Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 32
Sedert LUTHER in 1517 openlijk den kamp waagde tegen _Rome_ en de misbruiken der Kerk, vonden zijn moed en gevoelens in ons vaderland spoedig weerklank. Bijzonder was dit het geval in _Friesland_, volgens de berigten van zijn tijdgenoot PETER VAN THABOR op het jaar 1524[313]. »Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen tegen den Paus en de regenten der Kerk, alsmede tegen de Kloosters en velerlei menschelijke inzettingen en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk beroerd, en waren er te _Amsterdam_ vooral groote ongeregeldheden voorgevallen. Hoewel er in _Friesland_ daarover toen nog niet zulke twisten bestonden, waren er nogtans vele priesters en geleerde lieden, die LUTHER bijvielen, en zelfs twee priesters van het klooster _Aanjum_ naar hem toegeloopen." Reeds vroeger, onder de Saksische regering, hadden verscheidene Friezen de Saksische Hoogeschool te _Wittenberg_ bezocht, en van 1522 tot 1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens eene daarvan bestaande breede lijst[314]. Vermits LUTHER eerst in 1546 overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen in _Friesland_ denkbeelden en gevoelens terugbragten, welke den voortgang en de uitbreiding van de zaak der hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook, dat in al de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegen de ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier afgekondigd, LUTHER en zijne dolingen wel het meest worden veroordeeld en de verspreiding van zijne schriften en gevoelens verboden[315].
[313] _Kronijk_, in het _Archief_ van VISSER en AMERSFOORDT, II 427.
[314] Bij SCHULTZ JACOBI, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560 is gedrukt.
[315] Zie deze plakkaten in het _Charterboek_, II 107, 194, 415, 514, 563, 594, 626, 633 env.
En evenwel, hoe groot die invloed van LUTHER in _Friesland_ ook geweest is, om eene verandering van geloof, gemoed en leven te weeg te brengen, is er volstrekt geen blijk, dat er in de 16e eeuw hier eene, naar hem genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk de Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd geweest. Later toch waren de plakkaten meer gerigt tegen MENNO SIMONS en de hervormings-gezinden in het algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden en de aanneming van de bijzondere begrippen van ZWINGLI en daarna van KALVIJN bij de Hervormden schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat de Lutherschen zich hier niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd hebben. Sommigen hunner begaven zich naar _Oost-Friesland_, anderen vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581 met de Hervormden, zoodat het getal dergenen, die de leerstellingen van LUTHER bleven aankleven, gering zal geweest zijn.
In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede. Onderscheidene personen uit den vreemde zetten zich hier neder, of kwamen in het gevolg der Friesche Stadhouders of met Duitsche benden herwaarts over. Ook aan de Akademie te _Franeker_ bevonden zich veelal verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het getal dezer laatste, uit _Duitschland_, _Zweden_, _Denemarken_ enz. 31 bedroeg, deden zij eene eerste poging, om in _Friesland_ eene Luthersche Kerk op te rigten. Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan Gedeputeerde Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten daartegen zoo vele bezwaren in; zij vreesden van eene toegeeflijkheid in dezen zóó ernstige gevolgen voor de Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden, genoemd verzoek van de hand te moeten wijzen[316]. Evenmin slaagde zeker zwervend predikant, JOHANNES DURÆUS, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten.
[316] Uit de Akademische akten medegedeeld door D^o. LORGION, _de Hervormde Kerk_, 118.
Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in stilte vergaderingen zoowel te _Leeuwarden_ als te _Harlingen_, welke oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht der Hervormde predikanten werd daardoor echter opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij Gedeputeerde Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid bewogen, omdat de Lutherschen, na in dat jaar van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te hebben, om te _Leeuwarden_ eene kerk te bouwen, een predikant uit _Amsterdam_ hadden ontvangen, die zoowel hier als te _Harlingen_ al te openbaar predikte. Gedeputeerden, gelijk ook de Magistraat, waren eerst wel genegen tot toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats hoe langer hoe vrijer werden, drongen de klagten en beschuldigingen van den Hervormden Kerkeraad zóó sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het bevel te geven, dat de predikant binnen drie dagen moest vertrekken en dat de vergaderingen belet of verstrooid zouden worden.
Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering van dit besluit nog langer dan drie maanden uit te stellen, was men verpligt te gehoorzamen en zich te onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672 kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar de Staten aan de Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening toestonden, werd de hoop der Lutherschen verlevendigd, dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf staand huis in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was echter zeer bouwvallig, en toen nu een rijk lid der gemeente, Jhr. ANDREAS MÖLLER, aanbood, om op die plaats voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken, waagde men het in Junij 1680 met den opbouw daarvan te beginnen. Doch met deze stoute daad was men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van den Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde af te breken, hetgeen, in weerwil van herhaalde en dringende verzoeken, geschiedde.
Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het uiterste te wagen en van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening te verzoeken. Door medewerking van mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen vergaderen in een gewoon huis en in stilheid, zonder gebruik te maken van eene klok[317]. Onmiddelijk hierna ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe de gemeente, die toen ongeveer 3 à 400 zielen telde, gaarne de overige kosten droeg. In 1692 werd daar naast eene kosterswoning en in 1697 eene pastorie in de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773 vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver en invloed des welsprekenden leeraars AUGUSTUS STERK, onder wien de gemeente tot 6 à 700 zielen was aangegroeid. In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie gebouwd.
[317] Zie dit besluit in het _Charterb._ V 1194 en bij SCHUTTE, 189; alsmede _Reg. Staats-res._ 447; YPEIJ en DERMOUT, I Aant. bl. 153.
* * * * *
Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de overige Luthersche gemeenten in _Friesland_ bekend zijn. De gemeente te _Harlingen_, te gelijker tijd met die van _Leeuwarden_ ontstaan, had in den beginne gemeenschappelijk met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen zij een eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal harer leden reeds ongeveer 150. Even als in andere handelsteden nam dit getal van lieverlede in de 18e eeuw toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit kerkgenootschap en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd hebben, gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er te _Harlingen_ twee gemeenten ontstonden, waarvan de eerste den naam van de _Evangelisch Luthersche_ bleef dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde, den naam van _Herstelde_ daar vóór voegde.
Ook te _Balk_ is eene kleine gemeente geweest, gelijk mede op _Ameland_, welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente twee of driemalen 's jaars bezocht werd door den predikant van _Leeuwarden_, die dan in de Hervormde kerk te _Ballum_ doop en avondmaal bediende. Evenzoo werd _Workum_ een filiaal-gemeente van _Harlingen_. Te _Sneek_, _Franeker_, _Dokkum_, _Makkum_, _Dragten_, _Joure_, _het Bildt_ en elders bevonden zich later nog een grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest van broederlijke eensgezindheid tusschen de Protestantsche kerkgenootschappen in deze provincie heeft thans gelukkig eene onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding tot vroegere afzondering grootendeels heeft doen verdwijnen. Het getal Evangelisch Lutherschen in _Friesland_ is thans, in 1851, echter niet grooter dan 700, en dat der Herstelde van 126.
_De Roomsch Katholijken._
De aanneming van de zaak der hervorming in _Friesland_ was bij de omwenteling van 1580 zóó algemeen, dat er slechts weinige ingezetenen waren, die uit gehechtheid of overtuiging de oude Katholijke eeredienst bleven toegedaan, terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot den jare 1593 verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo »in eenen geheel verlatenen toestand; naauwelijks bevond zich hier een Priester, en die er waren, hielden zich uit vrees schuil." Dit verklaart althans Pater WILLEBRORDUS VAN DER HEIJDEN, die een verhaal heeft geschreven van de pogingen, welke de zendelingen der _Jezuiten_ van 1593 tot 1638 in _Friesland_ hebben aangewend, om de Roomsche eeredienst, welke bij de staatsomwenteling was te niet gegaan, zoo veel mogelijk weder op te beuren en te herstellen, waartoe hij zelf gedurende elf jaren ijverig medewerkte[318]. Wij noemen dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde dit bekende feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de latere Katholijken in dit gewest niet de Katholijken waren van vóór 1580, maar of vreemden of latere afvalligen van de eens aangenomene hervorming.
[318] _Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland_ is de titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de Heeren AMERSFOORDT en EVERTSZ is uitgegeven, met vele belangrijke aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.
De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene zendelingen der Jezuiten lieten geene pogingen onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige landlieden en zwakke burgers òf op nieuw in het oude geloof der Kerk te bevestigen, òf voor hunne zaak te winnen. Vermits niet alle Hervormde gemeenten in den eersten tijd met geschikte predikanten konden voorzien worden, en de overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk zeer gunstig. Reeds in 1606 vestigde zich te _Leeuwarden_ een wereldlijk priester, LAMBERTUS ENGELBERTS LAMBRINGA, die in 1609 door SASBOUT VOSMAER, zich noemende opvolger van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken en Aartsdiaken van _Leeuwarden_ werd aangesteld. De meeste zorg, veel vernuft en groote welsprekendheid wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te planten. Een hunner, CARBONELLI, had wel 600 zielen voor hunne zaak gewonnen. In 1636, toen VAN DER HEIJDEN wel acht priesters tot medehelpers had, aan wie verschillende grietenijen tot werkkring waren aangewezen, had hij alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen te _Leeuwarden_ van hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden er op, dat elk jaar hun ongeveer 800 zielen aanbragt.
