Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 25

Chapter 253,505 wordsPublic domain

Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde van HIERONIMUS DE BLAU, Burgemeester van _Leeuwarden_, verzochten zij de goedkeuring en aanneming van deze punten, »die tot groot nut en eenigste behoud van het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld mogten worden."

Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten, die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der aanwezige leden _Leeuwarden_ zou mogen verlaten, en dat de overige leden op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de poorten gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning der gemoederen.

De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den 20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot afdoening. Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken. Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór de resolutie genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten hadden aangenomen[235].

[235] Zie _Charterboek_ V 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. van VITRINGA, wiens verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uit SYLVIUS, I 567 env.

Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan. Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of betrekkingen hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde, en op den bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd, door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig »geintroduceerd", als 's lands hoogste en souvereine magt. Dan, al dadelijk rees er verschil, _wie_ de geloofsbrieven der nieuwe leden moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot, waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette.

Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen, dat de nieuwe Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten, dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden als 's lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan de vergadering onthield.

Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu zich hevig beklaagden, dat zij binnen 's tijds wederregtelijk uit de regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich »de olde en wettelycke Regeringe deser Provintie" noemden, een Landsdag van al de vroegere Staten te _Sneek_ uit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt, alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen Gedeputeerde Staten zich naar _Sneek_ te begeven, nadat de regering van _Leeuwarden_ geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.

Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat, terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers, indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe Staten te _Leeuwarden_ hadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen. Dit was echter niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag te _Sneek_ niet erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te bewegen ter vergadering te verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was. Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn: want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve van den vrede te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de volksgunst, enkel tot steun de Regering van _Leeuwarden_, terwijl de partij van het behoud, of de oude Staten te _Sneek_, gesteund werd door den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde. Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar 1672.

* * * * *

Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der Vereenigde _Nederlanden_ hunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar _'s Gravenhage_ opzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de gemeene rust aanklaagden[236]. Daarom wilden zij veeleer de bemiddeling van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was, en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden herwaarts te zenden. Het waren de Heeren R. VAN MOLENSCHOT, Pensionaris van _Dordrecht_, wegens _Holland_, M. VAN CROMMON, wegens _Zeeland_, en JOHS. EECK, wegens _Groningen_, die in last hadden, »om de ontstane onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te leggen" niet alleen, maar ook, »om de Staten serieuselyck te versoeken ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft, waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten, defectueus was gebleven"; terwijl zij vast besloten waren, niet te vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren.

[236] Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in het _Charterboek_, V 888, 892, 931 env.

Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen, reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden bedwongen. Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag te _Leeuwarden_ was beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch alles te vergeefs: »alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende Ingesetenen des Landts"[237].

[237] VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 706.

Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en _Friesland_ op nieuw eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der Staten-Generaal, door de onderliggende partij van _Sneek_ slechts begeerd, doch door die van _Leeuwarden_ steeds afgekeerd en vermeden, had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag te _Sneek_ bereids in zich zelven was te niet gegaan. Reeds den 7 Maart werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden deze een Reglement en 97 »Poincten Reformatoir" in, bevattende uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, »op dat de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten, dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen worden weggenomen ende uytgewischt."

Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de welmeenende ingezetenen des lands[238].

[238] Zie deze stukken in het _Charterb._ V 957, 959 env. Ook zijn ze afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in het _Recueil van Reglementen_ enz. gedrukt te _'s Gravenhage_ in 1678, toen er over de nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.

* * * * *

Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig gevolg de dappere WILLEM III de Franschen op de Hollandsche grenzen wederstand had geboden, terwijl de RUYTER ter zee de Engelschen met roem bestreed--de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk. Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop van _Munster_ met versche benden herwaarts zou optrekken, om het verlorene _Koevorden_ te herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, dat TURENNE met eene groote magt naar _Friesland_ zou oprukken. Daarom trachtten de Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60 jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prins JOAN MAURITS _van Nassau_ herwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij en voetvolk, die tot versterking van _Heerenveen_ en _Joure_ gebruikt werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om een aanslag op _Koevorden_ te wagen, waarop hij zich dadelijk naar _Groningen_ begaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde vesting en de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelastte hij hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken; terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden. Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden en grietenijen hadden gebragt[239].

[239] Zie _Charterb._ V 946, 973, 977, 983, 985, 988.

Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was, en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was gestreden; ook had Prins MAURITS den 2 Julij vier regimenten voetvolk en een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier te _Staphorst_ aangetast, waarna AYLVA te vergeefs een aanval op _Zwartsluis_ waagde:--doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken[240].

[240] SYLVIUS, _Historien_, I 635, 636.

