Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 31

Chapter 313,498 wordsPublic domain

Het moge waar zijn, dat eenheid van belijdenis of de erkenning van slechts ééne Kerk als de Kerk van Staat in die dagen noodzakelijk kan geweest zijn,--wij moeten het tevens met lof en eere vermelden, dat de Friesche Hervormde Kerk, in de eerste achttien jaren harer vestiging, van dit haar uitsluitend regt een verstandig gebruik en geen misbruik heeft gemaakt; vermoedelijk, omdat zij toen nog meer doordrongen was van de oorspronkelijke beginselen, waarop de Nederlandsche Hervormde Kerk was gebouwd, en welke wij vroeger (bl. 342) hebben vermeld. In weerwil der genoemde, later tot wet gewordene, bepaling, is er geen spoor, dat de Doopsgezinden in dit gewest, die afgescheiden van de wereld wenschten te leven, gedurende die jaren door het Staats- of Kerkgezag zijn gehinderd geworden in de vrije uitoefening van hunne, in stilte gehoudene, godsdienst-oefeningen, welke bij oogluiking werden geduld. Staat en Kerk hebben hier toen het voorbeeld gegeven van eene edele verdraagzaamheid, welke men later meende, dat geene eigenschap van dien tijd of van eene heerschende Kerk kon zijn. Ja, Staat en Kerk gaven nog een merkwaardig blijk van naijver, gelijkstelling en onpartijdigheid, door in 1596 toe te staan, dat er in de Galileërkerk te _Leeuwarden_ een twistgesprek over de verschilpunten der leer tusschen den Hervormden predikant RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN CEULEN werd gehouden, waartoe van den 16 Augustus tot den 17 November niet minder dan 156 zittingen gebezigd werden, zonder tot eenig ander doel te leiden dan tot de openbaarmaking van beider denkbeelden en begrippen[305]. Bij die gelegenheid werd door PETER VAN CEULEN dankbaar erkend, »dat de loffelijke Overheid hen tot nog toe vrijheid van religie in alle goedigheid en beleefdheid vergund had, gelijk zij gaarne der Overheid wilden gehoorzamen in hetgeen zij verstonden niet strijdig te zijn tegen Gods heilig woord, hopende dat God haar in dat zelfde voornemen zou laten."

[305] Het merkwaardig _Protocol, dat is, de gantsche handelinge des ghesprecx_, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der regering van _Leeuwarden_ tegenwoordig waren, in den volgenden jare gedrukt, in 4^o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de Stedelijke Bibliotheek van _Leeuwarden_. Zie een uitvoerig verslag daarvan bij BLAUPOT TEN CATE, bl. 131-137.

Dan, wij hebben het vroeger reeds opgemerkt, dat de afwijking van de oorspronkelijke beginselen der Hervormde Kerk de oorzaak geweest is van hare latere verbastering en van vele rampen. Zij was mede de oorzaak, dat die goede geest van broederlijke verdraagzaamheid, welke haar tot dusverre had gekenmerkt, werd verdrongen door een geest van heerschzucht en bittere vervolgzucht. Sedert 1598 werden er bij de Synode en de Besturen pogingen gedaan, om de Doopsgezinden het vergaderen te beletten en het prediken te verbieden. GELDORP en BOGERMAN, predikanten te _Sneek_, gesterkt door de Overheid dier stad, verstoorden in 1600 werkelijk hunne bijeenkomsten, en gaven in den volgenden jare eene vertaling in het licht van BEZA'S boekje _over het Ketterstraffen_, waarbij zij verklaarden, dat men slechts ééne godsdienst in den Staat moest dulden, en dat het verschoonen van ketters vredehouden met den Satan was. Zulke onchristelijke, ja onmenschelijke denkbeelden, welke men vroeger onder de Spaansche inquisitie met zoo veel regt onduldbaar had geoordeeld, werden aldus met de streng Kalvinistische gevoelens uit den vreemde ingehaald en geënt op den jeugdigen, reeds zoo welig bloeijenden, boom der Nederlandsche vrijheid. En welke vruchten zulks droeg, dit bleek, helaas! eerlang op de Synode van _Dordrecht_, waar die zelfde BOGERMAN, als Voorzitter, die zelfde beginselen in het groot in toepassing bragt ten aanzien der Remonstranten. (Zie bl. 344 hier vóór.)

