Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 22
De afgevaardigden van _Holland_, stelden alle moeite in het werk, om _Friesland_ dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden, HAUTBOIS en VAN WYCKEL, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig deden de Friezen het regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van _Holland_, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen. Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer VAN BREDERODE was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen _Amsterdam_ ook bij _Holland_ in ongenade gevallen.--Zóó ijverden de verbroederde gewesten tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen lands bedreigde.
_De Engelsche oorlogen._
Hevige burgertwisten in _Engeland_ hadden in 1649 ten gevolge, dat Koning KAREL I, de schoonvader van Prins WILLEM II, onthoofd- en dit rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van OLIVIER CROMWELL. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen _Nederland_, dat den verdreven koningszoon KAREL II had opgenomen, en welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich met die zeemagt te meten--voor ons land was een oorlog onvermijdelijk; vooral, nadat CROMWELL onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt door de _acte van navigatie_ (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd verboden, hunne waren binnen _Engeland_ te voeren, ten zij met Engelsche schepen. Vanhier, dat de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zou _Holland_ 38, _Zeeland_ 9 en _Friesland_ met _Groningen_ 3 leveren; van de laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de _Maas_, van _Zeeland_ en het _Noorder-kwartier_ (_Noord-Holland_) ieder 16-1/2, _Friesland_ met _Groningen_ 17-1/2 en _Amsterdam_ de overige 33 schepen bekostigen[193].
[193] DE JONGE, _Geschiedenis van het Ned. Zeewezen_, II _a_ 30 env.; WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 232 env.
Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had _Friesland_, in vereeniging met _Groningen_, in 1596 een eigen _Collegie ter Admiraliteit_ verkregen, hetwelk te _Dokkum_ was gevestigd. Dan de minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later, toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645 volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar _Harlingen_, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging, ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad, welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen, verwachtte men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en handel van _Harlingen_ zelf scheen deze verplaatsing van zulk aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting, waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2 millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie. De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken, bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in 1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000 Gld. toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat _Friesland_ het zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.
[194] _Charterboek_, IV 896, V 330, 477, 485, 486; _Reg. op de Staats-resol._ 10, 205, 313; _Tegenw. Staat_, III 13.
[195] _Charterboek_ V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering van _Harlingen_ reeds in 1644 bij acte had aangenomen, "omme de Heeren Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en packhuysen."
[196] _Reg. Staats-resol._ 13; DE JONGE, _Zeewezen_, I 280, 281; II _a_ 346, II _b_ 31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.
Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen, die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden. Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde MICHIEL ADRIAANSZ. DE RUYTER zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in 's lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30 schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de Engelschen,--op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf, de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze was DOUWE AUKES, bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten oorlog waren toegerust, de _Struisvogel_ of _Vogelstruis_ geheeten, gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van DE RUYTER zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26 Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal GEORGE AYSCUE, die 40 schepen onder zich had, bij _Plymouth_ pas begonnen, toen bovengenoemd schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf, die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen, ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten, wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik in de hand hebbe." Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post. »En den valjanten DOUWE, die een Stuck op den Overloop hadde staen, waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; DOUWE trefte die als de eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen (dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;" waarna onze dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit den drang te geraken en zich bij 's lands vloot te voegen[197]. In den avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en DE RUYTER, verwonderd over den uitslag van dezen strijd tegen zoo groote overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan verkrijgt men de overwinning"[198].
[197] Van dezen DOUWE AUKES zijn geene andere bedrijven of levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste Engelschen oorlog de zee en werd koopman te _Amsterdam_, waar hij bij den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot 's lands vloot als Zeeraad te dienen. Zie BRANDT, _de Ruiter_, 398. De _Holl. Mercurius_, 1666, 169 noemt hem, die verder niet bij BRANDT voorkomt, "een van de beste Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als ervarentheyt," en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot Luit.-Admiraal, in plaats van TJERK HIDDES.
