KAMPEN, mede erkend: »Het is inderdaad hoogstmerkwaardig, dat _Friesland_, een zoo middelmatig Gewest van het kleine _Nederland_, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke uitgebreidheid in _Europa_"[329].
[329] Zie zijne _Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden_, Delft 1826, III 254, 258.
Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij, het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust, doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.
In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:
_Frieslands Hoogeschool te Franeker._
In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;--ondanks gebrek aan krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten verzekeren;--niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der regering over de mate en de grenzen des gezags--waren de Staten van _Friesland_ zeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te stichten; vooral, om de kerk van geschikte predikanten te voorzien. Zij meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool, tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van 1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koning FILIPS herhaalden en Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_ tot hunnen Stadhouder verkozen, besloten zij tot oprigting van een »Seminarium ofte Collegium tot welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment"[330].
[330] WINSEMIUS 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 139; VRIEMOET, _Athenæ Frisiacæ_, IV.
Het voormalige Kruisebroeders-klooster te _Franeker_ werd daartoe aangewezen, en de voor acht jaren te _Leiden_ gestichte Akademie tot voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee, TIARA en DRUSIUS, van _Leiden_ herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585 plaats had. Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren namens de Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de beoefening van de wetenschappen zoo geschikte _Franeker_ te bezoeken. De akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd[331]. Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664 tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had bedragen[332].
[331] Zie de Staatsstukken betrekkelijk deze Hoogeschool in het _Charterb._ IV 657, 820, 943, 1075; V 108, 246, 297, 317, 328, 518, 522, 546, 551, 628, 730, 758, 999; _Reg. Staats-res._ 5, 35, 110, 473, 557, 647, 774; benevens de MS. Res. van Gedeputeerden.
[332] Volgens het nog aanwezige Album. De Feestrede van Prof. N. BLANCARDUS, bij die gelegenheid gehouden, komt met vertaling voor in SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, II 23e bk. 91.
Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In de ~Godgeleerdheid~ waren het LYDIUS, VAN DER LINDEN en LUBBERTUS, en op hun voetspoor twee SCHOTANUSSEN, CLOPPENBURG en ARNOLDUS, die den roem der Hoogeschool vestigden, gelijk WITSIUS, VAN MARCK, twee VITRINGA'S, twee VAN DER WAEYENS, ROËLL, CONRADI, VENEMA en VAN VOORST, die hem handhaafden en uitbreidden. In de ~Regtsgeleerdheid~ werd te _Franeker_ eene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de hoogleeraren VAN BEIJMA, twee SCHOTANUSSEN, VAN DEN SANDE, FABER en BOURICIUS, die later nog overtroffen werden door WISSENBACH, twee HUBERS, NOODT, SCHULTING, WESTENBERG en HEINECCIUS, die Europeschen roem verwierven, alsmede door twee VOORDA'S, WIELING, TROTZ, CANNEGIETER enz. De ~Genees-~, ~Wis-~ en ~Natuurkundige Wetenschappen~ vonden ijverige beoefenaars in AULETIUS, CLINGBIJL, METIUS, M. WINSEMIUS, VAN DER LINDEN en HOLWARDA, doch vooral in twee MATTHÆUSSEN, twee FULLENIUSSEN, MUYS, LORÉ, OUWENS, twee YPEIJS, twee BRUGMANSEN, CAMPER, VAN SWINDEN enz. Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de ~Oude Talen~, ~Letteren~ en ~Geschiedenis~ onder mannen als: TIARA, DRUSIUS en AMAMA, die de grondslagen legden, waarop RHALA, PASOR, P. WINSEMIUS, MOLL en TERENTIUS voortbouwden, om onder BOS, SCHULTENS, WESSELING en VRIEMOET zich uit te breiden en door HEMSTERHUIS, BURMAN, D'ARNAUD, VALCKENAER en SCHRADER eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder VAN LENNEP, VAN KOOTEN en WASSENBERGH nog de stralen blonken[333].
[333] Levensbeschrijvingen van de meest al de genoemde Hoogleeraren bevat het werk van VRIEMOET, hier vóór op bl. 234 aangehaald.
Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte, door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden; mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van _Franeker_ hebben verbonden. 't Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van kennis voor ons vaderland, daar hij »_Franeker_ eens de eerste en voornaamste Hoogeschool van _Nederland_ en de kweekhof van groote mannen voor _Leyden_" noemde[334].
[334] VAN KAMPEN, t. a. p. II 248, 259, 261, 311, 313, 364, 520, 609. Op al deze plaatsen staaft die schrijver het hooge aanzien der Franeker Akademie met bewijzen; terwijl het laatste gezegde bevestiging vindt in een getal van _dertig_ Hoogleeraren, van _Franeker_ naar _Leiden_ beroepen. Hij voegt er bij: "De _Friesche_ Hoogeschool telde in dit tijdperk, 1713-80, vijf der meestberoemde Letterkundigen van _Europa_ onder hare Hoogleeraren, SCHULTENS, HEMSTERHUYS, VALCKENAER, WESSELING en BURMAN, en was dus een waar _Athenæum_ (niet in den zin van minderheid beneden eene _Akademie_)."
»Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen, die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie"[335]. De eenmaal ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen werden genomen. Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën voorgesteld, om zoowel uit te munten »in geleertheyt als seden ende eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met haer brengen"[336].
[335] Prof. SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.
[336] Aldaar, 145, 177.
Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden de Staten, die tot dusverre de belangen der Akademie zoo onbekrompen hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige »poincten van menage" in te voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool schijnbaar met luister werd gevierd.
Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige verdeeldheden en beroerten, waarvan _Franeker_ vooral de zetel was, en ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend bestaan voort; totdat het Keizer NAPOLÉON behaagde, haar in 1812 op te heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te vernietigen[337].
[337] Behalve de bronnen, hier vóór vermeld, bevat de _Teg. Staat_, II 512, het uitvoerigste overzigt van de geschiedenis der Hoogeschool, welke echter tot dusverre nog zeer onvolkomen bekend is. Ook dáárom wensch ik zeer, dat er uit de groote menigte stukken, welke er betrekkelijk deze Akademie nog te _Franeker_ en in mijne eigene verzameling aanwezig zijn, eenmaal eene volledige geschiedenis worde opgemaakt, welke zeker voor onze letterkunde eene belangrijke bijdrage zou zijn.
_Godgeleerden._
Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te _Franeker_ heeft _Friesland_ een groot getal ~Godgeleerden~ voortgebragt of gekweekt, die òf als Hoogleeraren op de andere vaderlandsche leerscholen, òf als Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de leer der Kerk te handhaven. GELLIUS SNECANUS, SIBRANDUS WOMMELIUS, FESTUS HOMMIUS en GELLIUS DE BOUMA waren in de eerste tijden even werkzaam om de Kerk te vestigen, als later FRANCISCUS ELGERSMA, DOMICUS GOLTZIUS, ARNOLDUS LANDREBEN, THEODORUS SCHELTINGA, HENRICUS SICCAMA en HERO SIBERSMA, om haar op te bouwen en te stichten. De schriften van THEODORUS en WILHELMUS À BRAKEL waren vooral lang algemeen geacht; zelfs werd de _Redelijke Godsdienst_ des laatsten van 1700 tot 1767 17 malen herdrukt. DAVID FLUD VAN GIFFEN en BALTHAZAR BEKKER poogden echter meer heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen. JOH. WESSELIUS, THEODORUS VAN THUYNEN, NICOLAAS SCHIERE, IBERTUS FENNEMA, MARTINUS SWARTTE en JOHANNES PLANTINUS waren in de 18e eeuw door leer en schriften zeer in achting. AGGÆUS HAITSMA, GAVIUS NAUTA, JOANNES STINSTRA, BENJAMIN FRIESWIJK, JOHANNES HABBEMA en HERO OOSTERBAAN muntten te gelijk door geleerdheid uit. Toen eindelijk de voortgang der verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken, waren het de Friesche predikanten FOKKO LIEFSTING, JACOBUS ENGELSMA MEBIUS, PETRUS en JAN BROUWER, PETRUS en GERBRAND BRUINING en JOHANNES HENRICUS NIEUWOLD, die, even als vervolgens de hoogleeraren JODOCUS HERINGA EZ., EELKE TINGA, ANNÆUS YPEIJ, LUCAS SURINGAR en ELIAS ANNES BORGER, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere te herstellen.
_Regtsgeleerden._
Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in de ~Regtsgeleerdheid~ grooten naam mogt verwerven[338]. Hebben wij die, welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te _Leiden_ JUCKE VAN BEIJMA, BERNARDUS SCHOTANUS, GERLACH SCHELTINGA, BAVIUS VOORDA en JAN VALCKENAER; te _Utrecht_, behalve de zelfde SCHOTANUS en VALCKENAER, CYPRIANUS REGNERUS VAN OOSTERGA en JACOBUS en JOHANNES HENRICUS VOORDA; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen mannen als MEINARDUS VAN AITZEMA te _Rochelle_, FRANCISCUS MEINARDUS te _Poitiers_ en DOMINICUS VAN ARUM te _Jena_ de leerstoelen van het regt met roem hebben bekleed.
[338] Zie deze alle genoemd in Prof G. DE WAL'S _Oratio de claris Frisiæ Jureconsultis_, in 1818 te _Franeker_ gehouden en in 1825, vermeerderd met de levens dier personen, te _Leeuwarden_ uitgegeven.
Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol der Raden van het Hof van _Friesland_, welker roem van bekwaamheid en strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de aanzienlijken van _Friesland_ in achting stond[339]. Nog talrijker is de Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgeblonken[340]. Velen hunner mogten toch als leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven. Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als: ROMBERTUS ULENBURG, ECO YSBRANDI, KEIMPE en FRANS VAN DONIA, de Ambassadeur WILLEM VAN HAREN, ALLARD PIETER VAN JONGESTAL, SICCO VAN GOSLINGA, ULBE AYLVA VAN BURMANIA, TJAARD en HESSEL DOUWE ERNST VAN AYLVA; gelijk mede van WILLEM en ONNO ZWIER VAN HAREN, WYBRAND VAN ITSMA, NICOLAAS ARNOLDI, EPO SJUCK VAN BURMANIA, PHILIP FREDERIK en JOHAN VEGILIN VAN CLAERBERGEN, GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG enz.; terwijl de geslachten SAECKMA, GROVESTINS, VAN SMINIA, VAN AYLVA, VAN EIJSINGA, LYCKLAMA, VAN WYCKEL, BOURICIUS, BEUCKER, RENGERS, VAN SCHELTINGA, HUBER, VAN VIERSSEN, AITZEMA, ANDRINGA, DE BLAU enz. onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgemunt[341].
[339] Zie over het Hof bl. 227 en de noot op bl. 228 hier vóór.
[340] Zie VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, en bl. 235 hier vóór.
[341] Van vele dezer personen heeft onze landgenoot Mr. JAC. SCHELTEMA levensschetsen gegeven in zijn belangrijk werk: _Staatkundig Nederland_, Amsterdam 1805, 2 deelen. Zie ook VAN SMINIA, _Grietmannen_, het _Wapenboek_, het _Stamboek_ enz.
Buitendien waren er nog vele personen, die de vruchten hunner wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid door de uitgave van werken hebben bekend gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet verzwijgen van SIBRANDUS SICCAMA, JACOBUS BOURICIUS, TJALLING VAN EIJSINGA, THOMAS HERBAJUS, HERO À SCHINGEN, JOHAN VAN DEN SANDE, ANTONIUS KANN, DOMINICUS HAMERSTER, GAJUS NAUTA, SIMON BINCKES, SACO HARMEN VAN IDSINGA, PETRUS WIERDSMA, PETRUS BRANDSMA, ENNIUS HARMEN BERGSMA en anderen. Doch reeds meer dan genoeg, om slechts aan te wijzen, dat _Friesland_ ook in dit tijdvak rijk is geweest aan mannen, die als regtsgeleerden en staatkundigen het belang en de eer des vaderlands op eene waardige wijze hebben bevorderd.
_Genees-, Heel- en Verloskundigen._
Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam vermelden. HENRICUS VAN BRA, S. EUGALENUS, ISBRAND HIERONYMUS FRANK, SIBOLDUS en JOHANNES HEMSTERHUIS, G. FOLLIN en HENDRIK VAN DEVENTER mogten in de 17e eeuw door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den vooruitgang van die vakken evenzeer bevorderen, als in de 18e eeuw ROELOF ROUKEMA, BERNARDUS IDEMA, MURK VAN PHELSUM, TIBERIUS LAMBERGEN, SIMON STINSTRA, JAN DE REUS en FOLKERT SNIP; gelijk vervolgens WYNOLDUS MUNNIKS, GEORGIUS en GADSO COOPMANS, JOHANNES DE VRIES, JOHANNES MULDER, ADOLPHUS YPEIJ, SEBALD JUSTINUS BRUGMANS en anderen. Grooter was echter het getal
_Wis- en Natuurkundigen._
Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen aard en karakter zich steeds een bijzonderen aanleg en neiging heeft geopenbaard voor de beoefening van de Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder[342]. Hebben wij vroeger reeds de namen van onderscheidene beoefenaars dier vakken in de 16e eeuw genoemd (bl. 158), ook de 17e eeuw gaf daarvan bewijzen in JOHAN SEMS, JAN HENDRIK JARICHS VAN DER LEIJ, SIBRAND HANSEN KARDINAAL, LIEUWE WILLEMS GRAAF, THEODORUS HOEN, HIPPOLYTUS BEYEM VAN AERSSEN, RIEMER SIJBES, CHRISTOFFEL MIDDAGTEN, BERNARDUS SCHOTANUS À STERINGA en anderen, die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne bekwaamheden. Nog rijker was de 18e eeuw in het voortbrengen van dergelijke vernuften, die veelal uit den eenvoudigen burgerstand of uit landbouwers voortkwamen, en grootendeels zonder onderwijs van anderen door eigen aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende hoogte mogten bereiken. Zoo waren te _Leeuwarden_ JOHANN HERMANN KNOOP, HAIJKE HAANSTRA, WIJTSE FOPPES DONGJUMA, LUITJEN F. WIERSMA en TJEERD RINGNEERIJ ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den bloei te bevorderen van vakken, waarin ook RIENK JELGERHUIS, LUCAS OLING; MATTHEUS SIDERIUS en JAN WILLEM KARSTEN bewijzen gaven van groote bekwaamheden. Te _Harlingen_ onderscheidden MATTHIJS ADOLF VAN ISDINGA en ABE JANS HINGST zich evenzeer in de zeevaartkunde, als de uurwerkmaker TJEERD RADSMA in de werktuigkunde.