Gelukkig, dat BOGERMAN, die in 1608, als predikant te _Leeuwarden_, zoo zeer geijverd had tegen de Doopsgezinden, die beginselen ook niet op hen toepaste; en nog gelukkiger, dat juist de strijd tegen de Remonstranten de oorzaak werd, dat de Doopsgezinden sedert 1611 eenige verademing genoten en geene verstoring of vervolging hadden te lijden. De verdeeldheid in de Hervormde Kerk zelve had de aandacht afgeleid van hen, die bovendien zich hoe langer hoe meer in de toegenegenheid van regenten en medeburgers vestigden door hun ingetogen leven en de bevordering van handel en fabrijken, waardoor zij in welvaart en vermogen toenamen, en als goede burgers van den Staat lasten en schattingen gewillig droegen. Zij maakten van die rust en goede gezindheid gebruik, door op vele plaatsen nieuwe en grootere vermaningen of kerken te bouwen. Wel ondervonden zij daarbij nu en dan tegenstand van de plaatselijke besturen, doch niet vóór 1644 en bijzonder na 1651 wekte dit den naijver op van de Hervormde predikanten. Zij klaagden daarover op de Synode, en deze beklaagde zich bij de Staten over de »ongelimiteerde Mennonitische groote licentie," welke zij ingebonden wilde hebben. De Staten, die in 1659 toegestaan hadden, dat de Doopsgezinden met de verklaring van ja en neen, in plaats van een eed, zouden kunnen volstaan, bevolen daarop wel de Gedeputeerden in 1661, om de plakkaten omtrent de Wederdoopers (waarmede men nog altijd de rustige Doopsgezinden wilde verwarren) te vernieuwen; doch er is geen blijk, dat deze aan dit bevel hebben voldaan[306]. Hoe zeer ook gezind om de regtzinnige leer der Kerk te handhaven, dachten zij gunstiger over zoovele vreedzame burgers, die men bij voortduring wel oogluikend moest dulden, ook omdat men ze niet verdrijven kon zonder groote schade voor het algemeen belang; te meer, dewijl zij zulk een aanzienlijk gedeelte der bevolking dezer provincie uitmaakten, daar hun aantal in 1666 op ongeveer 20,000 zielen geschat werd, welke op 72 plaatsen gemeentelijke vereenigingen hadden.

[306] _Charterboek_, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der Gedeputeerde Staten en der Regering van _Leeuwarden_.

Integendeel, Gedeputeerde Staten ontzagen zulk een aanzienlijk ligchaam, welks goede zeden, vlijt en eerlijkheid in den handel hunne achting had verworven, en welks verzamelden rijkdom spoedig bleek den Staat van groot nut te kunnen zijn. Immers, toen bij het uitbreken van den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, de provincie tot uitrusting van oorlogsschepen en andere lasten groote sommen noodig had, en eene geldleening van 5 tonnen gouds te vergeefs beproefd werd, zochten zij de Doopsgezinden aan, die leening in twee termijnen tegen 5 ten honderd te voldoen, met aanbod, dat zij voor hun zelven bevrijd zouden blijven van het dragen van wapenen. Bereidwillig voldeden zij destijds aan dit verlangen, en op nieuw in 1672, toen de nood des vaderlands nog hooger was gestegen. Op verzoek der Staten schoten zij der provincie toen nog 400,000 Gld. tegen eene rente van 4 ten honderd voor, buiten de aanzienlijke bijdragen, welke zij persoonlijk tot de verdediging des lands veil hadden.

Zulke groote opofferingen bleven van de zijde der Staten niet onvergolden. Deze besloten den 28 Februarij 1672, den Doopsgezinden voortaan _vrijheid van religie_ toe te staan, terwijl zij voor hunne personen van de algemeene volkswapening vrijgesteld bleven. Dit voorregt, van uitstekend belang, werd dankbaar door hen ontvangen, en was voor den vervolge van grooten invloed op hun rustig bestaan en verdere ontwikkeling. Ook later, in 1677, gaven zij nogmaals gehoor aan het verzoek der Staten tot het sluiten eener leening van 132,943 Gld., zoodat zij alsnu in twaalf jaren tijds de provincie met een kapitaal van 1,032,943 Gld. bijstand hadden geboden[307].

[307] Zie _Charterboek_, V 747, 749, 814, 1122; _Register op Staats-resolutiën_, 179; TEN CATE, 176.

