Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 27
Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van toepassing,--zij is dit in het bijzonder op _Friesland_, waar de natuur zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van buitenlandsche hulpbronnen, waaraan _Holland_ vooral zijn aanzien en grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer lezers inzonderheid, bij de beschouwing van de ~voornaamste~ oorzaken en middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den Frieschen bodem is bevorderd.
_Aanwas. Bedijkingen._
Verlies van grond had _Friesland_ niet meer te betreuren sedert de groote veranderingen, welke in de 13e en 14e eeuw de Zuiderzee deden ontstaan. (Zie bl. 56-64 hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken, welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt werd.
De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd hadden, bleven, ook nadat _het Bildt_ van 1505-1508 door een zwaren zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschen _Dijkshoek_ en _Wierum_, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt, te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering daarvan geschiedde in 1580 en 1590 door het bedijken van den _Holwerder Wester- en Oosterpolder_ en den _Ternaarder-polder_, gezamenlijk ook _Nieuw-Dongeradeel_ genaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van het _Nieuwe Bildt_, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260 pondematen _Nieuw Munneke-Bildt_ onder _Ferwerderadeel_. De daarbij aangelegde _Nieuwe Bildtzijl_ werd echter reeds in 1655 gedamd, ten gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in 1715 de _Westelijke Bildt-pollen_, groot 444 morgen, en in 1754 de _Oostelijke Bildt-pollen_, groot 126 morgen, benevens het gansche _Noorderleeg_, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoorden _het Bildt_ en _Ferwerderadeel_ zóó gunstig, dat er tot heden, van _St. Jacobi-Parochie_ tot voorbij _Blija_, weder eenige honderden bunders vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van de _Bildt-pollen-Aanwas_, het _Noorderleegs-Buitenveld_, de _Keegen_ en de _Bokke- en Boere-pollen_[261].
[261] Zie meer uitvoerige berigten deswege in de _Nasporingen betrekkelijk de Middelzee_, 83, 97; _Charterboek_, III 1045; V 487, 489, 541, 1201; VI 163.
Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien de _Anjumer-_ en _Lioessenser-polder_ bedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandje _de Band_. Doch _Oost-Dongeradeel_, ten opzigte der aanslijking zoo gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en meer gewigtig gevolg voor gansch _Oostergoo_. Bezuiden deze grietenij stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan de stad _Dokkum_, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene sluis, in 1583 aldaar van _Oudzijl_, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel van _Dokkum_ niet enkel belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg. Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (_Chb._ IV 456, V 445), om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door bij _Engwierum_ in den wijden mond tusschen _Kollumerland_ en _Oost-Dongeradeel_ een dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen WILLEM LORÉ in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke gevolgen. Want door dezen nieuwen _Statendijk_ van een half uur gaans lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep tot _Dokkum_; de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing van _Oostergoo-_ en, na het uitgraven van het diep, ook voor de scheepvaart van _Dokkum_, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van elkander gescheidene, grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert de _Dokkumer Nieuwe Zijlen_ genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren, en werd in 1752 aan de noordzijde het _Engwierumer-Nieuwland_ met een zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting van _Kollumerland_, hetwelk reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte waardgronden van _Nieuw-Kruisland_, ten oosten waarvan in 1689 reeds weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de Buiten-Lauwers of de grenzen van _Groningen_ uitstrekte.
[262] De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de _Staats-resolutiën_ opgemaakt en met Prof. DE CRANE uitgegeven in het werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, Fran. 1835, bl. 39.
Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning, dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands nevens _Dijkshoek_[263], kunnen wij daar enkel gewagen van het _Workumer-Nieuwland_, vroeger een inham tusschen de steden _Workum_ en _Hindeloopen_. Reeds had Koning FILIPS II in 1557 WILLEM JANSZ., Burgemeester van _Enkhuizen_, toegestaan, om dezen »Inbochte van den Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt Kolderzijl, groot 300 mergen," te bedijken, toen de Staten van _Friesland_ in 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden aan _Workum_, dat de vergunning aan WILLEM JANSZ. bij overdragt had bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de buitenhaven van _Workum_, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren geslagen, te herstellen[264].