[342] Zie dit vooral betoogd in Professor C. EKAMA'S _Oratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili_, te _Franeker_ in 1809 gehouden.
Doch vooral te _Franeker_ en omstreken bloeiden deze vakken. Waren DAVID en CHRISTOFFEL MEESE als kruidkundigen hoog geacht--JAN PIETERS VAN DER BILDT en zijn kleinzoon BAUKE EISMA VAN DER BILDT mogten roem behalen door hunne teleskopen en andere optische werktuigen. Nevens verscheidene stille beoefenaren van wis- en sterrekunde onderscheidden zich daar verder WOUTER MARTENS VAN DER WERF, HENDRIK ANJEMA en PIBO STEENSTRA; terwijl de scheikundige BOUDEWIJN TIEBOEL en de beroemde wijsgeer FRANS HEMSTERHUIS ook uit deze stad voortkwamen. In den omtrek van _Franeker_ waren het de broeders RIENTS en KLAAS PIERS SALVERDA te _Salwerd_, KLAAS GERRITS WIERINGA te _Achlum_ en OBBE SIKKES BANGMA te _Arum_, doch vooral JELTE EISINGA met zijne beide zonen, EISE en STEPHANUS, te _Dronrijp_, die ongemeene vorderingen maakten in de wis-, sterre- en werktuigkunde. EISE EISINGA mogt het door eigene oefening zelfs zóó verre brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te _Franeker_ dát voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde, hetwelk, na door Prof. VAN SWINDEN te zijn beschreven, een voorwerp geworden is der bewondering van duizenden, die het kwamen beschouwen, gelijk het nog een sieraad is dier stad[343].
[343] Uitvoeriger berigten over EISINGA en de uit dit tijdvak vermelde personen zie men in het _Leven van Eisinga en Geschiedenis van zijn Planetarium_, geplaatst voor den derden druk van VAN SWINDEN'S _Beschrijving van het Planetarium_, voor eenige maanden door mij uitgegeven.
Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van NIKOLAAS EPKEMA, HENRICUS ÆNEAE, de gebroeders ROELOFS en anderen; doch het aangevoerde zal wel genoeg zijn, om te bewijzen, dat _Friesland_ steeds vruchtbaar is geweest in het voortbrengen ook van mathematische vernuften.
Der Friezen aanleg voor de beoefening van dégelijke studiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen en niet minder volharding vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen hunner voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de geschiedenis.--Vandaar het groot getal der door deze provincie gekweekte
_Geschiedschrijvers._
Terwijl REINICO FRESINGA en FREDERIK VAN VERVOU van _Franeker_, EVERHARD VAN REYD te _Leeuwarden_ en vooral LIEUWE VAN AITZEMA van _Dokkum_ de belangrijke voorvallen van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek stelden, waren ANDREAS CORNELIUS, MARTINUS HAMCONIUS, BERNARDUS FURMERIUS, PIERIUS WINSEMIUS en daarna CHRISTIANUS SCHOTANUS en SIMON ABBES GABBEMA ijverig werkzaam, om de oudste geschiedenissen der Friezen op te delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht hen had achtergelaten. Ook in de volgende eeuw ontbrak het niet aan vlijtige beoefenaars van de historie, waarvan de groote werken getuigen van JAQUES GEORGE DE CHAUFEPIÉ, FRANÇOIS HALMA, SIGEBERTUS HAVERKAMP, SACO HARMEN VAN IDSINGA en FOEKE SJOERDS, die echter zijne Beschrijving en Geschiedenis van _Friesland_ naauwelijks ter helft mogt voltooijen. En terwijl SIMON STIJL eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige beschouwing van de vaderlandsche geschiedenis, mogten EDUARD MARIUS en ULBO VAN BURMANIA, WYBRAND VAN ITSMA, ABRAHAM FERWERDA en anderen gewigtige bronnen en bijdragen in het licht geven; doch mogt het vooral den edelen GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG gebeuren, met hulp van Dr. NICOLAAS THOLEN en JOHAN FREDERIK MAURITS HERBELL, door de gunst van 's lands Staten, _Friesland_ een _Groot Plakkaat- en Charterboek_ te bezorgen, van uitstekende waarde en duurzaam belang.
_Letterkundigen._