Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 30

Chapter 303,347 wordsPublic domain

Ziedaar eene schildering van den veranderden toestand der Kerk ten gevolge der Dordsche Synode, die een bedroevenden ~teruggang~ in het kerkelijk en geestelijk leven veroorzaakte, dewijl zij bij den een een blind formulier-geloof en bij den ander de zaden van dweepzucht en verbittering jegens andersdenkenden aankweekte. Eenheid van geloofsbegrip mogt wenschelijk zijn, als men elkanders opvattingen van het Evangelie in de zelfde Kerk niet broederlijk kon verdragen--wreede uitsluiting en verbanning uit den lande bij verschil van gevoelen over het inzigt van de waarheid was onchristelijk; terwijl men, ook bij het bezit van die eenheid, voortging met twisten en haarkloven, en zich verre van vrede- en liefdegezind betoonde. Hoe vele honderden twistschriften uit de beide vorige eeuwen bewijzen dit niet! En in hoe weinige stichtelijke boeken van dien tijd, die door het volk zoo véél werden gelezen, is gezond verstand en goeden smaak, zelfs in de titels en opschriften, te vinden[293]! Waarlijk, wij kunnen ons niet genoeg over dien teruggang in de godsdienst verbazen, als wij daarbij den gelijktijdigen grooten vooruitgang van wetenschappen en kunsten, in het bloeijendste tijdperk der Nederlandsche letterkunde, vergelijken. Doch 't was toen een even vreemd verschijnsel als hetgeen wij thans, in het midden der 19e eeuw, moeten beleven, dat deze zelfde leerstellige denkbeelden, welke men meende dat reeds lang voor het licht van godsdienstige en letterkundige beschaving geweken waren, op nieuw bij velen bijval vinden en verkondigd en verspreid worden. Doch de geschiedenis heeft reeds geoordeeld, en aangetoond, hoe, onder de leiding Gods, de dwaasheden der menschen en alle pogingen tot terugwerking moeten dienen, om het rijk van waarheid, verlichting en deugd eens des te grootere zege te doen behalen tot Zijne eer.

[293] Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve: _Samsons Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maecken_ enz. In XLIII _leer en troost-rijcke Prædicatiën_. door THEOD. COUPERUM, Præd. te _Warga._ Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.

Die nieuwe rigting der Kerk was te meer bedroevend, omdat zij der godsdienst hare kracht en invloed benam op de zeden en op de zedelijke vorming en verstandelijke beschaving des volks. Het denkbeeld, dat God een Vader is, die al zijne kinderen in Christus door liefde tot gehoorzaamheid aan Zijn wil, en door reinheid van gemoed en wandel tot Zich wil trekken, ging toch verloren in de voorstelling van een trotschen Monarch, die zijne afgevallene onderdanen naar loutere willekeur verstoot of bevoorregt; eene leer, die den mensch evenzeer van God en zijn pligt moet verwijderen, als de eerste hem bestendig tot toenadering en vereeniging met den Vader noopt. Want onze gelijkvormigheid aan God en verhevenheid boven de gansche dierlijke schepping, een der sterkste beweeggronden, om uit Christelijke beginselen goddelijk te handelen met de gaven door den Heer ons verleend, werd miskend en als een dwaalleer ten toon gesteld en verbannen.

