Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 29

Chapter 293,251 wordsPublic domain

Doch tegenspoeden hebben dikwijls heilzame uitwerkselen voor de toekomst, wanneer de nood het oordeel scherpt, de krachten spant en middelen zoekt aan te wenden, welke de voorspoed onopgemerkt had gelaten. Na het verlies van zoo vele runderen gaf de toenemende schaapsteelt, bij de hooge prijzen van de wol, daarvoor eenige vergoeding, en werden vele oude weilanden gebroken en tot bouwland aangelegd, waarbij men ook het klaverzaaijen tot nieuwland invoerde. De sedert 1750 meer algemeen gewordene aardappelteelt en de toegenomen cichorei- en vlasbouw begunstigden mede de pogingen der landbouwers tot verbetering en vooruitgang, zoodat onze boerenstand zich door bekwaamheid, ijver en welstand voordeelig bij die van andere provinciën onderscheidde. De bepoldering nam allerwege toe, gelijk ook het getal bouwhoeven, dewijl men vroeger te veel land bij ééne boereplaats gebruikte. Blijken van meerderen voorspoed openbaarden zich vooral na 1765, zoodat, toen in 1769 en volgende jaren de veepest op nieuw woedde, die schade het algemeen belang minder krenkte.

Doch de landbouw had tevens veel te danken aan de uitbreiding van den Handel en de Scheepvaart, die van 1760 tot 1780 en ook nog later ongemeen bloeiden en groote winsten aanbragten. Nog in 1789 werd het getal Friesche schepen, dat vooral tot de buitenlandsche vrachtvaart gebezigd werd, op 2,000 begroot, gelijk alléén in 1780 meer dan 40 nieuwe schepen de verschillende havens dezer provincie verlieten. _Frieslands_ gunstige ligging en rijkdom van voortbrengselen, die bij gereeden aftrek van lieverlede in prijs stegen, wekten de ondernemingszucht op. Bepaalden handel en buitenvaart eerst zich meest op de Oostzee, _Hamburg_, _Bremen_, _Noorwegen_ en de Fransche en Spaansche kusten, men beproefde ook regtstreekschen handel op _Engeland_; en van welke gunstige gevolgen dit voor het belang dezer provincie is geworden, vooral ten aanzien van onze boter, kaas, paling, vee enz., is algemeen bekend. Te voren had men deze en andere voorwerpen steeds te _Amsterdam_ ter markt gebragt, om van daar verder verzonden te worden. De binnenlandsche vaart op de overige provinciën, tot uit- en invoer van verschillende voortbrengselen en benoodigdheden, ondersteunde dien handel, welke tevens van gunstigen invloed was op onderscheidene fabrijken en trafijken, die er in den loop der 18e eeuw zoo vele werden opgerigt[283], waarvan de steen- en pannebakkerijen, de zoutkeeten en kalkbranderijen een ruim deel in de winsten hadden. Het fabrikaat der Friesche bonten, dat in 1748 in _Harlingen_ nog een duizendtal wevers werk verschafte en overal, ook naar de _West-Indiën_, verzonden werd, bezweek echter, even als de eertijds zoo bloeijende saaijet-fabrijken, waarvan _Franeker_ alleen er 21 telde, voor de buitenlandsche mededinging. Doch ook handel en scheepvaart vervielen na het einde van dit tijdvak, ten gevolge van den Engelschen oorlog en andere rampen. Nogtans kon een bevoegd beoordeelaar zijne beschouwingen omtrent den gelukkigen toestand van _Friesland_ in 1795 besluiten in de overtuiging: »dat ons land een gezegend land is; dat wy een vruchtbaaren grond hebben, eene groote verscheidenheid van Voortbrengzelen, en een by uitstek bloeienden Landbouw; een gezond Klimaat, en sterkte van lichaam en geest by de inwoonders. Voorts een goeden Koophandel, eene aanzienelyke Vragtvaart, en een tamelyk getal goede Fabrieken.--Het gevolg van dit alles vereenigd, moet zyn _Blyde Welvaart en Volks-geluk_"[284].

[283] Van de daartoe verleende octrooijen noemen wij hier enkel, nieuw geinventeerde Molens, om hout-, pot- en weedasch te malen: 1700; eene Azijn fabrijk, 1720; eene Suiker-rafinaderij te _Harlingen_, 1724; eene Stijfselmakerij te _Franeker_, 1731; een Snuif- en Verwmolen te _Leeuwarden_, 1760; een Papiermolen te _Makkum_, 1767; eene Glasblazerij aldaar, 1768; eene Meekrapstoof te _Leeuwarden_, 1751, enz.

[284] De latere Groninger Hoogleeraar S. GRATAMA in zijne _Gelukkige Toestand van Friesland_, 25, in _Aanteek. 22_ vermeld met meerdere schrijvers over dit onderwerp; als: YPEIJ, _Verhandeling over den uitvoer van Hooi_; _Teg. Staat_, IV 570, 596 env.; VEGILIN, _over de Veengraverijen_, 25, 57 enz. Zie mede over het aangevoerde het onschatbare _Charterb._ IV 620, 726, V 106, 471, 658, 755; _Reg. Staats-res._ 337, 363, 495, 517, 528 enz. Gaarne zouden wij zien, dat ook dit belangrijk onderwerp eens uitvoeriger wierde behandeld.

39. _De Kerkelijke Belangen van Friesland._

_De Hervormde Kerk._

Lang hadden de Hervormden in _Friesland_ de verdrukking van het Spaansche gezag verdragen en te vergeefs vrijheid van godsdienst, naast of nevens de bestaande Katholijke Kerk, begeerd, toen eindelijk de Pacificatie van _Gent_ (1576), de Religions-vrede (1578) en de Unie van _Utrecht_ (1579) de vervolgingen om het geloof deden staken, en de wensch, dat zij hunne godsdienst-oefeningen onverhinderd mogten houden, vervuld werd. Roomschen en Onroomschen bezaten nu alzoo gelijke vrijheid. Mogten de eersten zich hierdoor verzwakt gevoelen,--de laatsten, die spoedig bleken verreweg de groote meerderheid der ingezetenen uit te maken, hadden eene kracht ontvangen, welke alras zich liet gelden. Zij hadden zoo schrikkelijk veel van de Spaansche tirannij geleden, en de verbastering van de Roomsche Kerk had reeds zoo lang ergernis gegeven, dat zij deze niet naast of nevens zich konden dulden. Men moet zich verplaatsen in die dagen van opgewondenheid en verbittering, toen men het woord verdraagzaamheid naauwelijks kende, om te beseffen, dat het doel van den strijd geen ander kon zijn, dan de zegepraal van de sterkste en de ondergang van de zwakkere partij. En hoe zeer begunstigden de omstandigheden des tijds niet de overwinning van de zaak der Hervormden!

Immers, nadat de moed der burgers van _Leeuwarden_ het Blokhuis dier stad veroverd had, en ook de kasteelen van _Harlingen_ en _Stavoren_ gewonnen waren, verwekte de verraderlijke afval van den Stadhouder RENNENBERG te _Groningen_ (3 Maart 1580) hier zóó algemeene verontwaardiging, dat de Roomsche eeredienst nog in die zelfde maand door de Friesche Staten werd afgeschaft. De kloosters werden nu ontbonden en de gebouwen verkocht of aan de uitroeijing van het algemeen prijs gegeven, en werd de Hervormde leer ingevoerd en gevestigd door de bepaling, dat alle gemeenten van bekwame predikanten en onderwijzers zouden worden voorzien. Bovendien werd in de ordonnantie van den Stadhouder Prins WILLEM I van den volgenden jare vastgesteld, dat er in _Friesland_ geene andere godsdienst dan de Hervormde zou mogen worden uitgeoefend[285].

[285] WINSEMIUS, 595-710; SCHOTANUS, 790-884; _Charterb._ IV 119, 144, 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 727 env.; LORGION, _Geschied. der Kerkhervorming in Friesl._ 110 env. en _de Ned. Herv. Kerk in Friesl._ 1 env.

Deze vestiging van de Kerk door het Staatsgezag, dat haar als eene voedsterling beschermde en als voogd bestuurde, was vooral in den beginne voor haar eene zaak van groot gewigt; eensdeels, omdat haar toestand nog zoo onzeker was, zoolang _Groningen_ in de magt was der Spanjaarden, die zóó herhaaldelijk invallen in _Friesland_ deden, dat de zaak der vrijheid nog veertien jaren lang in het grootste gevaar verkeerde; anderdeels, uit hoofde van het gebrek aan bekwame predikanten, wier getal lang ontoereikende was, om al de gemeenten van een leeraar te voorzien. Ook dààrom stichtte de Staat eene Lands Akademie te _Franeker_ (1585), welke van lieverlede in dien nood voorzag en der Kerk vervolgens gewigtige diensten bewees. Deze was dus tot den Staat in eene omgekeerde verhouding gekomen, als waarin vroeger de Roomsche Kerk stond. Rijk, onafhankelijk en gewapend met kerkelijk gezag, had die hare geestelijke belangen steeds zelve geregeld, buiten de wereldlijke overheid, in wier bestuur zij zelfs een belangrijk aandeel had door hare afgevaardigden op de landsdagen. Wel deden de Hervormde predikanten spoedig pogingen, om zich aan die voogdijschap van het Staatsgezag te onttrekken; doch, in weerwil der botsingen, welke hieruit nu en dan ontstonden, bleven de Staten hun regt en pligt handhaven, om, nevens de bescherming, welke zij der Kerk verleenden, daarop te gelijk toezigt te houden en daarover gezag uit te oefenen. Zelfs bepaalden de Staten, dat geen Synodaal besluit van eenige kracht zou zijn, vóór dat het door de Staatsmagt goedgekeurd ware. En deze steun kwam der Kerk meermalen ter bevordering van hare belangen te stade: zoowel bij de vele en vaak bittere twisten, welke de predikanten onderling en tegen de Synode voerden, als niet het minst tegenover andere Kerkgenootschappen, dewijl er in het bijzonder in deze provincie een zoo groot getal Doopsgezinden bestond, en het aantal Roomschgezinden en Lutherschen van lieverlede aanmerkelijk toenam. Lang werden de godsdienst-oefeningen van dezen door strenge plakkaten verboden, hoewel ze niet altijd streng werden uitgevoerd, zoodat de Hervormde Synoden veel malen gelegenheid vonden, zich over de miskenning van haar uitsluitend voorregt, de slapheid der besturen en de »ongelimiteerde licentie der dissenters" te beklagen. Ook ten aanzien der zeden en de wering van misbruiken en ongeregeldheden riep de Kerk dikwijls de hulp van het Staatsgezag in[286].

[286] LORGION, _de Herv. Kerk_, 3 env. Zie over de Synode bl. 240 hier vóór.

* * * * *

Maar welke was de geest, de rigting, de kenmerkende leer dezer Kerk? In de eerste eeuw of het omwentelingstijdvak waren deze zeer verschillende, doch zij ondergingen groote verandering, meest ten gevolge van vreemden invloed, en van het streven naar eenheid van geloofsbegrip, dewijl de heerschzucht der sterkere partij steeds over de zwakkere trachtte te zegevieren. De oorsprong der geloofsverandering lag in de verbastering van de Roomsche Kerk. Om deze te bestrijden en te verbeteren bezat men geen ander wapen en middel dan het heilige Evangelie, dat tevens al de behoeften vervulde dergenen, die in reine godsvereering vrijheid van geloof aan zuiveren wandel wilden paren. Vandaar, dat in de allereerste geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, van omstreeks 1550, drie beginselen op den voorgrond stonden, welke toen voor kenmerkenden regel en rigtsnoer waren aangenomen; namelijk: 1^o. het _Evangelische beginsel_, of de aanneming van de Heilige Schrift als Gods Woord, waarvan Christus de hoofdinhoud uitmaakt, met verwerping van alle menschelijk gezag, hetwelk in de Roomsche Kerk heerschende was; 2^o. het beginsel van _vrij onderzoek en vrije belijdenis van de Evangelische waarheid_, mede tegenover Rome's kerkleer, welke slaafsche gehoorzaamheid en vervolgzieke onverdraagzaamheid van andersdenkenden predikte, en 3^o. het beginsel van _voortdurende Hervorming_, van toeneming in kennis en ontwikkeling van het Christendom, als de grondslag, waarop de Kerk, heilig in leer en leven, moest worden voortgebouwd en voltooid, tot vorming van vrome burgers van den Staat en van waardige leden der gemeente Gods in het leven der toekomst[287].

[287] Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van Prof. MUURLING, _over de echt Christelijke Beginselen der oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk_, Gron. 1849. Mijne voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen voortreffelijken geleerde gegrond.

Hoe gelukkig zou ons vaderland geweest zijn, wanneer het aan deze oorspronkelijke beginselen en eigene opvatting van het evangelie, als eene kracht Gods tot zaligheid, ware getrouw gebleven! Hoe weldadig zou de algemeene aanneming en beleving van zulk eene eenvoudig schoone leer duurzaam gewerkt hebben op het algemeene welzijn! Hoe vele twisten, rampen en ellenden waren daardoor niet vermeden geworden! Doch de zelfstandigheid der Nederlanders, in andere opzigten zoo krachtig aan den dag gelegd, bezweek in dezen voor buitenlandschen invloed. Vreemde geleerden, die zich de ~geloofsleer~ tot hoofddoel des Christendoms stelden, vormden ingewikkelde stelsels en vervormden de evangelie-leer tot eene leerstellige godgeleerdheid. Deze vond allerwege aanhangers, waaruit spoedig partijen ontstonden, die, hevig onder elkander twistende, de nog niet eens gevestigde Kerk jammerlijk verwarden en verscheurden terwijl de staatkunde der Spaansche regering dat vuur van verdeeldheid voedsel gaf en aanblies. Ofschoon LUTHER'S denkbeelden en gevoelens reeds vroegtijdig in _Friesland_ bekend waren, en de Augsburgsche belijdenis van 1530, zoo als die door MELANCHTON veranderd was, ook hier bijval vond, was het verkeer van vele Friezen in _Oost-Friesland_, waar men voornamelijk de gevoelens van ZWINGLI had aangenomen, de oorzaak, dat de hervorming hier eerst eene Zwingliaansche rigting aannam, alsof het noodzakelijk ware, de partij van een dier Hervormers te kiezen. Laatstgenoemde rigting werd echter spoedig verdrongen door het Kalvinisme, dat in 1567 in _Brabant_ boven alle andere rigtingen ingang vond en zich streng wist te handhaven[288]. Nadat het ook door Prins WILLEM I en daarna door Graaf WILLEM LODEWIJK was aangenomen, bragt MENSO ALTING, een der weinige Oost-Friesche predikanten, die de gevoelens van KALVIJN waren toegedaan, met de hulp van Dr. OTTO SWALUE veel toe, om die rigting bij de Friesche predikanten te doen aannemen, waartoe de invoering van den Heidelbergschen Catechismus tevens een gereed hulpmiddel aanbood.

[288] Zie dit breeder bij YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv. Kerk_, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.

Uit de kerkordening der Dordsche Synode van 1578 en uit de merkwaardige twistreden, in 1596 te _Leeuwarden_ door den Hervormden predikant RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN CEULEN in 156 zittingen gehouden, blijkt echter, dat er in de toenmalige leerstukken der Hervormden nog sporen der vroeger genoemde Nederlandsche beginselen waren overgebleven. Doch ook deze moesten verdrongen worden. Daartoe werd vooral de eerste Hoogeschool des lands dienstbaar gemaakt: want van de _achttien_ hoogleeraren in de godgeleerdheid, welke aan de Leidsche Akademie van 1576 tot 1618 beroepen werden, waren _veertien_ vreemdelingen, die de leer van KALVIJN omtrent de Drieëenheid, Vóórverordinering, Gods vrijmagtige genade, Voldoening, Erfzonde en andere verborgenheden of met het evangelie strijdige leerstukken met ijver voorstonden en »de dorre stelselzucht en spitsvindige haarkloverij hare hoogte deden bereiken." In twee der vier overige Hoogleeraren, in ARMINIUS en EPISCOPIUS, vonden zij bestrijders: deze waren de laatste verdedigers van de oorspronkelijke Nederlandsche beginselen, welke men trachtte te verdringen. Tot welk een hevigen strijd dit aanleiding gaf; met welk eene bitterheid Remonstranten en Contra-Remonstranten elkander jaren lang bestreden, en hoe de Dordsche Synode van 1618 en 19, door het Staatsgezag ondersteund, daaraan een einde maakte, door de eersten als gedaagden te veroordeelen en het vaderland uit te drijven, om de zegepraal van de laatste partij te bevorderen--wien is dit bedroevende blad onzer geschiedenis onbekend? En wie heeft het niet betreurd, dat de hoogste en heiligste belangen des volks, vrijheid van godsdienst en geweten, waarvoor men zoo lang tegen _Rome_ en _Spanje_ had gestreden, nu werden aangerand door eene Synode, welke, met een gezag als van vroegere Conciliën en Pausen, besliste en bepaalde, welke leerbegrippen voortaan bij uitsluiting in _Nederland_ geduld zouden worden. Zóó trad men te gelijk het zevende artikel van de Nederlandsche geloofsbelijdenis met voeten. De godgeleerdheid leidde der godsvrucht onverbreekbare banden aan, wrong de menschelijke rede een breidel in den mond en verloochende het beginsel der liefde, dat de hoofdinhoud des evangelies is. Doch reeds de Heer zelf zeide: »Te vergeefs eeren zij mij, leerende leeringen, dat geboden van menschen zijn."