[263] Ten gevolge van aanslibbing werd de _Lunde-_ (of _Lidlumer_) _zijl_ bij _Koehool_, N. W. van _Tjumarum_, verstopt, en onder overeenkomst tusschen Gedeputeerden en de Regering van _Harlingen_, van 1584, naar deze stad overgebragt (_Charterb._ IV 504). Hierdoor ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een niet onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad.
[264] Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het _Charterb._ V 112, 172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; _Reg. Staats-res._ 538, 859; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 266; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 258; _Teg. Staat_, III 396; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 52. Het octrooi van 1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in het Prov. Archief, _Lands Dijkagieboek_, kopij 131-150. Het gezegde van WINSEMIUS, aan het slot zijner _Chronique_, dat Keizer KAREL reeds vroeger octrooi zou hebben gegeven, schijnt ongegrond.
Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij _Mirns_, bedijkt, welke den naam van de _Wielpolder_ verkreeg (_Chb._ V 1205). Verder oostwaarts werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen. Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van _de Kuinder_ en den watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid der aansluiting met den zeedijk van _Overijssel_, werd deze dijk niet langs de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van de zoogenaamde _Boedsteden_ tot _Slijkenburg_, en alzoo langs de plaats, waar eertijds de _Schoterzijl_ lag, welke reeds jaren te voren meer benedenwaarts naar _Slijkenburg_ aan de Linde was verlegd geworden. Bij deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van de _Schoterzijl_, gelijk de nieuwe zeewering dien van de _Statendijk_. Door dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid zeer bevorderd; terwijl _Friesland_ daardoor onafhankelijk werd van Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door een kadijk afgesloten[265].
[265] _Charterb._ VI 250-423; _Reg. Staats-res._ 187, 390, 733; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 265; _Teg. Staat_, III 542, IV 328.
Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken van _Zevenwouden_ hevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op. Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de zeeweringen genomen. (Zie daarover bl. 238 hier vóór.)
Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar, waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te schieten, doch waartegen 's lands Staten maatregelen van voorzorg in het werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar waren. Een kleine worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste gevaren duchtte. De gansche westkust van _Friesland_, van _Dijkshoek_ tot _Stavoren_, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing van dit kwaad van den Hemel af te smeeken.
Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet te beschermen door zware keisteenen, welke uit _Noorwegen_ aangevoerd- en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen van _Slaperdijken_ binnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicus LORÉ werd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van het _Workumer-Nieuwland_ tot aan den heuvel, waarop _Koudum_ is gelegen, en van daar over _Galama-dammen_ tot aan den hoogen grond van _Hemelumer-Nijeburen_. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen, welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten, werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche waterkeering, sedert de _Koudumer-Slaperdijk_ genoemd, van 180 voeten breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt, waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan het _Workumer-Nieuwland_, nog eene sluis gebouwd.
In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het dorp _Surig_, bezuiden _Harlingen_, met het doel, om het gevaar, waarin de vooruitspringende landhoek, het _Suriger-oord_, verkeerde, en de gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen, voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278 voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000 Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt van LORÉ aangelegd, die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden hervormd[266].
[266] Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand brengen der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds genoemde werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, bl. 59 env. waar achter ook de gronden voor den laatst geuiten wensch zijn medegedeeld.
Een niet minder gevaarlijk punt was destijds de _Lemsterhoek_, bewesten _de Lemmer_, dewijl men van eene doorbraak daarvan de schadelijkste gevolgen voor de _Zevenwouden_ had te duchten. Daarom werd er in het volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk, hoewel tot eene mindere breedte en hoogte, opgeworpen, en door deze afsnijding de veiligheid der zuidelijke streken niet weinig bevorderd[267]. Het plan, in dat jaar ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk te leggen, dóór de lagere streken, van _Hemelumer-Nijeburen_ tot aan het hoogere gedeelte van _Schoterland_, is echter wegens het afnemen van de verschrikkelijke wormplaag niet ten uitvoer gebragt.
