Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 20
_Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen, Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennen Aan 't denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleen Geboren is, maar ook ten nutte van 't Gemeen; Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen, Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen. Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed, Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed. De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralen Dáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen_[166].
[166] WILLEM VAN HAREN, _Lof der Vrede_, 's Hage 1742, 53, 59, 61.
Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting, welke alle lessen der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid versmaadde, aanleiding gaf tot oneindige kuiperijen en partijschappen, welke de rust van den Staat bestendig in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige verbeteringen beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheer VAN DEN SANDE, 208) getuigt deswege: »van die twist, oneenicheydt ende factien is de eenighste oorsake geweest, de overgroote ende ongheregelde ampt ende regieringhsucht, waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende met voeten ghetreeden, waerom goede Patriotten vreesden, dat uyt dusdanige ongebondenheyt eyndelijck eene nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares Vaderlandts ontstaen mochte." Ja, SCHOTANUS noemt »de vervloeckte staet-sucht een oude plage," gelijk UBBO EMMIUS »een grasseerende pest van dit Landt"; terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken toestand des volks, in het midden der 17e eeuw, ophangt[167], ons met bedroeving vervult, en weder een bewijs levert, dat de voorspoed (die proefsteen onzer zedelijke waarde), schoon een zegen des Allerhoogsten, door misbruik veelal meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen eens volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk voor rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden.
[167] Aan het slot der Voorrede van zijne _Beschrijv. end Chronijck_ van 1655. Zie ook HALBERTSMA, _Letterk. Naoogst_, I 147, 150; STARTER'S en FONTEYNE'S _Politycke Kuiper_, 1621, 1647; BAARDT, _Deugden Spoor_, 1645, GYSBERT en meerdere geschriften van dien tijd.
Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal geven van deze Staatstwisten, welke vaak met gelijke hevigheid, doch onder andere omstandigheden en in eenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden als die vroegere. Omtrent al de twisten van KAREL ROORDA tegen Graaf WILLEM LODEWIJK, de verschillen over de opbrengst van _Frieslands_ aandeel (_quota_) in de algemeene lasten en het inwilligen van de impositiën en generale middelen, allen reeds in 1593 aangevangen, later voortgezet en tot 1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naar _Friesland_ moesten afzenden tot herstel van de rust en het innen van de schattingen,--omtrent dit alles kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden[168]. Van meer duurzaam belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen een overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur van _Friesland_ in dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen in naauw verband stond en sommige onzer tegenwoordige instellingen daarvan nog uitvloeisels zijn. Tevens kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke bij de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden.
[168] Wij hebben daarvan in _Aanteek. 21_ de bronnen medegedeeld voor ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt stellen.
36. _De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek._
_De Staten._
De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd sedert 1580 in _Friesland_ uitgeoefend door de _Staten_, als gevolmagtigden, bij vrije keuze, van de bezitters van zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds het stemregt was verknocht[169].
[169] Zie over dit onderwerp de belangrijke _Verhandeling over het Stemrecht_, door P. WIERDSMA, Leeuw. 1792, en de Dissert. _de Jure Suffragandi_, van E. DE WENDT VAN SYTZAMA, Utr. 1841.
In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in iedere Grietenij twee personen, waarvan de eene een Edelman en de andere een Eigenerfde of bezitter van eene stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de Regeringen der Steden, uit Magistraat en Vroedschap bestaande, uit ieder dezer leden een Gecommitteerde benoemden.
Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte, bestond alzoo uit 82, waarvan ieder kwartier in eene afzonderlijke Kamer zitting nam, hebbende _Oostergoo_ 22, _Westergoo_ 18, _Zevenwouden_ 20 en de _Steden_ 22 leden. Die zittingen werden gehouden in het _Landshuis_, naast de Canselarij, te _Leeuwarden_. De gewone of groote _Landsdag_, die niet langer dan zes weken mogt duren, werd altijd geopend op den eersten Donderdag in Februarij, welke dag den naam droeg van den _Propositiedag_: want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren in de Kamer van _Oostergoo_ bijeengekomen waren, begaf de Stadhouder (zoo hij zich in _Leeuwarden_ bevond) zich aan het hoofd van Gedeputeerde Staten, met groote plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in de vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van Gedeputeerden geopend met eene aanspraak, bevattende een overzigt van de omstandigheden des tijds en van de voornaamste punten, welke aan de beraadslaging der Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een der Leeuwarder Predikanten (die daartoe beurtelings verkozen werden en hiervoor een geschenk ontvingen van 50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.) met opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen over de verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid altijd door eene talrijke menigte werd bijgewoond.
