Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 21

Chapter 213,269 wordsPublic domain

Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke personen, was de zorg voor het hooger onderwijs en het bestuur van de Akademie opgedragen, overeenkomstig de Resolutiën, door de Staten deswege genomen. Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofd van dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund. Door het verordenen van gepaste maatregelen, goede inrigtingen en eene voorzigtige keuze van personen tot Hoogleeraren, hebben deze Curatoren gedurende ruim twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der Akademie te _Franeker_, »de kweekschool van groote mannen voor _Nederland_"[179].

[179] In VRIEMOET, _Athenæ Frisiacæ_, Leov. 1758, komt eene Lijst voor van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in het vervolg nader worden gesproken.

_Het Jagtgeregt._

Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman als _Houtvester en Pluimgraaf_ door de Staten bekleed met de regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt, de Visscherij, het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen, voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden. In 1748 werd echter de Prins Stadhouder aangesteld tot _Opper-Houtvester_, met magt tot aanstelling van een _Luitenant-Houtvester_ en vier _Meester-Knapen_, die, met een Secretaris en 's Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten, waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien van dit onderwerp was opgedragen, volgens het Reglement van den jare 1750.

_Het Krijgsgeregt_

dezer provincie bestond uit een _Geregts-Scholtus_ met twee _Assessoren_, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige met zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel of bode en trawanten. Alle misdrijven van het krijgsvolk, zoowel civiel als crimineel, werden door deze regtbank behandeld en ook aan lijf en leven gestraft; de laatste evenwel met overroeping van de bevelhebbers der troepen in deze provincie en met voorkennis des Stadhouders, die, bij doodstraffen, ook het regt van pardon had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden te _Leeuwarden_ in de Lands Provoost of Gewaldige, achter de Galileër Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder werd echter, bij Staats-resolutie van 24 Februarij 1775 dit »Provintiaal Krygsgerechte der Friessche en Nassauwsche Regimenten" opgeheven, en vervangen door een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der andere provinciën. De beroemde geleerde, PETRUS WIERDSMA, was de eerste, aan wien laatstgenoemd ambt, gedurende twintig jaren door hem bekleed, werd opgedragen[180].

[180] Omtrent de laatste onderwerpen zie men FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 342 en de Staats-resolutiën; DE WAL, _Oratio de claris Frisiæ Jureconsultis_, Leov. 1825, 415.

_De Nedergeregten._

Ieder der dertig _Grietenijen_ van _Friesland_ werd bestuurd door een _Grietman_ met twee, drie of meer _Bijzitters_ en een Secretaris. Gedeputeerde Staten (en sedert 1748 de Stadhouder) verkozen den Grietman en deze koos de Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den eersten werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der dorpen, welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde ingezetenen, die voor de laatsten eene nominatie zamenstelden, en verder op gelijke wijze ontvangers, predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke magt, welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien van het belang en de veiligheid der ingezetenen, de uitvoering van de Staatsbesluiten, de zorg voor dijken, wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke magt, eene mindere of lagere Regtbank, een _Nedergeregt_ verbonden, in vele opzigten overeenkomende met de latere Vrede- of Kantongeregten. Als zoodanig was het, behalve met de bestendige zorg omtrent de nalatenschappen, de minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz., in het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke regtszaken en de vervolging van policie-misdrijven. Men kon zich echter van deze uitspraken beroepen op het Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van strafbare daden of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en inlichting genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte gevangenis enz. konden opleggen. Tot dit einde werd er in elke grietenij wekelijks een regtdag gehouden op de regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een gewigtige steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals in de _Dorpregters_, over één groot of twee kleine dorpen, waartoe meestal de geschiktste ingezetenen, met name de onderwijzers werden gekozen, en aan wie vele kleine zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden verder een Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.[181]

[181] Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken, benevens C. L. Â BEIJMA, _Tractatus de Grietmannis_, Fran. 1780; H. B. VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, Leeuw. 1837; _de Grietmannen in Friesland_, aldaar 1848.

Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm der elf Friesche _Steden_, welke in 1615, 1637, 1657 en 1786 nieuwe Reglementen van Raadsbestelling ontvingen, waarbij er soms eenige veranderingen in de namen of vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs, uit de burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden gekozen en bij herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld was, om de onpartijdigheid van de keuze te verzekeren. Zoo bestond te _Leeuwarden_ de regering uit een (jaarlijks ten deele aftredende) _Magistraat_ van 12 en een _Vroedschap_ van 40 leden, welke laatste in 1637 de Gezworene Gemeente had vervangen. De Vroedschappen werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het regerend ligchaam, dat de Vroedschap in belangrijke zaken tot Raad had, was zamengesteld uit: 4 Burgemeesters, 6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden, met een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en 20 Bevelhebberen of de Hopman en Vaandrik der Schutterij uit ieder der 10 espels, waarin de stad verdeeld was, en die in sommige gevallen stem hadden in regeringszaken. In andere steden bestond de Magistraat enkel uit 6 of 8 Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4 Raadslieden, en was het getal Vroedschappen geëvenredigd naar hare grootte. Bij de jaarlijksche aftreding van de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt, waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens vrijwillige opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11 steden[182]. Behalve het burgerlijk bestuur van de steden was aan deze Magistraten of Burgemeesters ook de uitoefening van de regtsmagt der Nedergeregten opgedragen, op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke omstandigheden.

[182] Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral Prins WILLEM V zijne vrienden als _Premier_ aan het hoofd der Magistraten stelde, heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen gegeven. Zie daarover in 't bijzonder (ALLART) _de Vrijheid_, 4e dr. Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782 deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de drie laatste deelen van den _Tegenw. Staat_; in het 4e dl. daarvan is eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ook FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 378.

_De Dijksgeregten._

In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone vloeden der zee, die haar voor het grootste gedeelte en aan alle zijden omringt en bestookt, was voorzeker geene zorg van meer belang dan die voor de zeedijken en sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid der middelen tot landverdediging. Met groote moeite en opofferingen hadden de vaderen die bolwerken rondom de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud ging steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden, die verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke verliezen ten gevolge hadden, deden de Friezen eeuwen lang gevoelen, dat er krachtiger middelen van tegenstand vereischt werden, om meester te blijven van dit fel bestreden erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen, zoolang ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen, van ouds met het onderhoud belast, een zeker perk of deel van den algemeenen dijk had te herstellen, uit welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van 1717 hier op nieuw groote schade en verliezen had te weeg gebragt, kwam daarin verbetering. Want de Staten gelastten niet alleen de beschadigde werken te herstellen, maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in iedere zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt en aan de onmiddelijke zorg der dijksbesturen overgelaten zou worden. In weerwil van sterken tegenstand, werd bij Staats-resolutiën van 1718 en 1719 bepaald, dat in meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden, waar zulks niet reeds het geval was, de vastigheden voortaan werden bezwaard met een omslag, in verhouding van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die zij vroeger in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook daaruit, dat _Friesland_ tot den jare 1775 van overstroomingen bevrijd bleef.

Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen, onder den naam van Dijks-instructiën, gemaakt ten behoeve van sommige contributiën. De voornaamste dezer waren: 1. _Kollumerland_ en _Nieuw Kruisland_, met _Gerkesklooster_ en _Visvliet_; 2. _Oost-Dongeradeel_ en der daaraan gelegen polders; 3. _West-Dongeradeel_ en die der _Ternaarder-_ en _Holwerder-polders_; 4. _Ferwerderadeel_; 5. _het Oud en Nieuw Bildt_ en die der latere bedijkingen; 6 en 7. _de Vijfdeelen_, van _Dijkshoek_ tot _Makkum_, waartoe de grietenijen _Franekeradeel_, _Menaldumadeel_, _Hennaarderadeel_, _Baarderadeel_ en _Barradeel_ met de steden _Harlingen_ en _Franeker_, benevens zeven noordelijke dorpen van _Wonseradeel_, behoorden. Deze contributie was in twee deelen gescheiden: in binnen-en buitendijks, waarvan de scheiding was de zoogenaamde Steenenman bij _Harlingen_; 8. _Wonseradeels-Zuiderzeedijken_; 9. _Hemelumer-Oldephaert c. an._; 10. _Wijmbritseradeel_ met _Sneek_ en _Ylst_, eene uitgestrektheid dijks in de laatstvorige grietenij uitmakende; 11. _Workum_; 12. _het Workumer-Nieuwland_; 13. _Hindeloopen_; 14. in de _Zevenwouden_, de _Zeven Grietenijen_ (als: _Doniawarstal_, _Haskerland_, _Lemsterland_, _Schoterland_, _Gaasterland_, _Ængwirden_ en _Schoterland_, benevens _Opsterland_) met de stad _Slooten_; 15. _de Lindedijken_ enz.

De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk, bestonden veelal uit een Dijkgraaf (op _het Bildt_ Heemraad genaamd), uit twee of meer Dijks-Gedeputeerden en een Secretaris en Ontvanger, benevens Volmagten of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en steden, die het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden en verantwoording van ontvangsten en uitgaven ontvingen, volgens naauwgezette bepalingen, welke omtrent dit belangrijk onderwerp door de Staten waren voorgeschreven[183].