Is het dus vreemd, dat wij in zoo vele godgeleerde schriften van dien tijd de ijsselijkste schilderingen aantreffen van het zedebederf, ja van den zedeloozen toestand der natie?[294] Dat buitengewone rampen immer werden gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheden des volks? Dat ook anderen vele klagten aanhieven over de maatschappelijke gebreken en heerschende ondeugden? Leveren de plakkaatboeken van 's lands regering niet de bewijzen, hoe treurig het toenmaals gesteld was met de openbare veiligheid, en van de verregaande kwaadwilligheid, boosheid en ruwheid van zeden, welke men te vergeefs door ordonnantiën en verbodsbepalingen trachtte te bedwingen of te doen afnemen?[295]. En de meeste dezer plakkaten werden uitgevaardigd op klagten van de Synode of van de predikanten, die wel konden klagen en aanwijzen, doch die zóó weinig deden voor de godsdienstige opleiding en vorming van hunne gemeente-leden, dat zij op de dorpen slechts eenmaal op den dag des Heeren predikten en geheel geene catechisatiën hielden, zoodat het kerkelijk godsdienstig onderwijs van de jeugd, waarin de kracht, het heil en de hoop der gemeenten is gelegen, jammerlijk verwaarloosd werd[296]. Vandaar ook die vijandschap, haat en vervolging, waarmede velen den beroemden BALTHASAR BEKKER bejegenden, toen deze, als predikant te _Oosterlittens_, omstreeks 1662 begon, des Zondags ook 's namiddags te prediken en cathechisatiën te houden, waartoe hij weldra onderscheidene leerboekjes trachtte uit te geven. De smaad en veelvuldige onaangenaamheden dezen verlichten en edelen man daarover en over zijne wijsgeerige denkbeelden in _Friesland_ aangedaan, waren evenzeer een bewijs van den bekrompenen en onverdraagzamen geest zijner tijdgenooten, als het besluit der Staten van 1682, om het »inkruipen van schadelijke nieuwigheden, libertinisterij en ketterij" te weren en de verdeeldheden onder de godgeleerden te bedwingen door het verbod, om in eenerlei opzigt af te wijken van de formulieren van eenigheid en den Heidelbergschen Catechismus[297]. Zóó betoonde men zich steeds afkeerig van eenige verandering, uitbreiding of verheldering van de geloofsbegrippen, welke zich immer in den zelfden beperkten kring moesten blijven bewegen. Doch BEKKER, hoe zéér den vrede beminnende, bleef voor de waarheid, naar zijne opvatting, ijveren. In 1679 te _Amsterdam_ beroepen, mogt hij van zijne wakkere poging, om het volksgeloof omtrent de kometen, als voorboden van rampen en oordeelen, te bestrijden (1683), evenveel eer en eene roemrijke overwinning op de heerschende dwaalbegrippen behalen, als toen hij in 1691 door zijn beroemd boek, _de Betoverde Weereld_ (in bijna alle talen van _Europa_ overgebragt), het gezag van den vorst der duisternis aanviel, het mensch-onteerend bijgeloof aan duivelarij en tooverij in den hartader aantastte, en veler oogen voor het licht der waarheid opende, in weerwil der hevige vervolgingen en beroeringen door een aantal predikanten tegen hem verwekt. Nooit echter zal het nageslacht ophouden, hem, tegenover zijne eeuw, als een held te vereeren en wegens zijne deugden en verdiensten als een weldoener te zegenen[298].

[294] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.

[295] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.

[296] Zie mede _Aanteek. 26_.

[297] _Charterboek_, V 972, 1203.

[298] Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij vereerden BEKKER. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do. DIEST LORGION, _B. Bekker in Franeker_ en _in Amsterdam_, Gron. 1848 en 51, 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.

* * * * *

Dan het was »de mode van dien tijt, dat de een den ander om het minste verschil in gedachten, al was 't van saacken, die self de Godgeleertheyt niet en raackten, voor een ketter afmaalde, en om de rolle ten vollen uyt te spelen, aanklaagde aan _Classen_, _Synoden_, en _Politijke_ vergaderingen, daarse meenden, dat haare autoriteyt iets soude konnen gelden"[299]. Vandaar, dat de geestelijkheid bestendig veel beweging maakte door haren onverdraagzamen ijver tegen de bij oogluiking gedulde vergaderingen van de Doopsgezinden, Lutherschen en Roomschen, ja zelfs tegen de vestiging eener Waalsche Gemeente te _Leeuwarden_ (1657), en daarna niet minder tegen de dweepende sekte der Labadisten, die zich in 1675, na den dood van JEAN DE LABADIE, met den leeraar YVON aan het hoofd, op _Thetinga-state_ te _Wieuwerd_ vestigde en hare gemeenschap dáár ongeveer vijftig jaren lang wist staande te houden. Op hare vroegere omzwervingen zoowel als hier sloten verschillende aanzienlijke en geleerde personen, waaronder de beroemde ANNA MARIA VAN SCHURMAN, de Jonkvrouwen VAN SOMMELSDIJK, de verloskundige HENDRIK VAN DEVENTER enz. zich bij deze sekte aan, ten einde, afgescheiden van de bedorvene wereld, te voldoen aan hunne behoefte, om bij de leer een christelijk leven te voegen[300]. Hare denkbeelden hadden zelfs invloed op vele hervormden, waaronder vooral WILHELMUS à BRAKEL, die, in zijne zoo veel gelezene _Redelijke Godsdienst_, aandrong op meer gemoedelijke godsvrucht; ofschoon dat opgewekt godsdienstig leven, verkeerd gerigt, bij velen leidde tot dweeperij, welke hier steeds een vruchtbaren akker vond.

[299] Dus oordeelde de beroemde CAMPEGIUS VITRINGA in de voorrede van zijn boek _over den Tempel van Ezechiel_, Fran. 1687.

[300] Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do. H. VAN BERKUM, _de Labadie en de Labadisten_, Sneek 1851, 2 dln.

Nog meer werd de Kerk verontrust, toen de resultaten van de ijverig beoefende wetenschap van lieverlede in het leven traden en sommige leerstukken aan het wankelen schenen te brengen. De stellingen der wijsbegeerte van DES CARTES en de nieuwe denkbeelden van den geleerden COCCEJUS, eerst hoogleeraar te _Franeker_ en daarna te _Leiden_, vonden bijval en werden aan Frieslands Hoogeschool door mannen als JOANNES VAN DER WAEYEN, CAMPEGIUS VITRINGA en HERM. ALEX. ROËLL beschermd en verdedigd. Dewijl deze hunne leer niet wilden onderwerpen aan het oordeel of de veroordeeling der kerkelijken, die zich daartegen hevig verzetten, waren bittere twisten daarvan het gevolg. De meer verlichte denkbeelden van DAVID FLUD VAN GIFFEN, predikant te _Nieuw-Brongerga_, vonden nogtans bij het Stadhouderlijk gezin op het _Oranjewoud_ bescherming; terwijl Gedeputeerde Staten dikwijls hun gezag gebruikten, om de vervolgingen te staken en der Synode het zwijgen op te leggen. De aanhangers van VOETIUS en andere voorvechters van de oude waarheid hielden echter vol, het regt der kerk te doen gelden, zoodat eerlang eene scheuring in twee partijen, _Coccejanen_ en _Voetianen_ genoemd, onvermijdelijk was. Ondanks dien tegenstand was er vooruitgang, en bragten die twisten veel toe, om de bestredene godgeleerde stellingen naauwkeuriger te onderzoeken, en de grondslagen te leggen tot meer evangelische kennis en verlichte denkbeelden. Doch lang zou het duren, eer men zich aan het eens opgelegde juk zou kunnen ontworstelen.