Met ongemeenen moed weêrstonden of ontweken zij dikwijls het gevaar, dat hen bestendig bedreigde en herhaalde malen trof, van verstrooid, verjaagd, gevangen genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene als de Provinciale Staten hadden in en na den jare 1580 strenge plakkaten doen uitgaan tegen de priesters en de pauselijke ceremoniën, bijeenkomsten enz. Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de bevelen aan de plaatselijke besturen scherper en de boeten op de overtreding hooger gesteld. Zelfs had hij, aan wiens huis zulk eene verbodene godsdienst-oefening plaats had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd. Nadat, volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten, _Leeuwarden_ aan WILLEM WARIGHEM, _Zwolle_, _Groningen_ en _Sneek_ aan ARNOLD CATHUIS en _Harlingen_ aan GERARDUS CARBONELLI waren ten deel gevallen, breidden zij vooral over deze steden en omstreken hunne zorgen uit. Toen er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een »papist" te _Harlingen_ tot onder de Hervormde kerk mijnen waren gegraven, om deze laatste met buskruid te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op aanklagt der classis van _Franeker_, dat huis onverwachts door 35 soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast een aantal brieven en andere stukken van den priester WARIGHEM werd gevonden. De Staten achtten deze stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk gemeen te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch geschiedde, opdat men zou kunnen zien »met wat practijken ende hoe groote neersticheyt de Jesuyten hare _negotiatie_ (so sij 't noemen) dryven, en hoe sy de Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche heerschappye tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke soecken voort te planten"[319].
[319] _Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatio_ is de latijnsche, en _Der Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl._ de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke Bibliotheek van _Leeuwarden_ bewaarde geschrift, dat den Heeren AMERSFOORDT en EVERTSZ zelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en 250 melding maken naar eene schets, welke SCHELTEMA daarvan gaf in KIST en ROYAARDS, _Archief_, III 399.
In weerwil der hier na toegenomene vervolging en ondanks het staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters bevolen werd, binnen zes dagen uit deze provincie te vertrekken, bleven zij voortgaan, »om met groote cloeckheyt alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen zielen te winnen met Godts gratie." En inderdaad, als wij lezen hoe dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar bloot stelden; welk een moed zij voor hunne zaak aan den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam waren, om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,--en als wij daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen de Hervormde predikanten destijds ingebragt, zoodat de klassis van _Franeker_ het in 1662 noodig vond hen te bevelen, »tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in den H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisatiën te houden, en dat het prediken niet in bloten sleur, en door alweder en weder dat selfde ten voorschijn te brengen en alsoo alleen om de uur te krijgen, werde verrigt"[320]--dan is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der Jezuiten en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren, dat de Katholijken van lieverlede in getal en krachten toenamen. Hoezeer het de Synode ook ergerde en hoe dikwijls zij ook klaagde over de »paepsche stoutigheden, het plegen van pausselyke ceremonien en het houden van conventiculen," waartegen de Staten tot aan 1686 bestendig de plakkaten vernieuwden,--zij moest toezien, dat de Katholijken hoe langer hoe onbeschroomder hunne godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste steden en in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen. Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden Kerkeraad van _Leeuwarden_ zoodanig, dat op zijn verzoek, »om de paepsche afgoderij te weeren", de Magistraat al de altaar-sieraden uit het huis van Dr. VAN CAMPEN liet wegnemen en het zilverwerk in de Munt versmelten; terwijl de eigenaar van dat huis eene boete van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef voortgaan met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten in deze stad de berigten van de vervolgingen, welke de Fransche Hervormden, ten gevolge der herroeping van het edikt van _Nantes_, hadden te verduren: zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der Roomschen door het gemeen werden aangevallen, verstoord en geplunderd, waarbij altaren, schilderijen, beelden en versiersels op de straat geworpen en openlijk verbrand werden[321].
[320] LORGION, Bijlagen tot _de Ned. Herv. Kerk_, 340.
[321] Zie SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, 1687, III 95.
Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen of verhinderingen meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten bleven strengelijk geweerd, en werden de plakkaten tegen deze nog in 1708 vernieuwd[322]. Het groot getal vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en de Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid van het Landsbestuur schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat men de godsdienstige bijeenkomsten van deze rustige burgers voortaan bij oogluiking toeliet. Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van openbare bedieningen bleven zij echter buitengesloten. »Zij werden," gelijk de geleerde HUBER zegt, »meest door de wetten ingetoomt, omdat sy, vóór desen Meesters geweest zijnde en ziende hare partije de machtigste in _Europa_, ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht aen den _Paus_ en daer op stout, voor gevaarlijk aen den Staet worden gehouden"[323].
[322] Zie al de Staatsbesluiten vermeld op het _Register_, bl. 352, 605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in het _Charterboek_; alsmede meerdere bijzonderheden in mijne _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 171, 197.