[183] Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig behandeld in het vierde deel van den _Teg. Staat_, bl. 273. Zie ook FOEKE SJOERDS, I 265, II 452; _Regist. der Staats-res._ op _Dijken_, enz.

_Het Kerkbestuur._

Sedert de Hervormde leer in _Friesland_, tot godsdienst van Staat was aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in elke plaats waargenomen door de _Kerkeraden_, bestaande uit Predikant, Ouderlingen en Diakenen, en door _Kerkvoogden_, die met het bestuur van de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het laatst der 18e eeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars, waren verdeeld in 6 _Klassen_, genoemd naar de plaatsen, waar de Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: _Leeuwarden_, _Dokkum_, _Franeker_, _Sneek_, _Bolsward_ en _Zevenwouden_ of _Heerenveen_. In die vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling, doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke Wetten van _Friesland_ opgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van de _Provinciale Synode_, die in elke Pinksterweek plegtig en in het openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook te _Harlingen_. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van 12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.

[184] Het _Compendium der Kerkelijke Wetten_ is eerst uitgegeven door D^o. G. NAUTA, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een _Wetboek en Kerken-orde voor Vriesland_, door de Synode van 1804 vastgesteld.

In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300 Gld. aangevuld, als suppletie uit 's lands kas of uit de opbrengst van de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in 1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744, dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen. Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185].

[185] Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene _Billetten van Verkoping_, Leeuw. 1762 en 1763, 4^o. 2 dln.

De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den Magistraat uit een drietal, door den Kerkeraad opgemaakt[186]. Ten platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187].

[186] Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikanten LAURMAN, COLUMBA en DREAS, GREYDANUS, REINALDA, GREVENSTEIN en ENGELSMA, _Naamlijsten van de Hervormde Predikanten_, welke sedert de reformatie in de zes klassen van _Friesland_ het evangelie hebben verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan sommige van veel historisch belang zijn.

[187] Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide werkjes van den Heer Mr. W. W. BUMA, _het regt der Hervormde Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van Kerkegoederen_, Leeuw. 1849, en _de Onbevoegdheid der Alg. Herv. Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen_, Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer J. H. REDDINGIUS GZ. over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden zijn daarin opgenomen.

* * * * *

Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 te _Leeuwarden_ eene Fransche Kostschool op te rigten,--doch het onderwijs op de bijzondere scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest verdienstelijke onderwijzers uit de vorige eeuw, FOEKE SJOERDS te _Ooster-Nijkerk_, die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat »uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt," een tafereel opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan 100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de beschaving der maatschappij.--Het voorregt dat onze eeuw door de invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen.

[188] Zie zijne _Algemene Beschrijvinge van Friesland_, II 542.

* * * * *

Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van _Friesland_, tusschen de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag, en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en bleef steeds de invloed van den adel en de aanzienlijke geslachten en werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef in _Friesland_ toch, als van eeuwen her, berusten bij het _volk_, voor zoo verre het vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand, om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest."[190]

[189] Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen, een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie _Aanteekening 22_.

[190] _Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen_, Amst. 1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van _Friesland_ in het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.

37. _Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren bij Binnenlandsche Welvaart, tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede. 1648-1713._

De vrede van _Munster_ had in den staatkundigen toestand van _Nederland_ eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins WILLEM II overleed (1650). Daar _Groningen_ en _Drenthe_ nu den Frieschen Stadhouder, Graaf WILLEM FREDERIK, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. _Friesland_ en zijn Stadhouder hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het overmagtige en overmoedige _Holland_, dat, sterk door zijne ligging, welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig had als bolwerken tegen _Spanje_, zijn belang en staatkunde voortaan alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen gelden. Dát _Holland_ ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste vond het steeds een krachtigen bestrijder in _Friesland_.

Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te _'s Hage_ was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (_unie_, _religie_ en _militie_). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen daar bijeen. _Friesland_ zond er zestien van zijne bekwaamste staatkundigen met den Lands Secretaris, en had de eer, als voorzittende provincie, de vergadering door Dr. PIBO VAN DOMA, Ontvanger en Dijkgraaf van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde Raadpensionaris JACOB CATS de voorstellen mededeelde en _Hollands_ gezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie, al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in 1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins WILLEM II zoo ver ging, dat zij, bij eene _acte van seclusie_, diens eenigen zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de Staten van _Friesland_ zich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert, met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden"[192].

[191] AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. VII 205 env. WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 153.

[192] _Charterboek_, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in AITZEMA, VIII 102 env., vooral tegen DE WITT, VAN BEVERNINGH en NIEUPOORT gerigt. KOK, _Vad. Woordenb._ XVI 603.