Van de Friezen, die anders voor »eene koene, zelfstandige en voor zich zelve denkende natie" werden gehouden, had men mogen verwachten, dat zij dit juk van kerkelijke heerschappij zich even fier van de schouders geweerd zouden hebben ten aanzien der _leer_, als zij zich krachtig verzetten tegen de _kerkenorde_, bij post-acta door de Synode vastgesteld. Hoewel de steden deze aannamen, werd ze door de Staten der landkwartieren strengelijk verboden en de oude wijze van kerkbestuur en beroeping van predikanten gehandhaafd[289].

[289] Zie de stukken betrekkelijk de Synode in het _Charterb._ V 219, 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270; _Reg. Staats-res._ 378, 785; WINSEMIUS, 900; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 738; LORGION, _de Herv. Kerk_, 63 env.; YPEIJ en DERMOUT, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en vooral BRANDT, _Hist. der Reformatie_, II 552, IV 17-22, 285, 288, 766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze provincie "niet prakticabel, en tegen 's lands resolutien strijdig in vele punten."

Doch er was een man in _Friesland_ en wel predikant te _Leeuwarden_, JOHANNES BOGERMAN, een Oostfries van geboorte, die zich reeds sedert jaren had onderscheiden door geleerdheid en ijver voor de leerstellingen van KALVIJN, en die nu vooral zijn invloed deed gelden. Met nog twee predikanten en drie ouderlingen, benevens twee door de Staten verkozene commissarissen namens _Friesland_ ter Synode afgevaardigd, werd hij spoedig tot Voorzitter gekozen. Hoe bekwaam hij ook ware, zijn gedrag in die betrekking, zijne onverdraagzaamheid en hevigheid, zijne heerschzucht en bitterheid, vooral bij de wegzending van de miskende Remonstranten, zijn algemeen, ook door de leden der Synode, afgekeurd. Wel had _Friesland_, ook door zucht naar vaste beginselen gedreven, de Synode gewenscht en bevorderd; doch men was hier te weinig met de Remonstranten in aanraking geweest en had tot dusverre mildere beginselen jegens andersdenkenden betoond, dan dat men zulk eene harde behandeling kon goedkeuren. Vermits men oordeelde, dat BOGERMAN zijn last en gezag blijkbaar was te buiten gegaan, waren de Staten en de Synode hier geweldig tegen hem ingenomen en zóó verontwaardigd over zijn gedrag, dat men hem in staat van beschuldiging gesteld- en zelfs gebannen wilde hebben[290].

[290] Zie de bijzonderheden daaromtrent bij BRANDT, II 3, 12, 243, 430, III 141, IV 17 env. ook erkend door YPEIJ en DERMOUT, II 213, 219, 230, Aant. bl. 165; LORGION, _de Herv. Kerk_, 65; VAN KAMPEN, _Vad. Geschied._ I 476; _Karakterkunde_, II 19.

