Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 28

Chapter 283,416 wordsPublic domain

Naarmate de vroeger (bl. 150) vermelde afgraving van de hooge veenen in _Schoterland_ toenam, werd de eerst van nabij _Akkrum_ naar _Heerenveen_ en vervolgens verder oostwaarts gegravene Compagnonsvaart verlengd en wegens den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien. Aan de boorden daarvan nam _Heerenveen_ in omvang en bloei toe, en breidde _Nieuw-Brongerga_ of de _Beneden-_ en _Boven-Knijpe_ zich uit. Welige weiden hadden de plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu den turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732 ontvingen deze Compagnons der _Dekama-_, _Cuick-en-Foits-veenen_ op nieuw octrooi van de Staten, »om hun Veenvaart, dwars door de ruwe en sterile veenen, ook anderen toebehoorende, verder te mogen graven," zoodat zij vervolgens tot nevens _Hornsterzwaag_ werd opgelegd. Gelijke herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen ook de omstreken van _Brongerga_ en _Oudeschoot_, sedert Prinses ALBERTINE AGNES op dien zandgrond, kort na 1664, het vorstelijk lustslot _Oranjewoud_ liet bouwen en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een bekoorlijk aanzien verkreeg[271].

[271] Zie _Tegenw. Staat_, III 518, 528; _Reg. Staats-res._ 552.

Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het graven van eene Veenvaart ten behoeve van het afsteken van het hoogveen, onderging ook het oostelijk gedeelte der grietenijen _Smallingerland_ en _Opsterland_; en de eerst onbeduidende dorpjes _Noorder-_en-_Zuider-Dragten_ hadden daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een aanzienlijk vlek te danken. De hoofdaanleiding daartoe was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten met zekeren PASSCHIER HENDRIK BOLLEMAN van _'s Gravenhage_, die, in gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene hoofdvaart of grifte van ongeveer 30 voet breedte, benevens eene dwarsvaart te graven en met bruggen en sluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te kunnen komen, die te vergraven en den turf langs die vaarten af te voeren. Dit doel werd niet enkel bereikt en de vaart en dwarsvaart met vele wijken in de eerstvolgende jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt, maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de plaats in der veenen, wier afgraving en vervoer leven en werkzaamheid, handel en voorspoed verspreidden, zoodat in die zelfde jaren de weinige huizen van _Dragten_ tot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden, waarbij spoedig molens en fabrijken, kerken, scholen en andere gebouwen gesticht werden. Deze uitbreiding en welvaart had men alzoo alléén te danken aan het graven van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde, ten gevolge van eene nadere overeenkomst van 1649, drie uren verderop werd gegraven langs _Ureterp_ en de _Friesche palen_ naar _Bakkeveen_ (1664). Van daar is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorp _Haule_, waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de uitgestrekte veenkolonie _Haulerwijk_[272].

[272] Naauwkeurige bijzonderheden omtrent het eerste bevat het fraaije werkje van mijn vriend J. G. VAN BLOM, _de opkomst van het vlek Dragten_, Leeuw. 1840. Zie over _Bakkeveen_ D. H. VAN DER MEER in den _Friesche Volks-Almanak_, 1839, 29 env.