* * * * *

Mogten de Doopsgezinden zóó door den Staat beschermd worden, de Hervormde Kerk had tegen hen eene blijvende grieve, eensdeels, wegens hunne afwijking van de gevoelens, welke zij als de eenige ware meende te moeten handhaven, en anderdeels, wegens hunne veelvuldige onderlinge verdeeldheden. Daarin vond zij eene beschuldiging en een grond tevens, om de noodzakelijkheid van hare eigene eenheid des geloofs te verdedigen. Schoon de Doopsgezinden geene kenmerkende leerstellingen hadden aangenomen, maar, zich enkel aan de Heilige Schrift vasthoudende, aan ieder hunner leden vrijheid van denkwijze lieten, en zich bijzonder door hun ijver voor het christelijk _leven_ onderscheidden, bleef de eenheid van leer beter onder hen bewaard. De Hervormden, met wien zij in de eerste tijden, ook blijkens de eerste Geloofsbelijdenis van omstreeks 1550, meer overeenstemden, weken van lieverlede meer af; en door het aannemen der gevoelens van KALVIJN en van de leerstellingen der Dordsche Synode werd het verschil en de breuk tusschen beide kerkgenootschappen nog grooter. Legden de Hervormden er zich op toe, om bij de beschouwing van den weg der zaligheid alles alléén aan God toe te schrijven, terwijl de mensch in zijne geheele bedorvenheid daartoe niets _kon_ bijbrengen, en bij de genoegzaamheid der plaatsvervangende gehoorzaamheid van Christus ook niet behoefde;--de Doopsgezinden moesten afkeerig zijn van zulk eene voorstelling, in welke zij geene drangredenen tot eenen christelijken wandel konden vinden en die eigene werkzaamheid en spanning van zedelijke krachten onnoodig maakte. Vandaar, dat bij de eersten de beginselen van een lijdelijk Christendom en bij de laatsten van eene werkdadige Godsdienst meer werden ontwikkeld, tot een onderscheidend kenmerk van elke gezindte.

Maar juist der Doopsgezinden ijver voor het christelijk leven bragt hen op den weg van onderlinge verdeeldheid en scheuring. Dat de Gemeente in haren wandel heilig en onberispelijk moest zijn; dat de ban of uitsluiting onontbeerlijk was, om alle vlekken en rimpels uit haar te verwijderen, en dat men de gebannenen ook in het dagelijksch verkeer moest mijden,--daarin kwamen allen overeen. Doch hoe ver men den ban en de mijding moest uitstrekken, daarover ontstonden verdeeldheden. Hunne Oudsten, LEENERT BOUWENS en DIRK PHILIPS, met heiligen ernst bezield, ijverden voor strengheid; de zachte geest van MENNO SIMONS vermaande gedurig tot gematigdheid, totdat hij, eindelijk overreed en zelf met den ban bedreigd, uit vrees voor scheuring zich bij hen voegde. Toen nu de strenge partij door het gezag van MENNO de overhand had bekomen, scheidden de gematigden zich omstreeks 1555 af en vormden afzonderlijke gemeenten. In _Oost-Friesland_, werden deze eerst _Schedemakers_ en in deze provincie _Franekers_ geheeten, doch later algemeen _Waterlanders_ genoemd, welken naam zij ook eerst alleen in _Holland_ hadden gedragen, toen de anderen met dien van _Mennoniten_ werden onderscheiden. De Waterlanders leefden verder rustig en muntten uit door zuiverheid van zeden en onderlinge liefde. Onder de strenge banners ontstonden evenwel spoedig nieuwe oneenigheden: eerst naar aanleiding van vreemde zeden, door vlugtelingen, vooral uit _Vlaanderen_, aangebragt, welke in 1568 eene scheuring veroorzaakten, ten gevolge eener mislukte poging tot hereeniging in de vermaning te _Harlingen_. Daar de partij der Friezen, welligt uit zucht tot vrede, daarbij eene dubbelzinnige rol speelde, gaf dit aanleiding, dat de meeste gemeenten in dit gewest de tegenpartij in het gelijk stelden, en zich met haar vereenigden. Later ontstonden er nog vele kleine scheuringen, doch bleven er in _Friesland_ vooral drie hoofdpartijen bestaan: de _Waterlanders_, de _Friezen_ en de _Vlamingen_.

Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering maakte plaats voor vriendschap, en op den tijd van scheuring volgde in den loop der 17e eeuw een tijd van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten eerlang weder tot één bragt. De vroegere strengheid, bij welke de zorg voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke liefde uitdreef, week voor een milderen geest. Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden allengs meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en in aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk onderzoek van de Heilige Schrift deed hen aan bijzaken mindere waarde hechten. Zoo kwam er meerdere toenadering onderling en met andersdenkenden. Talrijke vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne zucht naar vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingen opgemaakt, welke tot grondslag van vereeniging strekten en hunne gevoelens te gelijk aan anderen meer bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning van hun bestaan en de lang begeerde vrijheid tot uitoefening van hunne godsdienst hadden verkregen?

Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting van de _Friesche Doopsgezinde Societeit_ in 1695. Deze bestond in eene verbindtenis van meest alle Doopsgezinde gemeenten, met het doel, om »liefde, vrede en eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen, dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders, die daarin de predikdienst waarnamen, door onderlinge bijdragen naar vermogen mogten worden ondersteund." Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor den welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap, en bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid en verbroedering, welke eerlang in den loop der 18e eeuw ten gevolge had, dat in die plaatsen, waar Friesche, Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten bestonden, vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk, alle partij- en sektengeest verbannende, één krachtig en zelfstandig kerkgenootschap in het leven riep, dat getrouw was gebleven aan het eenige fondament, dat gelegd kan worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne afzondering _in_ de wereld overgegaan.

Vóór dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige moeijelijke aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren, welk een geest van onverdraagzamen ijver de Hervormde predikanten onderling bezielde jegens hunne eigene broederen, als: BEKKER, VAN GIFFEN en de Franeker Hoogleeraren, toen deze den moed hadden eenige meerdere vrijzinnigheid aan den dag te leggen, dan verwondert het ons geenszins, dat zij weinig genoegen namen in der Staten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden, waardoor alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord waren. Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen hen en de verketterde Remonstranten, Collegianten, Labadisten en Hernhutters eene vriendschappelijke aanraking bestond: sekten toch, die men verdacht hield van besmet te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen, Kwakers en Dompelaars sedert 1662 bij plakkaat aan strenge vervolging waren blootgesteld; terwijl bij de vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden vermengden. Dien ten gevolge werd in 1687 een hunner leeraren op eene aanklagt gebannen en 1719 op nieuw. De bezorgdheid der Synode was zóó groot, dat zij in 1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat van alle Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou geëischt worden van een formulier tot erkentenis van het leerstuk der Drieëenheid, op straf van ontzetting en eene boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het leeraarambt bleven waarnemen. Stootend was het dezen voorzeker, dat een ander kerkgenootschap de vrijheid nam, hen voor te schrijven, wat zij hadden te gelooven omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het evangelie. Allen (op slechts één na) weigerden de onderteekening, en zoo bleven dan nu hunne vergaderplaatsen gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren daar tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg waren de gegrondheid daarvan te erkennen en de resolutie op te schorten, waardoor dit dreigende onheil werd afgewend.[308]

[308] _Charterb._ V 670, VI 130; TEN CATE, 148, 312, 313. De gevoelens van de Poolsche Godgeleerden LELIUS en FAUSTUS SOCINUS, in 1638 verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.

De beschuldiging van Sociniaansche gevoelens toegedaan te zijn, trof in 1738 drie leeraren van _Heerenveen_ en _de Knype_, waarvan twee van hunne bediening ontzet werden. De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich hierover wel bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig genoeg was geweest die handeling _inquisitie_ te noemen. Doch de geleerde JOANNES STINSTRA, leeraar te _Harlingen_, die in deze zaak den meesten ijver had betoond tot verdediging van het aangerande regt der Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop onder gelijke beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat zijne uitgegevene predikatiën _over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk_ met Sociniaansche denkbeelden besmet waren. Op de klagt der Synode aan Gedeputeerde Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen van _Friesland_ en alle theologische faculteiten in _Nederland_ het boek van STINSTRA zouden onderzoeken en hunne bevinding mededeelen. Deze was natuurlijk overeenkomstig de beschuldiging: want wie zou zich tegen het oordeel der Synode durven verzetten? Slechts één man had dien moed, die onpartijdigheid van onderzoek, die verachting van menschenvrees, waar het de belangen van waarheid en regt gold. De hoogleeraar VENEMA, reeds vroeger loffelijk door ons vermeld (bl. 355), die in verstand, geleerdheid en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde, niet één stellig bewijs van socinianerij in het boek te kunnen aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel, dat de verbolgenheid van velen tegen VENEMA opwekte, werd STINSTRA afgezet, en, ondanks de dringende verzoeken zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd; hoewel hij intusschen, op verzoek van verlichte edelen en staatsleden, tijdens den landsdag, dikwijls te _Leeuwarden_ kwam prediken, bij welke gelegenheid de voornaamste Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten, doch deze bescherming van de aanzienlijksten des lands schrikte hen af, verder iets tegen de Doopsgezinden te ondernemen[309]. Wij vermelden dit minder ter eere van STINSTRA, als wel om te bewijzen, dat er in het midden der 18e eeuw bij vele aanzienlijke Friezen niet alleen godsdienstzin bestond, maar ook eene zucht naar meer vrijzinnige en evangelische begrippen, en tot verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer binnen de zelfde enge grenzen wilde beperkt hebben. Het gezond verstand van hen, die men den bijnaam van _Toleranten_ had gegeven, begon zich te verzetten tegen de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten deze wilden handhaven, hoe sterker de tegenstand werd der voorstanders van den vooruitgang jegens de aanhangers van het behoud.