[198] Ik ben het verhaal gevolgd in den _Hollantsche Mercurius_ van 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met BRANDT, _Leven van de Ruiter_, Amst. 1701, 27 en DE JONGE, _Zeewezen_, II _a_ 53.
Nadat JOHAN DE WITT in 1653 Raadpensionaris van _Holland_ was geworden, deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654 gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen. Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke zeevoogden DE RUYTER, CORN. TROMP, DE WITH, VAN WASSENAAR en anderen grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee en de verdediging van _Denemarken_ tegen _Zweden_ (1655, 1659), door het straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog met _Portugal_ (1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart en buitenlandsche bezittingen. KAREL II, die in _Holland_ zoo vele blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deed _Nederland_, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging over zulk eene handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon strekken. De Staten van _Friesland_ waren thans meer dan ooit gezind, het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. »Nu ontwikkelde ook de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende en uitmuntendst bemande van 's Lands vloot gerekend werden[199]; waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven en zelfs te vermeerderen. Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige overtrof. Nu meenden de Staten van _Vriesland_, daartoe aangespoord door hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers in _Holland_ en _Zeeland_ gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinen AUKE STELLINGWERF, RUDOLF COENDERS en HENDRIK BRUYNSVELT"[200].
[199] "Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionaris J. DE WITT, in een' zijner brieven aan de Algemeene Staten."
[200] DE JONGE, _Zeewezen_, II _b_ 32, 105. Waar het mogelijk is, wil ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient.
Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5e eskader, dat uit 14 Friesche en Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met 's lands vloot, welke door de zorg der Admiraliteiten en van DE WITT tot eene ongemeene sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869 stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den Luitenant-Admiraal JACOB VAN WASSENAAR OBDAM in zee. Doch tegen alle verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met zijn schip in de lucht vloog,--de wakkere Admiraal KORTENAER gevallen en ook onze Admiraal STELLINGWERFF gesneuveld en diens schip, de Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de vaderlandsche havens terugkeerde. Vele kapiteins werden wegens pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was TJERK HIDDES DE VRIES van _Sexbierum_, die, als Kapitein van het schip: de Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander doorzigt onderscheiden hebbende[201], dadelijk in STELLINGWERFF'S plaats tot _Luitenant-Admiraal van Friesland_ werd aangesteld. Met weergalooze kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraal DE RUYTER, die, pas uit _Amerika_ in het vaderland teruggekeerd, onzen DE VRIES het bevel over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig en moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe buitengewone heffingen en geldleeningen te doen[202].
[201] Zie een belangrijken brief van hem bij AITZEMA, XI _b_ 919; WAGENAAR, XIII 147 env.; DE JONGE, II _b_ 180, 247, 281 env.
[202] Resol. van Gedeputeerden; _Reg. Staats-res_. 13, 206; _Chartb._ V 747, 749, 750; VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 412 env.
Werkelijk stak DE RUYTER den 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder het bevel van TJERK HIDDES, die nu het schip _Groot Frisia_ voerde. Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin laatstgenoemde zeeheld, nadat EVERTSEN gesneuveld was, veelvuldige blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij »een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel der overwinning toekwam"[203]. Mede onderscheidde zich zijn Schout-bij-nacht HENDRIK BRUNSVELDT, van wien gemeld wordt, dat hij »sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraal GEORGE ASCUE ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo gheseght soo gedaen wierdt, nemende de valjante BRUNSVELDT, eer hy eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte hun beyde tot syn ghevangens." Niet genoeg bezet en daarna bevrijd, werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapitein PAAUW ten tweeden male vermeesterd[204].
[203] _Memorien van den Grave de Guiche_, bl. 262 en 277 van het orig. en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam van TJERK HIDDES naar zijne Fransche uitspraak KIERKIDES, welke spelling ook de schrandere vertaler behouden heeft.
[204] Ik vond dit verhaal (bij DE JONGE, II _b_ 282 en in het officiëel verslag in den _Holl. Mercurius_, 90 slechts kort vermeld) in een oorspronkelijk _Zee-Journael_ van dien togt, zoo als die destijds, bij gemis van Couranten, te _Amsterdam_ en elders werden gedrukt en onder den naam van _Nieuwe Tijdingen_ verspreid.--In 1663 hadden Gedeputeerde Staten hier een vasten _Post_ opgerigt, tweemalen ter week van _Leeuwarden_ op _Zwolle_ en verdere plaatsen. Het _Huis Benthem_ was hier het eerste Postkantoor en JETSE STIENSMA de eerste Postmeester. _Charterboek_, V 693, 707.
Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning, welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4 Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min gunstige omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de Luit.-Admiralen JAN EVERTSEN en TJERK HIDDES DE VRIES, had de voorhoede, viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal COENDERS, in het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. »Hierdoor van hunne voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid." Terwijl nu de voorhoede wijkt, verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de vijand met des te meer geweld op den middeltogt van DE RUYTER aan, die, eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn stouten togt naar _Chattam_ de smet dezer nederlaag uit, en werden de Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar te _Breda_ werd gesloten[205].
[205] DE JONGE, II _b_ 336, 344 env.; WAGENAAR, XIII 210; _Holl. Mercurius_, 115; AITZEMA, XII 97; BRANDT, 515.
Voor _Friesland_ vooral was het sneuvelen van den voortreffelijken TJERK HIDDES DE VRIES een groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche Admiraliteit getuigde van hem[206], »dat hij begaafd was met vele uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van prompte expeditie." DE RUYTER schatte hem zóó hoog, dat hij niemand waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dan DE VRIES, van wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij »als een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk" geroemd. Ook 's lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te _Harlingen_, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen[207].
[206] DE JONGE, II _b_ 353; III _a_ 417. Zijne beste levensbeschrijv. is die in de _Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen_, Amst. en Harl. 1776, III 1; KOK, XXX, 36; BRANDT, _de Ruiter_, 401, 407, 419, 423, 424 env. Zie verder _Aanteekening 23_.
[207] Deze zoon, TJERK DE VRIES, ook in 's lands zeedienst opgeleid, stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op 's lands oorlogsschip: de Brack op een terugtogt van _Engeland_.
Tot opvolger van DE VRIES werd niet de vroeger zoo loffelijk vermelde DOUWE AUKES gekozen, maar een edelman, HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man, die wel in 1667 den togt naar _Chattam_ mede maakte, doch een land- en geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming van _Friesland_ aan land bleef[208].
[208] Zie over AYLVA als Luit.-Admiraal: BRANDT, 558, 573, 585, 589, 590, 594, 598, 599, 644, 646; DE JONGE, II _b_ 421; III _a_ 51, 124.
Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde _Friesland_ slechts een fregat en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij 's lands vloot. Ook werd er in AYLVA'S plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te verdedigen, geldgebrek, verschillen met _Groningen_ en tusschen de Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende onverschilligheid omtrent _Frieslands_ belang bij eene zoo talrijke vloot--ziedaar zoo vele redenen, »waardoor de Vriesche zeemagt, welke in den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed had, van hare kortstondige grootheid verviel"[209].
[209] Zie deze redenen breeder ontwikkeld bij DE JONGE, III _a_ 204.
In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald, bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onder BANCKERS vereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze verdient eene eerste plaats de uitmuntende Kapitein JACOB BINCKES of BENCKES, van _Koudum_, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar de _West-Indien_ gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673 met EVERTSEN in _Virginië_ grooten buit op de Engelschen behaalde, _New-York_ of wel geheel _Nieuw-Nederland_ op de Britten veroverde, en eindelijk »het eiland _Tabago_ tot het schouwtooneel maakte eener dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf"[210].
[210] Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen is DE JONGE zóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie III _a_ Inl. XII, 30, 345-366, 415, III _b_ 49, 275-363.
* * * * *