In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenij _Opsterland_ waren JUW DEKAMA en anderen reeds vóór 1580 begonnen onder _Korte-_ en _Langezwaag_ te verveenen, waartoe de Jonkerssloot en de Nieuwesloot werden gegraven, toen in 1645 de Heeren CRACK, OENEMA, FOCKENS en TEIJENS eene belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg hiervan was, dat er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal gegraven werd noordwestwaarts over de Wijde-Wispel en het Nieuwe diep tot in de Boorn. Als het begin eener groote onderneming was dit kanaal van veel gewigt. Spoedig werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het Gorreveen. Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart den rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt, _Gorredijk_, welke ten gevolge van verveening, ontginning en handel zoo sterk werd aangebouwd, dat zij, na in 1672 versterkt te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam en een welbebouwd en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag het in het plan van genoemde heeren, deze vaart ook verder oostwaarts op te leggen, zelfs tot naar _Bakkeveen_. Toen nu in 1704 AUGUSTINUS LYCKLAMA À NIJEHOLT, sedert 1693 Grietman van _Opsterland_, de voornaamste eigenaar was der veenvaarten van _Gorredijk_, _Terwispel_, _Kortezwaag_ en _Lippenhuizen_, verzocht en verkreeg hij met zijne compagnons van de Staten verlof, om de vaart van _Lippenhuizen_ verder oostwaarts dwars door de hooge veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde, en na verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart reeds voorbij _Hemrik_ en _Wijnjeterp_ gevorderd, het veen vergraven en als turf vervoerd, en de ondergrond deels tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoon DANIEL DE BLOCQ LYCKLAMA À NIJEHOLT, van 1731 tot 1773 Grietman van _Oost-Stellingwerf_ en vervolgens tot 1781 van _Opsterland_, wilde deze onderneming vervolgen, en gaf daartoe in 1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de aangevangen arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken, en dat de uitgestrekte veenvelden van _Appelscha_ en _Fochteloo_ hem daartoe het meest geschikt voorkwamen; weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te verlengen en nu in zuidoostelijke rigting te graven over _Donkerbroek_, _Oosterwolde_ en _Appelscha_ tot aan de grenzen van _Drenthe_, tot welke hoogst nuttige onderneming hij, als voornaamste eigenaar, reeds toestemming van de overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De Staten, vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende water uit _Drenthe_ zou bezwaard worden, wezen dit verzoek eerst af; doch de zaak was van zoo groot gewigt en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij later een naauwkeurig onderzoek van het terrein bevolen, en eerst daarna, den 2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden, dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden afstands van de grensscheiding mogt worden gegraven, en dat er »een val of schuttelbank" (duiker) in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de vaart dit riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst, met de grietenijen _Schoterland_ en _West-Stellingwerf_ deswege te sluiten[273].

[273] Opgemaakt uit de Staats-resolutiën, benevens oorspronkelijke stukken uit het Provinciaal Archief. Zie ook _Tegenw. Staat_, III 568; VAN SMINIA, _Grietmannen_, 387, 388.

Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen van het octrooi den arbeid aan, en werd de vaart met een scherpen hoek zuidoostwaarts voortgezet over _Donkerbroek_ tot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal van ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu deed er zich omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar op. Kort vóór het ontvangen van het octrooi had hij deswege eene overeenkomst aangegaan met de provincie _Drenthe_, welke had op zich genomen, de vaart te vervolgen van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk. Sedert de groote Smildervaart in 1612 onder _Diever_ was aangevangen, had het landschap daarvan in 1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige bezwaren van _Overijssel_ ten aanzien der uitvaart van _Meppel_ naar _Zwartsluis_ te ontgaan, trachtte _Drenthe_ nu langs deze vaart een afvoer door _Friesland_ te bekomen. Dit mislukte ten gevolge der bepaling van het octrooi, dat de vaart niet _door_ de grenslinie gegraven mogt worden. Na lang uitstellen, begon _Drenthe_ omstreeks 1790 wel eene geul of vaart te graven van de Tjonger naar _Appelscha_, doch ten gevolge der omwenteling bleef dit werk steken. Hoe ijverig ook de erven LYCKLAMA bij de verschillende opvolgende besturen op de uitvoering aandrongen, eerst in 1810 vernietigde Koning LODEWIJK hunne overeenkomst met _Drenthe_, hen vrij latende, de onderneming op eigen kosten voort te zetten. Niet voor 1813 konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In 1816 en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet tot onder _Oosterwolde_, en was zij in 1819 tot nevens _Appelscha_ genaderd, waarna zij tot op 20 roeden van de grens is voltooid en later met zijtakken uitgebreid. Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart met daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig rijzen van den grond, acht verlaten, benevens een duiker in de Tjonger en onderscheidene groote bruggen behooren, is van 1816 tot 1841 eene som van 120,000 Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen is met het verkoopen van het hoogveen[274]. Sedert zijn er door het afsteken van het veen en het vervoer daarvan met duizenden turfschepen, door ontginning van de ondergronden en door het bouwen van huizen en schepen, tonnen schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen bevorderd, de dorpen _Donkerbroek_, _Oosterwolde_ en _Appelscha_ uitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping en ontwikkeling voorbereid van een oord, dat eeuwen lang, als »een leedig capitaal en dood corpus," veelal woest had gelegen, vóór dat de nijvere menschelijke hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong tot vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen. Lof en eere komt daarvoor aan de wakkere ondernemers toe, doch vooral aan den eersten ontwerper, wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis te _Appelscha_ te noemen: _Augustinus-state_.