* * * * *

Ja, nog langer dan honderd jaren zou het duren, eer de stralen van een beter licht konden doorbreken. Zóó vast en sterk waren eens de kluisters van den vrijen geest gesmeed, dat wij in bijna de gansche 18e eeuw de Hervormde Kerk in den zelfden gebonden toestand zien verkeeren van slaafsche onderwerping aan de Dordsche leer en gehechtheid aan de formulieren van eenigheid, wier gezag in 1729, na hevige oneenigheden, nog meer verbindend werd gemaakt. Zulke oneenigheden en onbeduidende twisten over allerlei nietigheden maakten in de hoofdzaak de geschiedenis uit der Kerk in deze eeuw; met deze uitzondering: dat zij zich ook vergreep aan de geloofsbegrippen van eene andere, door de Staatsmagt toegelatene, kerkgemeenschap. Sedert de Doopsgezinden in 1672 vrijheid van godsdienstoefening hadden bekomen, werden zij als stille burgers ongemoeid gelaten. Doch in 1722 werd hunne vrijheid van geloofsbegrippen door de Hervormde Synode, uit vrees dat zij Sociniaansche stellingen zouden voorstaan, aangerand, door hunne 150 leeraars te dwingen tot onderteekening van eene verklaring omtrent de Drieëenheid, een leerstuk, niet door den Heer verkondigd, maar door Godgeleerden ontworpen. Gelukkig, dat hunne verdediging door Gedeputeerde Staten aangenomen- en de inquisitie der Synode toen tegengegaan werd. Zulk eene poging, om heerschappij te voeren over het geloof van anderen, werd in 1738 herhaald, en had de afzetting van twee Doopsgezinde leeraren van _de Knijpe_ en _Heerenveen_ ten gevolge. Nog meer gerucht maakte kort daarop de klagt der kerkelijken, dat in de leerredenen van JOANNES STINSTRA, Doopsgezind leeraar te _Harlingen_, over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk, Sociniaansche gevoelens zouden verkondigd zijn. Alle Hervormde classen in _Friesland_ en alle theologische faculteiten in _Nederland_ werden door Gedeputeerde Staten uitgenoodigd dit boek te beoordeelen. Natuurlijk was aller oordeel in den geest der beschuldiging. Slechts één man had den moed zich tegen de meening van die allen te verzetten, en aan te toonen, dat die beschuldiging ongegrond was. Het was de groote HERMAN VENEMA, hoogleeraar in de godgeleerdheid te _Franeker_, die, op het voetspoor der verlichte VITRINGA'S, vader en zoon, eene verbeterde predikwijze had voorgesteld; die vrije en heldere begrippen omtrent de godsdienst verkondigde, en die gedurende de vier-en-zestig jaren, dat hij een sieraad was van Frieslands Hoogeschool, bovendien door zijne geleerdheid, christelijke braafheid en verdraagzaamheid zóó hoog geacht was, dat zelfs zijne tegenstanders hem niet durfden aanranden. Hoe gematigd en verstandig dat advies van VENEMA ook ware, hij alléén was niet tegen de bevooroordeelde en twistzieke geestelijkheid bestand:--STINSTRA werd van het leeraarambt ontzet en eerst 15 jaren later hersteld. Doch de smet door dit gedrag op de Hervormde Kerk geworpen, ook door vele tijdgenooten veroordeeld, werd alleen opgewogen door de moedige en edele poging van VENEMA, die, door den tijd tevens geregtvaardigd, gelukkig tegen dreigende vervolgingen bescherming en steun vond in den voortreffelijken Prins WILLEM IV en diens verlichten vriend EPO SJUCK VAN BURMANIA. Deze edelman, lang lid van Gedeputeerde Staten, had later zelfs den moed VENEMA openlijk te prijzen, doch tevens te voorspellen, dat zijne verlichte gevoelens weinig ingang zouden vinden bij zijne tijdgenooten: »want," zeide hij, »de tijd is 'er niet na geschikt, om de Menschen de oude wijfs grollen uit het hoofd te praaten. Gij hoopt doch vrucht'loos, dat de Rede eens zal verwinnen."[301]

[301] Zie BLAUPOT TEN CATE, _Doopsgez. in Friesland_, 208, 351; LORGION, _de Herv. Kerk_, 240; YPEIJ en DERMOUT, III 455. Het stuk van BURMANIA aan VENEMA, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld: _Gelofte aan Vulcaan_, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam van _Toleranten_ hadden ontvangen. Zoo zegt hij in 't begin:

Zo vloek ik 't laffe werk, de kwaad' aantekeningen Van 't gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringen Van een Systema, daar hun Weetenschap op rust, Beperken, wars van moeite en noeste letterlust. Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.-- Gij waart het, schrand're man, die 't eerst U onderwond Om van het oude pad, dog met beschroomde schreeden, In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.

Niettegenstaande de heerschappij en de verdeeldheden der godgeleerden nog lang bleven voortduren en de gehechtheid aan de kerkelijke leerstellingen onveranderlijk scheen te zijn, zou de tijd toch eenmaal aanbreken, dat die leerbegrippen verdrongen zouden worden en vervangen door christelijke denkbeelden en evangelische gezindheden. Het heerschzuchtig gedrag van den Leeuwarder predikant BLOM jegens den Magistraat dier stad in 1763 en de hooggaande twisten daaruit, gelijk twee jaren later uit het houden van eene leerrede over de Christelijke Liefde door G. T. DE COCK verwekt, welke door het staatsgezag werden geëindigd, terwijl gelijktijdig VOLTAIRE'S verhandeling over de Verdraagzaamheid, te _Leeuwarden_ vertaald en gedrukt, werd verboden,--ziedaar de laatste sporen van den geest van heerschzucht en tegenwerking, die de Kerk zoo lang hadden beroerd. Ook daaruit bleek het, dat er een nieuw licht aan het dagen was, hetwelk vele gemeente-leden welgevallig tegenblonk. De geest der lessen van den, zoo ongemeen lang gespaarden, VENEMA, die, boven vooroordeelen verheven, meer heldere begrippen verspreidde en zijne leerlingen bovenal tot liefde, vrede en verdraagzaamheid aanspoorde, begon van lieverlede de Kerk te vervullen en voor de toekomst betere vruchten te beloven.

Terwijl de zucht naar vooruitgang dus merkbaar was, had zij bij velen een nadeelig gevolg. Men was afkeerig geworden van eene leer, in vormen en wetten gekluisterd, die den geest met een last van grondstellingen had bezwaard; en terwijl men dus de kerkelijke leerbegrippen verzaakte, verwierpen velen met-een de grondslagen der heilige leer van Christus. Vandaar, dat »in het eind der vorige eeuw onder de beschaafde klassen der maatschappij de verachting van de godsdienst heerschend was geworden. De geest, geheel met de belangen des tijds vervuld, vroeg niet meer naar het eeuwige. Slechts bij weinigen, wien het vergankelijke niet kon voldoen, bleef de zucht naar iets hoogers bestaan"[302]. Ondanks de regtzinnigheid al hare krachten inspande, om het oude te behouden; in weerwil eene dweepzieke menigte zich tegen elke verandering aankantte, waren er van zulk eene geestrigting ook in _Friesland_ vele sporen, nadat de langdurige vrede en welvaart een buitengewonen voorspoed gekweekt en een geest van overmoed, vrijheid en onafhankelijkheid ontwikkeld hadden, welke sedert 1780 in staatkundige beroeringen aan den dag gelegd werden. Ook de predikanten trokken partij, namen deel aan den wapenhandel en ondersteunden vooral de partij, welke tegen den Stadhouder was gezind, waarom verscheidene hunner in 1787, bij het herstel van het Stadhouderlijk gezag, werden afgezet. Eene groote verandering, in den loop der tijden voorbereid, was echter noodzakelijk geworden.

[302] OPZOOMER, _het Wezen der Deugd_, 1, 20.

En deze volgde weldra op de staats-omwenteling van 1795. Bij de bestaande begrippen van vrijheid, gelijkheid en broederschap was het natuurlijk, dat de staatsmagt nu »een iegelijk onbelemmerde Vrijheid van geweten, en de ongestoorde uitoefening van zijne Godsdienst plegtig verzekerde"[303]. De Hervormde Kerk verloor daarbij het voorregt, dat zij meer dan twee eeuwen had bezeten, om de heerschende Kerk of de Kerk van den Staat te zijn, en daarmede viel ook de laatste steun der scholastieke godgeleerdheid en der kerkelijke regtzinnigheid. Inzonderheid werd dat voorregt geheel opgeheven bij de scheiding van Kerk en Staat, welke in 1796 hierop volgde. Eerst bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798 werden daaromtrent bepalingen voorgeschreven; terwijl bij besluit van de Synodale vergadering te _Heerenveen_, in 1804 gehouden, een nieuw Wetboek en Kerkenorde voor _Friesland_ werd ingevoerd. Ofschoon men de leerstellingen der Dordsche Synode daarbij als grondslag van de leer der Kerk, althans in naam, bleef behouden, was daarin, gelijk sedert in de gansche rigting der Kerk, een gezegende vooruitgang tot betere denkbeelden en gezindheden te erkennen, en was men vrij algemeen tot meer heldere inzigten, tot meer liefderijke gevoelens, tot meer christelijk leven gekomen. Een blijk daarvan was mede de invoering van de Evangelische Gezangen in 1805, welke, even als de in 1773 ingevoerde verbeterde Psalmberijming, zoo veel bijdroegen, om de stichting bij de godsdienst-oefeningen te verhoogen en godsdienstige gevoelens aan te kweeken.

[303] Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_, van 21 Febr. 1795, _Verzaameling van Placaaten_, I 24.

Intusschen waren er elders Genootschappen opgerigt, die belijders van verschillende gezindten tot één christelijk doel vereenigden, en welke ook hier een weldadigen invloed uitoefenden. Er waren in de Kerk mannen opgestaan, als: HINLOPEN, KIST, CLARISSE, STUART, VAN DER ROEST, EGELING en anderen elders, gelijk LIEFSTING, BRINK, BROUWER, NIEUWOLD, BRUINING enz. in _Friesland_, die door prediking en schriften een evangelischen geest onder het volk bragten; terwijl in de scholen der Godgeleerdheid VAN VOORST, TINGA, GREVE en REGENBOGEN te _Franeker_, gelijk elders VAN HAMELSVELD, MUNTINGHE, VAN DER PALM, AN. YPEIJ, HERINGA, SURINGAR en BORGER, waarvan de vier laatste Friezen waren, door hun onderwijs en schriften alle geloofs- en zedeleer tot het evangelie terugbragten, de leerstellingen aan Gods woord leerden toetsen, nuttelooze twisten vermeden, eene gezonde uitlegkunde deden veldwinnen en uit wijsbegeerte en geschiedenis licht aanbragten voor het Christendom. In dit gewest heeft vooral de _Christelijke Godgeleerdheid_ van den Franeker Hoogleeraar J. H. REGENBOGEN (1810) veler oogen geopend voor het licht der waarheid, in verband met het gezag der rede. Zóó werd de Hervormde Kerk, terwijl het vaderland gelouterd werd door staatkundige verdrukking, op nieuw tot een Evangelisch-Hervormde Kerk hervormd; en, nadat in 1816 de band der formulieren van eenigheid voorzigtig was losgemaakt, mogt men in 1817 ook in _Friesland_ het Derde Eeuwfeest der Kerkhervorming bij alle Protestantsche Gemeenten onderling en met eene broederlijke liefde en eensgezindheid vieren, welke de kroon zette op de overwinning, welke de tijdgeest, of liever Gods vaderlijke besturing, op de bekrompenheid van het voorgeslacht had behaald, in terugkeering tot de genoemde drie oorspronkelijke beginselen van de Nederlandsche Hervormde Kerk. Zóó mogten rede, gezond verstand en godsdienstzin zegevieren op het kerkelijk leerbegrip.

Hoe verblijdend dit verschijnsel, hoe weldadig het licht zij, dat thans bijna algemeen ten aanzien der christelijke waarheid en geloofsleer is ontstoken--voor allen is er eene hooge roeping aan verbonden, om, voorgelicht door de verhevenste zedeleer, thans als kinderen des lichts te wandelen, en om door toeneming in gemoedelijke godsvrucht en christelijke deugd en door beleving van het geloof te toonen, dat de beschaving, ontwikkeling en veredeling van het menschelijk geslacht de vrucht en het doel is der gezegende godsdienst van Christus.

_De Doopsgezinden._

Vóór de omwenteling van 1580 hadden de Hervormden en Doopsgezinden gemeenschappelijk geijverd tegen de onderdrukking van _Spanje_ en vóór vrijheid van geloof en geweten. Na die omwenteling en de zegepraal der hervorming hadden beide gezindten zeker gelijke aanspraak op het genot van deze vrijheid en de bescherming van het Staatsgezag; te meer, daar de Doopsgezinden toen ongeveer een vierde gedeelte der bevolking van _Friesland_ uitmaakten, en, zonder aanspraak te maken op de kerken en derzelver bezittingen, toelieten, dat de Hervormden daarvan bezit namen. En evenwel, hoe gunstig Prins WILLEM _van Oranje_ ook jegens de Doopsgezinden in het algemeen gezind was, werd bij zijne provisioneele Ordonnantie op het stuk van justitie, politie, kerk en krijgshandeling, in 1581 te _Harlingen_ uitgevaardigd, bepaald, dat geene andere dan de Gereformeerde religie in deze provincie zou mogen worden uitgeoefend[304].

[304] _Charterboek_, IV 241; WINSEMIUS, 700; BLAUPOT TEN CATE, _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 124. Zie ook hier voor bl. 167-174, 199.