Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 26

Chapter 263,561 wordsPublic domain

[248] BOSSCHA, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.; _Friesche Volks Almanak_, 1840, 104; N. YPEIJ, _Gedenkschrift van Coehoorn_, Fran. 1781; CHALMOT, _Biogr. Woordenb._ VII 129; KOK, _Vaderl. Woordenb._ X 366; _Levensbes. van Nederl. Mannen_, VII 169; MERKES, _Memorie over Coehoorn_, 's Hage 1825; VAN KAMPEN, _Geschied._ II 138; _Karakterkunde_, II 415; VAN LOON, _Historiepenn._ IV 342; VAN LEEUWEN in het _Friesch Jierboeckje_, 1829, 1.

Prins HENDRIK CASIMIR II, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke moeder, Prinses ALBERTINE AGNES, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15 jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als voogdes ter zijde stond[249], gelijk hij in AYLVA een uitstekend leermeester en voorganger vond in den krijg. Reeds op zeventienjarigen ouderdom woonde hij den slag van _Senef_ bij, en was, »ook in het dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen Opperbevelhebber WILLEM III, waardoor hij zich waardig toonde de spruit te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen van ORANJE op den Frieschen stam was overgeplant." Als Stadhouder, mede over _Groningen_ en _Drenthe_, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds edelmoedig jegens Prins WILLEM III, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen tegenstand uitlokte van _Frieslands_ Staten, die onverzettelijk bleven in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de troepen af te geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinses AMALIA _van Anhalt-Dessau_, werd haar niet enkel een geschenk van 100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den luisterrijken intogt te _Leeuwarden_, op den 19 Augustus 1684, een onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende dagen ten toon spreidde[250]. In 1690 aangesteld tot tweeden Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de veldslagen van _Fleurus_, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen veroverde op de bloem des Franschen legers, van _Steenkerke_ en _Neerwinden_. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 te _Leeuwarden_, algemeen om zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinses ALBERTINE AGNES, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14 Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuis _Oranjewoud_ overleed[251].

[249] Toen de Prinses in 1679 naar _Duitschland_ vertrok en haar zoon het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare "groote liefde, affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;" waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bij SYLVIUS, II 42. De regering van _Leeuwarden_ ontving bovendien een brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte. Zie _Geschiedk. Beschrijv._ II 298. Later keerde zij echter in _Friesland_ terug, en woonde meest op het _Oranjewoud_.

[250] Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene uitvoerige beschrijving van deze "Princelyke Inhalinge" bij SYLVIUS, II, 1684, 125.

[251] Zie over deze Vorst en Vorstin: _Charterb._ V 914, 1103, 1216, 1242; SYLVIUS, I 552, 653, _b_ 97, 178; _Regist. Staats res._ 46, 513, 587; KOK, _Vaderl. Woordenb._ II 507, XVI 606, XX 547; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 188; _Tegenw. Staat_, II 147; VAN KAMPEN, _Karakterk._ II 337, 405, 414; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 103, 168, 239, 240, 258; STEENBERGEN, _Lijkrede op Prinses Albertine Agnes_; VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 456; VAN HALMAEL in den _Friesche Volks-Almanak_, 1844, 182.

Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na, JAN WILLEM FRISO, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13e jaar de Hoogeschool te _Franeker_ kon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde hij deze met die van _Utrecht_, en wel op verzoek van Prins WILLEM III, die, zelf geene kinderen hebbende, den naam van _Oranje_ en de voortduring van zijn Huis in de _Nederlanden_ op dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel, als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven. De naijver van _Holland_ en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze, provinciën jegens _Friesland_ en zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, dat _Pruissen_ zich van een gedeelte der erfenis van _Oranje_ meester maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten, als uitvoerders van Koning WILLEM'S uitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen. Te vergeefs ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal (1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking ondervonden[252]. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen, maar door dappere daden verdienen.

[252] Zie die geschillen vermeld bij KOK, XVI 607; _Reg. Staats-resol._ 517.--"Holland was voor Frieschen invloed bevreesd", zegt GROEN VAN PRINSTERER, _Handboek der Vaderl. Geschiedenis_, 589.

Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703, eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsman VAN HEEMSTRA den eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en trouwelooze Koning LODEWIJK XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan 30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu, ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging, den oorlogsfakkel in de _Spaansche Nederlanden_ (_België_) geworpen, waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders ontmoette in Prins EUGENIUS _van Savoije_, die de troepen des Duitschen Keizers, en in den Hertog VAN MARLBOROUGH, die de verbondene Engelsche en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan men »de vrijheid van gantsch Europa" gelegen achtte, waren de Staten der Vereenigde gewesten, en wel bijzonder _Friesland_, eenstemmig gezind, tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen. Zij hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot 1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man bedroeg[253]. Ook _Friesland_ getroostte zich tot dat einde verbazende opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner krijgsoversten en soldaten met eere erkend. Reeds omtrent de vier eerste jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de volgende woorden: »Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare _Vriesen_ zo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de uitgepikte magt van 's Konings huis by _Ramillies_ gebrooken en vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn, zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke Vestingen, voor 't vuur van _Koehoorn_, de _Vriesschen Archimedes_, plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden na _Europa'as_ Vryheid, door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen _Franschen_ Dwingeland"[254].

[253] BOSSCHA, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen! GROEN, 588.

[254] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amst. 1706, I, 7e tafereel, 28.