[274] Toen was er nog geene spade gestoken in het veen, en thans werken er des zomers veelal meer dan _duizend_ personen in, en varen er jaarlijks ongeveer 8 à 9,000 turfschepen door _Oldeboorn_ en _Gorredijk_ derwaarts. Van _Gorredijk_ tot _Appelscha_ of het 8e verlaat is het verschil van den waterstand bijna _elf_ Ned. ellen. Zóó veel hooger ligt de zuidoosthoek dezer provincie dan het binnenland.

Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie. Doch weinig bekend is het, hoe krachtig _Friesland_ te dezen aanzien vele andere provinciën is vóórgegaan, dewijl alléén de laatst vermelde drie groote veenvaarten te zamen eene lengte van ruim _twintig_ uren gaans uitmaken, welke, ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren, door menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke sluizen, bruggen, wegen en andere werken voorzien. Eene vergelijking der kaarten van den _Nieuwe Atlas van Friesland_ met die van SCHOTANUS, van 1664 en 1718, levert overtuigende bewijzen op, hoe véél er in dit opzigt alleen in de laatste 150 jaren in deze provincie is verrigt, en hoe zeer zij daardoor in waarde, in geldelijk en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen.

Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet alles. De grietenij _West-Stellingwerf_ onderging mede groote verandering. Nadat de Staten vergunning hadden verleend tot het graven van drie vaarten: uit de Tjonger naar _Wolvega_ (1645) en uit de Linde naar _Finkega_ en naar _Noordwolde_ (1642), werd ook de groote uitgestrektheid heide en hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen, aangestoken, afgegraven, met breede dwarsvaarten en wijken. doorsneden en ten behoeve van den landbouw ontgonnen. Nog in 1782, toen TJEERD en MARCUS VAN HELOMA eigenaren van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op nieuw octrooi, om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart, dóór de grens, tot in het Vleddersche veen te mogen opwijken.--Ook het zuidelijk gedeelte der grietenij _Achtkarspelen_, waar de monniken van _Gerkesklooster_ reeds vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude Veenstervaart en door _Munnekezijl_ uitvoerden, werden de ondergronden in den omtrek van _Surhuisterveen_ omstreeks 1600 door een aantal Doopsgezinden meer ontgonnen en bebouwd, en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare wijken werden verbonden. Evenzoo ontstond het dorp _Rottevalle_ ten gevolge van verveeningen, welke ook in de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig werden voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr. VEGILIN in 1766 zeggen: »dat door dit alles werd te weege gebragt, dat de geheele oostersche zoom van onze Provintie, die voor 150 jaar of daar omtrent nog t' eenemaal onvrugtbaar en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke, vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden"[275].

[275] Jr. J. VEGILIN VAN CLAERBERGEN, _Vertoog over de Veengraveryen_, Leeuw. 1766, 24, 29, 179; _Reg. Staats-res._ 320, 539, 540; _Charterb._ V 503; _Teg. Staat_, III 593 env.; BLAUPOT TEN CATE, _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 165.