De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en schade geleden te hebben, wilde echter de verovering van _Friesland_ beproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen te _Steenwijk_ eene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op 8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15 Augustus rukt hij daarmede langs verschillende wegen op _Friesland_ aan. Op het eerste berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met den vijand, van _Wolvega_ terug tot _Heerenveen_, welk hoofdkwartier Prins MAURITS, Prins HENDRIK CASIMIR en AYLVA tot het uiterste wilden verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de burgers van _Leeuwarden_, _Sneek_, _Franeker_ enz. reeds den volgenden nacht naar _Heerenveen_ vertrokken. Na de schansen van de _Blessebrug_ en _Bekaf_ genomen te hebben, trok de vijand de _Stellingwerven_ in tot _Oudeschoot_. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, om _Heerenveen_ te overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven of te verwoesten. Vooral _Wolvega_, _Oudeberkoop_ en _Makkinga_ hebben daarbij veel geleden. Ondanks het bekomen van versterking uit _Steenwijk_, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot verlies naar _Zwolle_, _Zutphen_ en _Arnhem_ terugtrokken. Eerst nadat de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door den Bisschop zoo lang en fel benarde _Koevorden_ te ontzetten, hetgeen in het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind, gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren[241]. (Zie _Aanteekening 25_.)

[241] Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men in de belangrijke werken van dien tijd: _Holl. Mercurius_, 152, en _d'Ontwaekte Leeuw_, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15, 46, 47 env.; SYLVIUS, I 653; zie ook VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 254.

* * * * *

Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding van _Friesland_, hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen oude moed en trouw had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder hunne heerschappij te brengen.

»Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige _Friesland_, van alle eeuwen vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld ongenaakbaar bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen"[242].

[242] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amsterdam 1706, I, 7e tafereel, 1, 7.

* * * * *

Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en vrede. Er werden daartoe met _Munster_, _Keulen_, _Engeland_, ja zelfs eerlang ook met _Frankrijk_, en wel bij herhaling, verdragen gesloten, doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV hield ons land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den vrede van _Rijswijk_ (1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe gelukkig, dat _Nederland_ gedurende al die jaren in den, eerst lang vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins WILLEM III een staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen.

Ook _Friesland_, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,--ook dit gewest bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die den _Prins van Oranje_ krachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen. DE RUYTER vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onder BANCKERS vereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen »met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten"; een krachtigen steun[243]. De dappere JACOB BINCKES, geroemd als »een voorsichtig soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van grooter verwachtingen," mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in de _West-Indien_ roemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op de Franschen behalen, na »een der hardnekkigste gevechten, waarvan de Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt"[244]. De belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als WILLEM VAN HAREN, ALLART PIETER VAN JONGESTAL, HANS VAN WYCKEL, PIBO VAN DOMA, MATTHIJS, ASSUERUS en GYSBERT VAN VIERSSEN, ISAAC DE SCHEPPER en anderen[245], waarvan de eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA (hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld), MENNO _Baron_ VAN COEHOORN en de Stadhouder HENDRIK CASIMIR II in den strijd voor het vaderland.

[243] Zie de voorbeelden daarvan bij DE JONGE, _Zeewezen_, III _a_ 130, 150, 269, 292.

[244] Behalve het vroeger aangehaalde uit DE JONGE, op bl. 259, blijkt dit uit veelvuldige plaatsen in het 3e dl. 1e en 2e st. van zijn voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere bijzonderheden kan mededeelen. Ook SYLVIUS, I, 14e bk. 341, 348, 15e bk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden van BINCKES.

[245] Zie over dezen SCHELTEMA, _Staatkundig Nederland_, het _Wapenboek_, het _Stamboek_, het _Charterboek_ enz.

AYLVA, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt verwerven, wist in den slag van _Senef_ (1674) »door uitstekende dapperheid zijn reeds verkregen »roem loffelijk te handhaven," en dien bij de belegering van _Keizersweerd_ en _Bonn_ en inzonderheid vóór en in den slag van _Fleurus_ (1690) te vergrooten. Als een der voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns levens het opperbevel over de Staatsche troepen in _Braband_ opgedragen[246]. COEHOORN, die zich in 1673 bij de belegering van _Maastricht_ als Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde, en vóór _Grave_[247] en in den slag van _Senef_ aan zijn heldenmoed de bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen Ingenieur VAUBAN. In den slag van _Fleurus_, waar hij »boven andere Nederlanders uitmuntte"; bij de roemrijke verdediging en daarna herneming van de sterke vesting _Namen_ (1692, 1695); door de versterking van _Groningen_, _Koevorden_, _Nijmegen_ en _Bergen op Zoom_; door de verovering van _Luik_ (1702), van _Bonn_ (1703) en andere schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands[248].

[246] SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, dat aan hem werd opgedragen, I 287, 562 env. III, 1691, 51; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 166, 232, 240, _Bijlage_ 9 env.; _Friesche Volks Almanak_, 1841, 62.

[247] Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche Luitenant LAURENTIUS DE BLAU, bij een aanval doodelijk getroffen, door zijne achttienjarige jongevrouw, ANTJE TJEBBES TJEBBINGA, met veel onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats gebragt en naar _Leeuwarden_ vervoerd, om hem bij zijne vaderen te doen rusten. Zie FERWERDA, _Wapenboek_, I in _de Blau_. Ook BOSSCHA, II 193 vermeldt dit en Mr. VAN HALMAEL bezong dit blijk van huwelijkstrouw in den _Alm. v. 't schoone en goede_, 1837.