Niettemin werden de leerstellingen of canones der Dordsche Synode in _Friesland_ algemeen ingevoerd, en een formulier van aanneming door de predikanten onderteekend. Slechts twee predikanten van _Dokkum_, HAIO LAMBERTI en PETRUS HERMANNI, leverden daartegen enkel bezwaren in, en werden dáárom afgezet. Doch de onbillijke behandeling hen aangedaan, bij het gunstig getuigenis van den Magistraat en Kerkeraad van _Dokkum_ omtrent hunne leer en wandel, bezorgde hen verscheidene aanhangers, die zich van de Gereformeerde Kerk afscheidden en in die stad eene Remonstrantsche Gemeente vestigden. Hoe zeer ook gesmaad, verstoord, verdreven en vervolgd, en bij een scherp plakkaat verboden, mogten die Remonstranten zich daar lang staande houden, en ook den edelen balling DIRK RAFELS KAMPHUYZEN eene schuilplaats aanbieden na zoo lange vervolging, welke hem hier, niet dan op voorspraak, een kort verblijf gunde, daar hij weldra, na het voltooijen van zijne schoone _Stichtelijke Rijmen_ en _Uitbreiding van de Psalmen_, overleed (1626)[291].

[291] _Charterb._ V 282, 320; LORGION, _de Herv. Kerk_, 67-77, 83, 314, 330. Over KAMPHUIJZEN'S verblijf en graf te _Dokkum_ zie men de berigten van Prof. DE CRANE, in zijne _Letter- en Geschiedkundige Verzameling_, Leeuw. 1841, 37.

»Dat de Hervormde Kerk, zoo pas in het leven getreden, het beginsel, waaraan zij haar ontstaan te danken had, dadelijk weêr zou verlaten, en zelve de gruwelen zou navolgen, die zij in Rome's dwangmiddelen verfoeide;--dat zij voor het Evangelische het Dogmatische beginsel verwisselen, en voor het vrije onderzoek en de vrije belijdenis der waarheid gehoorzaamheid aan de leer der Kerke opleggen zou, en dat zij het beginsel van voortdurende hervorming zou laten varen voor het gevoelen, dat de Hervormde Kerk in leerstellingen en eeredienst volmaakt, en dus de alleen ware Kerk was, buiten welke geene zaligheid was te vinden,"--wie had dit kunnen verwachten van eene Nederlandsche Kerk, in haren oorsprong op zulke echt Christelijke beginselen gebouwd? »Het moge vreemd schijnen; het is toch niet anders, zoo als uit de geschiedenis blijkt.

»Het gevolg daarvan was, dat leerstellingen de plaats van het Evangelie innamen; dat het Dogmatismus (de stelselzucht) in de Kerk en in de Godgeleerdheid weêr begon te heerschen; dat het Scholasticisme der Middeneeuwen weêr in het leven geroepen werd en zich van de scholen der Godgeleerden meester maakte, en dat jagt op ketterij, helaas! ook in de Hervormde Kerk begon gedreven te worden. Zoo openbaarden zich de overblijfsels van den alouden Roomschen zuurdeesem in hunne volle gisting en kracht! Van de Kerkleer af te wijken, was gevaarlijker en werd strenger gestraft, dan afwijking van het Evangelie van CHRISTUS. Deze Kerkleer naauwkeurig te ontwikkelen, haar-fijn uit te pluizen, scherpzinnig tegen andersdenkenden te verdedigen en met bewijzen, voetstoots en vaak op den klank der woorden af, uit den Bijbel ontleend, te staven, ziedaar, wat de Godgeleerdheid en hare studie uitmaakte. Men streed en kampte voor begrippen, alsof de zaligheid er in gelegen ware. Vooral het leerstuk der Voorverordinering, niet zonder reden het _dogma tremendum_ genoemd, het _leerstuk waarvoor men beeft_, heeft eene troebele en onuitputtelijke bron geopend van twist en tweedragt, van onrust en wanhoop; want het zette de vrijheid en dus ook de verantwoordelijkheid des menschen ter zijde, en berustte op eene onwaarachtige, zelfs vreeselijke voorstelling van God, en tastte alzoo de deugd, de zedelijkheid en het waarachtig Christelijk leven in het hart aan"[292].

[292] Woorden van Prof. MUURLING, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met verwijzing naar de verhandd. van Prof. KIST, _over de beginselen en het onvoltooide der Kerkhervorming_ en Prof. HOFSTEDE DE GROOT, _over den gang der Godgeleerdh. in Nederl._ beide in het _Ned. Archief_, I en II.