_Vergraving van de lage Veenen._

Verleenden de Staten gaarne aanmoediging tot _af_graving van de _hooge_ veenen, omdat beide, het voortbrengsel en de ondergrond, strekten om het nationaal vermogen te vermeerderen,--met meer zorg sloegen zij steeds de _ver_graving van de _lage_ veenen of klynlanden gade, omdat het voortbrengsel alléén en voor ééns voordeel gaf, doch een groot deel lands in een waterplas verkeerde en aan den landbouw en de bewoning onttrok. Reeds in 1600 en 1610 rezen er klagten over de nadeelen, welke dit landverderven voor de naastlegers en 's lands kas te weeg bragt. Evenwel enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te verhoeden, werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk eene veengraverij mogt beginnen, vóór dat hij in het zelfde dorp een ander stuk lands had aangewezen, waarop de floreen tot hoeding van de lands schattingen en andere lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd overgebragt. Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders en daarna van 500 Gld. voor elken floreen op obligatie in 's lands kas gestort worden, tot verzekering van de floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men alleen op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving toe, welke, na onder _Oostermeer_ en _Boornbergum_ en in _Haskerland_ te zijn begonnen, inzonderheid na 1680 in _Tietjerksteradeel_, _Ængwirden_, _West-Stellingwerf_, _Opsterland_ en elders sterk was toegenomen[276].

[276] _Charterb._ V 171, VI 256; _Reg. Staats-res._ 382, 429, 448, 459, 530, 531, 535, 818, 823; _Teg. Staat_, III 525, IV 573.

Tot dusverre waren de nadeelen dezer verveening voor de provincie niet zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk uit lange petten groef, waar tusschen men eene smalle strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen na lang verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar land gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam een aantal veenbazen en werklieden uit _Giethoorn_ herwaarts, die eene andere wijze van verveenen invoerden, welke aan enkele personen wel grootere voordeelen aanbragt, doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche stuk lands werd vergraven. Vooral in de omstreken van _St. Jansga_ en _Oudehaske_, gelijk ook bezuiden _Oostermeer_ (de Leijen), in _West-Stellingwerf_ en elders zijn daardoor verbazende kommen waters ontstaan. De verzending van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naar _Holland_, en elders bragt evenwel aanzienlijke winsten op, welke vele eigenaars destijds in koophandel en scheepvaart besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen trokken. Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging, om het gevaar, dat hieruit, bij toeneming, voor deze provincie was te duchten, te keer te gaan. Doch zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet gelaten[277].

[277] Om de Staten bij hunne beraadslagingen over dit onderwerp voor te lichten, schreef Jhr. VEGILIN het genoemde belangrijke werkje over de _Veengraverijen_, waarin hij de vermelde nadeelen en de middelen daar tegen uitvoerig aanwijst. Zijne denkbeelden vonden echter verscheidene bestrijders in GERLSMA, ONEÏDES en anderen, die daar tegen geschriften in het licht gaven. Zie ook _Reg. Staats-res._ 818.

_Nieuwe Vaarten en Wegen._

Het plan der Magistraten van _Harlingen_ en _Leeuwarden_, om langs de vaart tusschen beide steden een bepuind trekpad aan te leggen, in 1640 ontworpen en in 1646 volbragt, was niet enkel ter bevordering van eene geregelde gemeenschap en ten behoeve van handel en scheepvaart van veel belang, maar de goede uitslag daarvan wekte allerwege een geest van navolging op, welke voor de gansche provincie gunstige gevolgen had. In het volgende jaar 1647 wist _Dokkum_ alléén een dergelijken trek weg langs de Ee naar de hoofdstad tot stand te brengen, en het betoonde een ongemeenen moed en ijver, door maatregelen aan te wenden tot het doen graven van een geheel nieuw kanaal met rijdweg, van daar langs _Kollum_ tot _Stroobos_. Vermits de uitvoering van deze groote onderneming afhing van het besluit der provincie _Groningen_ nopens het vervolgen van deze vaart, van _Stroobos_ tot de stad _Groningen_, vorderde de zaak niet spoedig. Onder begunstiging des Stadhouders werd zij echter van 1654 tot 1656 volbragt en voortgezet, waardoor de gemeenschap met het naburige _Groningen_ veel verbeterd- en het verkeer met _Dokkum_, mede als plaats van doortogt, zeer bevorderd werd.