[323] _Heedendaegse Rechts-geleertheyt_, _Leeuw._ 1699, I 25.
Eerst nadat de edele Paus CLEMENS XIV (GANGANELLI) de orde der Jezuiten had afgeschaft, betoonden de Friesche Staten zich rekkelijker jegens de Katholijken. Bij plakkaat van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat het der R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou zijn, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur, alléén wereldlijke Priesters en Kapelanen aan te stellen, die beloven moesten, geene stellingen te zullen leeren, welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat zij geregtigd zouden zijn, op naam en ten behoeve van kerken, geestelijken en armen, vaste goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Bovendien werd bepaald, dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen van iedere gemeente naauwkeurige lijsten zouden opmaken en bij de plaatselijke besturen inleveren, om het verduisteren van die goederen te voorkomen[324].
[324] Zie _Verzameling van Placaten_, IV 367, 372.
Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer gevestigd bestaan en nam het getal van deszelfs statiën toe, zoodat dit eerlang tot ruim dertig steeg, waaronder eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke Cleregie te _Leeuwarden_, welke echter in 1805 is te niet gegaan wegens verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling van 1795 verkregen de Katholijken volkomene gelijkheid van regten met andere gezindten, dewijl de provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_, bij besluit van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde vrijheid van geweten en de ongestoorde uitoefening van ieders godsdienst te zullen handhaven[325]; een besluit, dat den 5 Augustus 1796 door de Nationale Vergadering werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding van Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798, omtrent den eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heerschende Kerk schikkingen tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren voorgeschreven, bleek het in deze provincie, en bijzonder in de talrijkste gemeente _Leeuwarden_, welk een geest van onderlinge welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene gezindten bezielde, en hoe deze, met eerbiediging van ieders regten, belangrijke bezwaren kon opheffen[326]. Mogt die geest, ook in andere tijden en omstandigheden, duurzaam blijven bestaan, en mogten de uiteenloopende kerkgenootschappen allen wedijveren in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer bloeijen en waardige burgers kweeken voor dit en het toekomstige vaderland.
[325] Aldaar, I 24.
[326] Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap van _Friesland_ thans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31 statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, te _Sneek_ wonende, aan het hoofd.
_De Joden._
't Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis, dat in het zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten, die in ondergeschikte punten van geloof van de heerschende Kerk verschilden, uit den lande gebannen werden,--de allengs van elders overgekomen Joden of Israëliten, wier geloof lijnregt tegen dat der heerschende Kerk over stond, van de Staten van _Holland_ vrijheid van godsdienst-oefening verkregen. Zóó verdragen twistende bloedverwanten beter vreemden dan elkander.
Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd, toen een aantal uit _Portugal_ overgekomene Israëliten zich omstreeks 1595 te _Amsterdam_ vestigde[327]. De Hoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer bloeijende handelstad verspreidden deze zich eerlang in andere provinciën, en zetten in 1645 eenige gezinnen zich te _Leeuwarden_ neder. Zij werden door de Overheid stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek gronds tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van hun getal, gingen sommigen ook naar andere steden dezer provincie, waar de gelegenheid tot het drijven van kleinhandel hun het gunstigst voorkwam. Alleen de vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering, zoodat ze bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands plakkaat geweerd- en met vagabonden gelijk gesteld werden. In 1772 schreven de Staten ook het formulier voor, waarnaar »de Gerechten en Predikanten(?) verplicht waren, de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen"[328]. Nadat hun getal, dat in 1754 te _Leeuwarden_ 140 zielen bedroeg, in 1798 tot 433 zielen was toegenomen, lieten zij daar in 1805 eene nieuwe en groote Synagoge bouwen. Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig toe, dat de _Nederlandsche Israëliten_ in _Friesland_ thans een _Synagogaal Ressort_ uitmaken, met eene Hoofdsynagoge te _Leeuwarden_, door een Opper-Rabbijn bediend, benevens vijf Ring-synagogen, als: te _Gorredijk_, _Harlingen_, _Bolsward_, _Lemmer_ en _Sneek_, met twee bijkerken te _Noordwolde_ en _Hindeloopen_; terwijl hun getal op den 1 Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg.
[327] WAGENAAR, _Amsterdam_, II 220. Sedert is dit onderwerp herhaaldelijk en uitvoerig behandeld in VAN WIJN, _Huiszittend Leeven_, Amst. 1801; VAN HAMELSVELD, _Geschiedenis der Joden_, ald. 1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch Genootschap bekroonde verhandeling van den Heer H. J. KOENEN, 1843, wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.
[328] Zie _Reg. Staats-res._ 370, 598, 344, waar het plakkaat en formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 198.
40. _Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen._