Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 23

Chapter 233,329 wordsPublic domain

Terwijl het vaderland aldus van ~buiten~ bedreigd werd door een geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het van ~binnen~ verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet behoeven terug te wenschen[211].

[211] Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid, veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen "dát schadelyck geboefte," als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de lijkmaaltijden. Zie die stukken in het _Charterb._ V 651, 653, 661, 662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de woorden van HORATIUS VITRINGA in zijne MS. _Memoriale Annotatien_, I 262:

"De Staten van _Frieslant_, insiende het schandelyck en godtloos misbruick van 't suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat meer,--hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een gravamen van 't Classis van _Leuwaerden_, in desen jare op het Synode alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden, dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., 't appliceren 1/3 part voor den aenbrenger, 1/3 part voor den Officier en 1/3 part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft genomen." Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683 tegengesproken. Zie _Charterb._ V 1213.

Zoo werden de steden _Leeuwarden_ en _Franeker_ in 1657 grootelijks verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden meester gemaakt. Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder en de Staten bevredigd[212]. Een ander misbruik dier dagen was het verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste som daarvoor aanboden, opdroegen. Het misnoegen hierover, in 1662 op nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen strenge verbodsbepalingen uitvaardigden, en eene boete van 100 gouden Rijders op de overtreding daarvan vaststelden[213].

[212] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 93; _Charterb._ V 592, 595, 604, 606, 608, 609; _Tegenw. Staat_, II 169, 468.

[213] VITRINGA, I 271; _Charterb._ V 666, 667, 679, en AITZEMA, X 524, die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis!

Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prins WILLEM FREDERIK _van Nassau_, bezielde. Groot was dus het verlies, toen deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf. De Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd, overtuigd van zijne »loffelycke, meriten, treffelycke daden en singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen," huldigden zijne nagedachtenis mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15 December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld bestreden[214]. Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze waardigheden op zijn 20e jaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot gesteld werd van het traktement. Zijne opvoeding droegen zij zijner moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinses ALBERTINE AGNES, op, en deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn[215].

[214] Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prins JOAN MAURITS _van Nassau_ het ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug in _Franeker_, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling. Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan den naam van de Mauritsbrug ontving. AITZEMA, 823.

[215] VITRINGA, _Memorien_, I 388; _Charterboek_, V 616, 738, en vooral uitvoerige berigten in AITZEMA, XI _a_ 75-131; SYLVIUS, _Vervolg_, II 43; N. ARNOLDUS, _Vorstelijke Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden_, Leeuw. 1664, 19; WAGENAAR, XIII 97; _Reg. Staats-res._ 513.

* * * * *

Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten. Een geweldige storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken en eenen watervloed, zoo als _Friesland_ sedert 1570 niet had ondervonden[216]. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666)[217]. De oorlog met _Engeland_ (waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen, onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel ter zee, ook te land werd _Nederland_ gelijktijdig aangevallen en wel aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtige CHRISTOF BERNHARD VAN GALEN, Bisschop van _Munster_, achtte zich door onzen Staat beleedigd, viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de _Dijlerschans_, waaruit hij echter door onzen Stadhouder WILLEM FREDERIK werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte van _Gelderland_ en _Overijssel_, en, na het winnen der schans van _Rooveen_, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen van _Friesland_ (1665). Groot en algemeen was daarover hier de ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de Veldmaarschalk JOAN MAURITS _van Nassau_ weldra over zee herwaarts, stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die door _Drenthe_ in _Groningerland_ was getrokken, met zóó gunstig gevolg, dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede met den Bisschop werd gesloten[218].

[216] VITRINGA, _Memorien_, I 432; AITZEMA, XI _b_ 1039.

[217] Ook onzen dichter GYSBERT JACOBSZ. met vrouw en zoon. Zie HALBERTSMA, _Hulde_, II 299.

[218] VITRINGA, I 430; BOSSCHA, II 18; AITZEMA, XI _b_ 1034 env. Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voor _Friesland_ in 1666 [f]263,000 per maand of [f]2,178,000 in het jaar.

_De Oorlogen met Frankrijk._

Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld met _Engeland_ tot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,--geene drie jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot in den hooghartigen en oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV, Koning van _Frankrijk_, die het evenzeer te doen was om de _Spaansche Nederlanden_ (_België_), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man binnentrok. Wel scheen het drievoudig verbond tusschen _Nederland_, _Engeland_ en _Zweden_, gelijk ook de vrede van _Aken_ (1668) aan den voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,--men bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde van DE WITT ook vele gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien, gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen »oyt couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in 't velt te durven komen." De uitslag was echter geheel anders.

De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo vele grieven jegens _Nederland_ meende te hebben; de krijgshaftigheid zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten--en daar tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst der vijandiggezinde naburen--dit alles begunstigde zijn toeleg, om _Nederland_, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wist LODEWIJK eerst het drievoudig verbond te ontbinden, _Engeland_ en _Zweden_ aan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te verzekeren van den Keurvorst van _Keulen_, van de Bisschoppen van _Munster_ en _Osnabrug_ en van den Hertog van _Brunswijk-Lunenburg_. Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten van _Nederland_, dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en hoe zeker de ondergang des lands ook scheen--onze vaderen vertsaagden niet, wapenden zich moedig en vertrouwden den uitslag aan God, dien zij in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten.

* * * * *

Nadat _Frankrijk_ en _Engeland_ op den 7 April 1672 aan _Nederland_ den oorlog hadden verklaard, trok LODEWIJK XIV in persoon aan het hoofd van een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met oogmerk om _Holland_ in eens binnen te dringen en de republiek in den hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend was dat leger, door veldoversten als CONDÉ, TURENNE en DE CHAMILLY aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk den twee-en-twintigjarigen Prins WILLEM III het opperbevel over het krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen _Overijssel_ binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond LODEWIJK op onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had gekozen bij het Tolhuis, niet ver van _Lobith_ en de Kleefsche grenzen, had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de smadelijke vernedering des vaderlands.

Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de _Betuwe_, DE MONTBAS, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had verlaten, werd de Veldmaarschalk WIRTZ door den _Prins van Oranje_ naar den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier regimenten ruiterij van KINGMA, HAERSOLTE, LA LECQ en JOSEPH, en ontmoette hier het regiment voetvolk van AYLVA. DE MONTBAS had dit laatste doen aftrekken naar _Nijmegen_. De bevelhebber dezer vesting, overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen echter terug, en, nadat ze op nieuw naar _Nijmegen_ waren gezonden, wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219] aankwamen op het oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van WIRTZ trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren. Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval, doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment van AYLVA, dat WIRTZ krachtig had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te vragen. CONDÉ staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij? Daar vliegt de Hertog DE LONGUEVILLE, wien nog geene gelegenheid tot eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren (waarschijnlijk afgezonden om te vernemen, of men zich aan 't woord des Generaals houden mag) door DE LONGUEVILLE met eene pistool treffen, en nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te vatten.

[219] De _Hollandse Mercurius_, 72, zegt zelfs, dat het "schoone Regiment van ALUA van 't geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt de Spaensse Nederlanden na 't Leger, van daer na Nimwegen, van Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder van daer na de Rijnkant."

In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten, die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook waren, zij treffen zeker. DE LONGUEVILLE, de aanvoerder, de volle neef van CONDÉ, stort terneder. Aan zijne zijde valt GUITRI, Grootmeester der koninklijke garderobe; de Graven DU PLESSIS, DE THEOBON, de Heeren BOURY, D'AUBUSSON, DE LA FORCE, DE LA SALLE--allen vinden hier hunnen dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.

CONDÉ, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende, vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad te stuiten. Een onzer officieren, OSSENBROEK of HASEBROEK, trekt de pistool, mikt op CONDÉ, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond, die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken furie als desperate menschen op dese Vriesen aan, die vigoureuse Resistentie bieden." Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun leven duur verkoopen. LODEWIJK ziet het verschrikkelijke lot der zijnen, en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik, waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan menige veldslag.

Van het schoone regiment VAN AYLVA bleef ten laatste, na langdurige worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins ANDRIES VAN VELSEN en DUCO VAN HEMMEMA; vijf Luitenants: DOUWE VAN EPPEMA, HAJO TWINGBERGEN, BARENT HEKMAN, BAVIUS ROMMEDA en JOH. BECHIUS; drie Vaandrigs: FREDERIK VAN OCKINGA, TARQUINIUS BEINTEMA en JAN DUDEN, met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar _Emmerik_ gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijken DE MONTBAS niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen--gewis zij zouden als LEONIDAS met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.

Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland van groot gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van _Nederland_ als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat CONDÉ hier de eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen, waardoor hij langer dan twee maanden te _Emmerik_ aan zijne legerstede geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met 20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard, regelregt op _Amsterdam_ aan te rukken, en deze stad, van waar alle verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen, om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en bescherming,--ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren! (Zie verder _Aanteekening 24_.)

[220] VALKENIER, 458, zegt duidelijk: "Door dese quetsure van CONDÉ bleef de groote Resolutie, om op _Amsterdam_ te gaan, geheel achter, en wierden de concepten geheel verandert." Ook Kapitein W. J. KNOOP, in zijn belangrijk stuk: _de Verdediging van Nederland_, in _de Gids_, 1851, 317, houdt het voor "zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland verloren."

Bij het voortrukken van de Franschen had Prins WILLEM III _Overijssel_ verlaten en zich naar _Holland_ begeven, ten einde de oostelijke grenzen dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te gelijk den Luitenant-Generaal HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA met zijne overige benden naar _Friesland_ gezonden, ten einde zich geheel te wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze te _Leeuwarden_ aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de Munstersche en Keulsche benden zich door _Drenthe_ naar _Koevorden_ en _Groningen_ hadden gewend en op de grenzen stonden van _Friesland_. Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos; het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.--In plaats van vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat, door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken, den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en verwachtte ieder oogenblik den vijand.