Ook de steden _Bolsward_ (1652) en _Sneek_ (1662) sloten zich bij den trekweg van _Leeuwarden_ op _Harlingen_ aan. Van _Bolsward_ werd de trekweg verlengd tot _Workum_; ja zelfs zijn er octrooijen verleend tot het graven van eene vaart met trekweg van _Sneek_ en _Workum_ naar _Stavoren_, welke beide laatste plannen echter niet tot stand zijn gekomen. Aanzienlijke dorpen, als _Hallum_, _Rinsumageest_, _Kollum_ (1648) en daarna ook _Weidum_ (1688) trachtten zich tevens in het genot te stellen van zulk een verbeterd middel van vervoer en gemeenschap, door het aanleggen van zijtakken van hunne buurten naar de hoofdtrekvaarten. Voegt men hierbij, dat er te gelijk octrooijen werden verleend tot het leggen van eenen weg van _Dokkum_ naar _Damwoude_ (1649), en van eene vaart met weg van _Damwoude_ naar _Dokkum_ (1664), van eene vaart naar _Twijzel_ (1680) en naar _Driezum_ (1688), en van wegen door _Schoterland_ (1661), naar _Grouw_ (1671), van _Koudum_ over _Galama-dammen_ naar _Hemelum_ (1688) en vele andere meer[278],--dan zien wij in de laatste helft der 17e eeuw dit onderwerp met buitengewonen ijver behartigd, zoodat eene veel verbeterde gemeenschap met de hoofdstad en tusschen vele steden, dorpen en oorden daarvan het gevolg was.

[278] Zie breedere berigten deswege in de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 67, 423 en de daar aangehaalde stukken; alsmede op de genoemde jaren onder de Octrooien in het _Register op de Staats-resolutiën_ en vele daarvan in het _Charterboek_.

Was de oostelijke hoofdweg der provincie door het aanleggen van den Zwarteweg, reeds in 1531, veel verbeterd--de zuidelijke, van _Leeuwarden_ naar _Steenwijk_, had daaraan evenzeer behoefte. Tot _Roordahuizum_ den ouden zeedijk volgende, was hij in 1546 eerst langs _Friens_, later door _Rauwerd_ gelegd, om over _Irnsum_ en de _Oude Schouw_ naar _Akkrum_ te leiden. Nog grooter omweg moest men maken van daar tot nabij _Oldeboorn_ en dan naar _Terbandsterschans_, langs een kronkelenden weg, wiens vorm weinig van dien eener zaag verschilde. 't Was dus bij voorraad eene wezenlijke verbetering, toen Jhr. PHILIP FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN naast het grootste en slechtste gedeelte dezer beruchte _Haskerdijken_ een nieuwen en nagenoeg regten weg liet leggen. Hij deed dit in het zelfde jaar 1716, dat hij den hier vóór vermelden grooten polder in _Haskerland_ aanleidde, en bekroonde dit werk tot heil zijner grietenij in 1723, door van genoemden weg over het Deel (_de Nieuwe Schouw_) een geheel nieuwen weg te leggen naar het aanzienlijke vlek _Joure_, dat hem en zijn nageslacht zoo veel is verpligt.