't Mogt den jeugdigen Prins FRISO, hoezeer brandend verlangende naar den strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog aan de zijde van OUWERKERK bijwoonde, bijzondere blijken te geven van zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18 November 1707 met groote plegtigheid te _Leeuwarden_ was ingehaald, werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van _Friesland_ gehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid _Ameland_ (voor [f]175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap van _Groningen_ en _Drenthe_ verhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinses MARIA LOUISA _van Hessen-Kassel_, waarover groote vreugde werd bedreven[255].

[255] Zie _Reg. Staats-resol._ 343, 517; LAMIGUE, _Leven van J. W. Friso_, II 9, 30, 109, 117; KOK, XVI 682; _Tegenw. Staat_, II 376. Ook deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.

Inmiddels had de Prins in den slag bij _Oudenaarden_ (Mei 1708) zich de baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst viel hij het »door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en daarna door een stouten marsch in den rug", zoodat hij veel toebragt tot deze roemrijke overwinning. »De beslissende dapperheid, door _Frieslands_ jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van elken Vaderlandlievenden _Nederlander_"[256]. In het beleg van _Rijssel_, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen aanval. Ook _St. Amand_, _Doornik_ en _Gent_ hielp hij veroveren. Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken slag bij _Malplaquet_ (1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen bataljons, die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur in. »Voort, voort!" klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op de vijandelijke werken in, en, roepende: »volgt mij, mijne vrienden! hier is uw post!" plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt veroverd. Juist deze »voorbeeldelooze stoutmoedigheid," die persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed van _Oranje_, welke aan roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt, ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat hij de eenige Vorst was uit de huizen van _Nassau_ en _Oranje_, waarop de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem echter als door een wonder.

[256] VAN KAMPEN, _Karaktk._ II b 530: BOSSCHA, _Neerl. Held._ II 420.

Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in het laatst van October met Prins EUGENIUS _Bergen in Henegouwen_ had ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij _Douai_ en _St. Venant_, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711 ging hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij naar _'s Gravenhage_ geroepen tot vereffening van de geschillen met den Koning van _Pruissen_ over de erfenis van Koning WILLEM, werd hij door een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de kogelregen en het moorddadigste vuur bij _Malplaquet_ hadden gespaard--vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw op het Hollandsche diep bij den _Moerdijk_. Het geheele land betreurde dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een ACHILLES, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een noodzakelijk kwaad beschouwde;--eigenschappen, die aan JAN WILLEM FRISO de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen. Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van _Oranje_ het altijd wist te bezielen"[257].

[257] LAMIGUE, _Leven_, II 237, 266; VAN EFFEN, _de Misanthrope_, II 21; VAN KAMPEN, _Karakterk._ II 534; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 403-519; _Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen_, VI 154, 284, VIII 260; FERWERDA, _Wapenboek_, II. Acht dagen na 's Prinsen dood (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te _Dordrecht_ gebalsemd en naar _Leeuwarden_ vervoerd, waar het eerst den 25 Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld. toestonden.

Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen--zij betoonde zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September 1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd WILLEM CAREL HENDRIK FRISO te _Leeuwarden_ geboren. De Staten van _Friesland_ die zoo veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad," deelden nu evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van _Oranje_ en _Nassau_, waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige liefde en belang was verknocht geweest.

* * * * *

Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij 's Prinsen dood ten einde. De trotsche LODEWIJK XIV, die jaar op jaar zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen, den 11 April 1713 te _Utrecht_ werd gesloten. Die vrede, welke het vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte algemeene vreugde, die men ook in _Friesland_ aan den dag legde door het afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te _Leeuwarden_. Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de voortreffelijke staatsman SICCO VAN GOSLINGA, die tevens in den Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN, JOACHIM VAN AMMAMA en FREDERIK VAN GROVESTINS. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met ongehoorde stoutheid" in _Frankrijk_ een inval te doen, welke LODEWIJK, dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en huzaren, mede onder bevel van den Brigadier VAN GLINSTRA, trok hij door _Champagne_ en de Bisdommen _Metz_, _Toul_ en _Verdun_, legde in 48 dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch _Lotharingen_ beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259].

[258] Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heer J. VAN LEEUWEN in _de vrije Fries_, 1844, III 277. Ook BOSSCHA, II 469 env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het dorp _Dongjum_ versiert, met hoogen lof.

[259] Zie over de genoemde personen: VAN LEEUWEN, in _de vrije Fries_, V 245; BOSSCHA, II 325, 370, 458, 473, 536, 543; WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XVII 426, 466; VAN HAREN, _de Geuzen_, 10e Zang en Aant.; _Frisia Nobilis_, 114, 331, 335; _Stamboek_, I 144, II 84; VAN SMINIA, _Grietmannen_, 53.

Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch _Europa_ helden kon toonen, die den krijgsroem van _Nederland_ met nieuwen luister deden schitteren.--Dat _Friesland_ in de rij der Nederlandsche gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene wijze, zijnen alouden roem waardig--dit vermeldden wij voor de eer onzer provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.

De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.

38. _Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795._

De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen, bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht gevoelen.

Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon, trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de verte de graauwe zee, die ontzettende!"

[260] Ik bedoel den Göttinger Hoogleeraar F. LÜCKE, die met Prof. ULLMANN in 1847 _Nederland_ bezocht en zijne opmerkingen later mededeelde. In _de Tijdspiegel_ en vóór de vertaling van LÜCKE'S _Vredeleus_, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven.

»Ook dit land", dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid, nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven, verbindt,--juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en Geschiedenis elkander doordringen. Ja, 't is een soort van godsdienstig genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en gelukkig gevolg volbragt wordt."

Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard-en zijn historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!" roept hij onzen landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te bevestigen en den moed te verhoogen, ten einde bij voortduring aan deszelfs volmaking met ijver mede te werken.