[309] Dit verhalen YPEIJ en DERMOUT, III 531 op grond van het _Historisch Verhaal omtrent Ds. de Cock_, 58, waar zelfs gezegd wordt, dat hij "het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens) onder zijn gehoor had." Zie ook LORGION, _de Herv. Kerk_, 241 en TEN CATE, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als in _Friesland_, veel geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.

De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne Kweekschool te _Amsterdam_ in 1735 meer wetenschappelijk gevormde leeraars ontvingen, die eene betere predikwijze en meer beschaafden spreek- en schrijftrant invoerden, en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen der werken van RICHARDSON, TILLOTSON, BLAIR enz. zich jegens de vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten, waren steeds vrienden van gematigden vooruitgang en bondgenooten van hen, die wilden, dat ook de Hervormde Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden van hunne begrippen omtrent het overheidsambt en het wapendragen, gaven zij aan- en ontvingen zij van de Hervormden menigvuldige blijken van verdraagzaamheid, toenadering en verbroedering. Hadden de twee Doopsgezinde instellingen: _Teijler's Godgeleerd en Tweede Genootschap_ (1779) en de _Maatschappij: tot nut van 't Algemeen_ (1785), de bevordering van de waarheid der christelijke godsdienst, de uitbreiding van de wetenschap en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten doel--met gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden geijverd om dat doel te bereiken, en daardoor de eer en bloei van beide instellingen bevorderd tot duurzaam heil des vaderlands[310]. Ook de Friesche Doopsgezinden hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en zullen de geschriften van STINSTRA, NIEUWENHUIS, DE VRIES, OOSTERBAAN, STIJL, KOOPMANS, HANEKUIK, HOEKSTRA, BROUWER, WIELING en anderen bestendig getuigen van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als voor wetenschap en volksgeluk. De verzachting van begrippen en toenadering van de Protestanten onderling mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen vallen, die toenadering moest echter ten gevolge hebben eene verminderde getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap.

[310] Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof. SIEGENBEEK, _over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis, handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze, in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt_, geplaatst in het 6e dl. van KIST en ROYAARDS, _Archief_, Leiden 1835, 203.

Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden, op verren afstand van eene gemeente wonende, geene zwarigheid maakten tot de Hervormde Kerk over te gaan.[311] Zeker hadden de staatkundige omstandigheden en de offers, welke de omwenteling van 1795 eischte, daarop een merkbaren invloed: want verlies van fondsen en daardoor van de gelegenheid om wetenschappelijk gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben vele kleine gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten gevolge van dat alles daalde het getal gemeenten toen tot 42 en dat der zielen tot ruim 12,000, hoewel het laatste getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen. Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene gelijkstelling met andere gezindten en onbeperkte vrijheid van godsdienstige begrippen. Sedert dien tijd hebben geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust, maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan de grondslagen hunner evangelische belijdenis, zijn zij toegenomen in innerlijke kracht en in uitwendig aanzien, deelende in de zelfde voorregten, welke de met haar verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen genieten, bij gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling en volmaking van christelijke beginselen, tot vorming van waardige burgers voor den Staat en bovenal voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst.

[311] Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft D^o. BLAUPOT TEN CATE een afzonderlijk werkje geschreven, getiteld: _Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden_, Amst. 1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk van D^o. J. H. HALBERTSMA, _de Doopsgezinden en hunne herkomst_, Dev. 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er in _Friesland_ wel 27 gemeenten te niet gegaan.

_De Lutherschen_[312].

[312] Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de Eerw. Heeren SCHULTZ JACOBI en SCHUTTE, in _Aant._ 19 breeder vermeld. Zie ook bl. 164 hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijne _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 118.