[267] _Tegenw. Staat_, IV 328. Daar ik vele bijzonderheden van al de vermelde en andere speciale werken hier achterwege moet laten, zoo houde men mij deze kortheid ten goede, uithoofde van het plan en bestek van dit werk. Voor dit tijdvak heb ik slechts de hoofdpunten willen aanwijzen van eene Geschiedkundige Beschrijving van _Friesland_, welke ik gaarne uitvoerig en volledig zou willen behandelen, als het mij niet aan tijd en krachten faalde. Hartelijk wensch ik dus, dat een ander dit belangrijke onderwerp eens opzettelijk mogt bewerken.
Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning en verdediging tegen de wateren, welke _Friesland_ immer ~van buiten~ bedreigen, willen wij nu het oog slaan op de veroveringen, welke de nijvere landzaat ~van binnen~ op dit woeste element trachtte te behalen.
_Bedijkingen van Meren._
Waarschijnlijk wekte het voorbeeld van _Noord-Holland_, waarin men in den aanvang der 17e eeuw zoo vele groote meren bedijkte en droogmaakte, ook in _Friesland_ den lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613 gaven de Staten daartoe het eerste octrooi aan _Stavoren_ ten aanzien van den grooten plas, beoosten die stad gelegen, en wiens ondiepte hare scheepvaart niet weinig belemmerde. Dan, naauwelijks was daartoe octrooi verleend, of er deden zich bezwaren en geschillen op, welke _Stavoren_ trachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan vier Raadsheeren en eenige andere personen over te dragen (1620). Deze beloofden het meer in twee gedeelten te zullen bedijken en droogmaken, met daar tusschen een kanaal naar _Stavoren_ en vaarten naar _Warns_ en _Molkwerum_. Met groote moeite werd dit werk volbragt, en het _Stavorsche Noorder-_ en _Zuidermeer_, ieder ongeveer 200 morgen groot, in vruchtgevend land herschapen. Niet minder moeite was er aan verbonden, om dit land droog te houden, hetgeen in het eerste meer met één en in het laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden. Toen nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten worden, en Dr. BERNARDUS SCHOTANUS à STERRINGA, die in 1690 deze grietenij in kaart bragt, eene nieuwe soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij zoo veel water als met tien andere meende te kunnen uitmalen, behaagde het den eigenaren, hun regt aan hem over te dragen, en de Staten, om hem gunstige toezegging van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer droog te houden (1697). Nadat SCHOTANUS zich daartoe verbonden had met ERNST MOCKEMA VAN HARINXMA THOE SLOOTEN, Grietman van _Baarderadeel_, werd dit doel wel bereikt, echter niet zonder latere (tot heden voortdurende) subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden[268].
[268] WINSEMIUS, _Chronique_, aan het slot; _Tegenw. Staat_, III 292; _Charterb._ V 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 367, 473, 543, 546, 764; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 53.
In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers van meren zou vrijstaan, om tot het maken van dijken en ringslooten de omgelegene landen, tegen vergoeding, te gebruiken en bruggen en vaarten te verleggen. Dit strekte tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot wering van geschillen. In 1633 werd alzoo het _Cherne-_ of _Sensmeer_ met het daaraan verbondene _Atsebuurstermeer_, bewesten _Westhem_, bedijkt. Ook de droogmaking van het groote _Warregastermeer_ en van het kleine _Jornahuistermeer_, nabij _Warrega_, werd in dit jaar aangevangen. Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal vijftig jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden, werden er verleend, hoewel niet van alle is gebruik gemaakt. De laatste en voornaamste betroffen het _Wanswerdermeer_, groot 100 pondematen, in 1753; het _Hempenzermeer_ in 1779; het _Sillaardermeer_ onder _Kornwerd_ in 1778, om niet te spreken van kleinere meren, onder _Hallum_, _Ferwoude_, tusschen _Gaast_ en _Piaam_, bij _Surig_ enz.[269].
[269] _Charterb._ V 356, 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 321, 539, 540, 548, 553, 556, 632, 717.