Deze weg was van te meer belang, omdat een ander verdienstelijk Grietman, REGNERUS VAN ANDRINGA, van _Lemsterland_, welingerigte veerschepen had doen aanleggen van _de Lemmer_ op _Amsterdam_, _Zwolle_ en _Kampen_ (1703), alsmede een postwagen van _de Lemmer_ op _Groningen_ en daarna ook op _Leeuwarden_ (1740), waardoor hij mede het belang van eerstgenoemde zeeplaats, zoo veel aan hem verschuldigd, gelijk ook van _Joure_, als plaats van doortogt, bevorderde[279]. Behalve de vroeger genoemde, vinden wij overigens in de 18e eeuw niet verder gewag gemaakt, dan van het aanleggen van een rijdweg over de Ried door de _Trynwouden_ (van _Ryperkerk_ naar _Oudkerk_) in 1725, en van _Sondel_ naar _Takozyl_ in het zelfde jaar; alsmede van de Helomavaart onder _Oudetryne_ in 1748[280].

[279] _Charterb._ VI 394; _Reg. Staats-res._ 547, 550, 842; VAN SMINIA, _Grietmannen_, 358, 373; TE WATER, _Verbond der Edelen_, II 157.

[280] _Reg. op de Staats-res._ 550, 553.

_Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid._

Al deze onderwerpen staan zeker in zeer naauw verband met de verbeteringen, welke den stoffelijken toestand van _Friesland_ in dit tijdvak mogt te beurt vallen, en waarvan wij de voornaamste hebben opgenoemd. De ontwikkeling van de trapsgewijze vorderingen dezer vakken, onder den invloed van verschillende omstandigheden, zou een belangrijk tafereel opleveren, doch meer bronnen en ruimte vorderen, dan waarover wij kunnen beschikken. Men vergunne ons dus hier enkel aan te stippen, dat de Staten,--die in 1634 reeds een octrooi gaven op »de inventie om Bosch, Heide en andere sterile Landen te verbeteren," en die overigens wel gezind waren, om de bedijking van lage en buitendijksche landen, en het ontginnen van heidevelden aan te moedigen--het belang van den landbouw trachtten te bevorderen, door sedert 1634 bij herhaling op zware straf te verbieden, dat de mest, asch, vuil en aarde buiten deze provincie gevoerd wierden. Tot behoud en uitbreiding van de houtkultuur strekte tevens hunne bepaling, dat niemand twee eikenboomen zou mogen vellen, of hij moest er drie voor in de plaats planten (1673)[281].

[281] _Chartb._ V 651, 973.

In de eerste helft der 18e eeuw hadden landbouw en veeteelt in dit gewest met zware rampen te worstelen. De gevolgen der overstroomingen in 1701 en 1702, en daarna weder in 1717, hielden de lage streken jaren lang in kwijnenden toestand, bij hooge schattingen en lage prijzen van het vee. De veepest, welke eerst in 1713 woedde en in 1744 en 45 weder met zulk een geweld uitbrak, dat er alleen van November tot Julij 123,000 runderen stierven, bragt groote schade aan en had gewigtige gevolgen. Sedert men omstreeks 1720 meer algemeen invoerde, de graslanden te greppelen, te bemesten en het gras vroeger te maaijen[282], was de hooioogst aanzienlijker geworden, en gaf ook de uitvoer daarvan naar andere provinciën groote voordeelen; hoewel de Staten, door dien uitvoer somtijds te verbieden, pogingen deden, om het verbruik van het hooi in dit gewest zelf, door het aanfokken van meer vee, te bevorderen, ten einde daarvan voor eigene welvaart nog grooter en duurzamer voordeelen te verwerven.

[282] Men maaide eertijds niet vóór St. Jan (24 Junij), als het zaad begon te vallen, wanneer men met een stok tegen het gras sloeg. De reden, waarom het vroegere maaijen zoo veel verkieslijker is, is aangewezen in den _Almanak voor Landbouwers_, 1852, 14. Het meer verdeelen van de zeer groote stukken veldland door slooten, had bij het greppelen mede gunstige gevolgen. Het toenemen van de turfgraverij heeft ook het verbranden van den met ried vermengden mest, waarvan men dompen maakte, doen ophouden; terwijl de uitbreiding van den graanbouw mede de waarde van den mest deed stijgen.