_Polders._
Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling van den provincialen landbouw van nog grooter belang was het aanleggen van _Polders_. Landen, die ten gevolge van hunne lage ligging weinig vrucht gaven, of die bij de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten, te bemesten en met een watermolen droog te houden, veel verbeterd en tot duurzaam gebruik geschikt gemaakt; terwijl andere, enkel door eene zomerkade omgeven, alleen 's winters aan de overstrooming van het buitenwater bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in bijzonderheden treden waar en wanneer die bepolderingen in verschillende oorden hebben plaats gehad. Nogtans mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld laten: de _Tjaard van Aylva's-polder_ bij _Burgwerd_, in 1680 door de zorg van dezen Grietman van _Wonseradeel_, gelijk de _Greonterper-polder_, in 1714 onder zijn zoon en opvolger tot stand gebragt. De lust daartoe wakkerde aan na het uitvinden eener verbeterde zamenstelling van watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd (1718). Veel hadden de toen nog weinig ontwikkelde grietenijen _Haskerland_ en _Doniawarstal_ aan die bepolderingen te danken; vooral, omdat zij op eene groote schaal met onbekrompene zorg werden verordend door de uitstekende staatsmannen Jhr. PHILIP FREDERIK en Jhr. JOHAN VEGILIN VAN CLAERBERGEN, waarvan de eerste van 1707 tot 1738 Grietman van _Haskerland_ en de laatste van 1722 tot 1772 Grietman van _Doniawarstal_ was. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716 beoosten _Joure_ een polder aan, welke nagenoeg een derde van de oppervlakte dier grietenij omvatte; terwijl de laatste in 1731 den _Vegilins-polder_ onder _Langweer_ en in 1735 den _Boornzwaagster-polder_, te zamen groot 720 pondematen, mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 de _Tryegaster-polder_, bevattende 1000 pondematen onder de drie dorpen _Ouwsterhaule_, _Ouwster-Nijega_ en _Oldouwer_, werd aangelegd. Doordien bij dit laatste werk aan den Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd gegeven, en de meeste polderdijken met boomen beplant werden, was de herschepping van dit oord van zóó veel belang en bleken de voordeelen dezer ondernemingen zoo groot te zijn, dat ook andere voorname eigenaars werden aangespoord, dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en elders meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende moeite en kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid, weldra rijkelijk vergoedden. Dit alles te zamen genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van bijzondere en openbare werken, had een gunstigen invloed op de ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En mogt JANCKO DOUWAMA in 1514 van _Friesland_ getuigen, dat het in den winter »quaet was to _Lewerden_ to comen, met dat het landt al vnder het water lach,"--ook ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke schrede voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen voor te bereiden[270].
[270] Zie J. DOUWAMA'S _Geschriften_, 201, en omtrent het verder vermelde _Reg. Staats-res._ 3, 539, 546, 632; _Tegenw. Staat_, III 490, 492, 494, 501, 505, IV 491; V. SMINIA, _Grietmannen_, 350, 358; SCHELTEMA, _Staatk. Nederl._ II 388, _Wapenboek_ en _Stamboek_ in _Vegilin_.
_Groote Veenkanalen, Ontginningen enz._
Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch ten aanzien van het bedijken van meren en het bepolderen van landen was dit meer bijzonder het geval in de lager gelegene westelijke helft dezer provincie. Het veelal hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in een ander opzigt aandeel. De meeste grietenijen van _Zevenwouden_, grootendeels bestaande uit zandgronden en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan afgraving en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft zich daar, na het overwinnen van groote bezwaren, werkzaam getoond op eene wijze, waarover wij met regt verwonderd staan, als wij de schoone plaatsen _Heerenveen_, _Dragten_, _Beetsterzwaag_, _Gorredijk_, _Oudeberkoop_, _Balk_ enz. met hare lommerrijke omstreken als de vruchten eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. 't Zou een belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling van die plaatsen en oorden in bijzonderheden na te sporen. Hier kan ik slechts de hoofdtrekken daarvan vermelden, in verband met den aanleg van zoo vele vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het einde van dit hoofdstuk wilde behandelen.