Er was nog een _vijfde_ Kamer aan deze vergadering verbonden, het _Mindergetal_ genaamd, bestaande uit 8 personen, twee uit ieder kwartier, met den Stadhouder als Voorzitter. Ten einde de beraadslagingen van het groot getal Staten te vereenvoudigen, werden alle zaken, welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze Kamer gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee leden van ieder kwartier, met het advies van het Mindergetal, naar hunne vergaderde Kamer, wier beslissing zij terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resolutiën der Staten opmaakte. Bij staking had de Stadhouder het voorregt der beslissing. Aan deze gewigtige vaste commissie was een Secretaris van Staat toegevoegd, tot welk hoogst belangrijk ambt steeds de bekwaamste personen werden gekozen.
Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van den lande, de besturende en wetgevende magt toevertrouwd, en werden de belangen der provincie op zich zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het verbond met de overige provinciën, door hen behartigd en al de regten der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele beginselen van regering (zoo als men het noemde), welke ook zij verpligt waren te eerbiedigen. Op ingekomen zaken van gewigt of die geen uitstel leden, werd er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven, waarop echter geene andere zaken mogten behandeld worden dan die waren opgegeven door
_De Gedeputeerde Staten._
Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten voor drie jaren benoemd, was de uitvoering van de Staatsbesluiten, het dagelijksch bestuur van de provincie, de zorg voor 's lands veiligheid, het toezigt over den waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijk de policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de godsdienst, het onderwijs enz. opgedragen. Het bestond uit 9 leden, waarvan ieder der Gooën 2 en de Steden 3 verkozen, benevens een Secretaris.--Een Advokaat en Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen, was daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het zijne vergaderingen op het Statenhuis of _Collegie_, thans het Gouvernements-gebouw, te _Leeuwarden_[170].
[170] Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men in FOEKE SJOERDS, _Beschrijv_. II 88; VAN BURMANIA, _de Jure Comitiorum_, Fran. 1751, en _Tegenw. Staat_, IV 1. De Dissert. van Mr. S. W. H. A. VAN BEIJMA THOE KINGMA, _Hist. Ord. Fris._ Leiden 1835, behoort tot een vroeger tijdperk, van 1515-1581.
_De Stadhouder._
Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister der Oppermagt van de Staten bestendig vertoonde en waarnam, was de _Stadhouder_. Dit ambt en dezen naam, eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen van de Spaansche Regering. Want hoewel de volksregering een uitvloeisel was der verkregene vrijheid, deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan een luisterrijk hoofd, dat, door den Souverein bekleed met magt en met de zorg voor de algemeene belangen belast, als het ware in het midden stond tusschen dien Souverein en het Volk. Van velen nam men dus ~raad~ in, omdat één mensch niet ligt alles ziet, doch de ~uitvoering~ werd overgelaten aan één persoon: want in eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het noodzakelijk, »dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door een schijn of schaduw van Monarchie"[171].
[171] Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bij AITZEMA, f^o. III 542.
De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde Staten, aan wier hoofd hij als Voorzitter was geplaatst; terwijl hem tevens het oppergebied over het krijgsvolk en het beleid van den oorlog te land en te water was opgedragen, in de waardigheid van _Kapitein- en Admiraal-Generaal_, welke aan het Stadhouderschap was verbonden. Met betrekking tot de Generaliteit had hij zitting in den Raad van State te _'s Gravenhage_. Voorts kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie en in de Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van de Magistraats-personen in de steden en de beslissing van hunne geschillen opgedragen, terwijl het kwartier der steden hem mede de begeving van de omgaande Provinciale ambten had toevertrouwd[172]. Bovendien waren er, in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden aan dit hoog aanzienlijk ambt verbonden. In de hoofdzaak kwam het ambt des Stadhouders hierop neder: in het beschermen van de provincie tegen binnen-en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen en in de zorg voor een goed en vaardig bestuur van de provinciale zaken met Gedeputeerde Staten.
[172] Hiervan zijn de zoogenaamde _Landsdag-penningen_ afkomstig, die, aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden, vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden uitgereikt. VAN LOON, _Historiepenn._ IV 169, heeft die bestemming alzoo verkeerd opgegeven.
_Friesland_ had het geluk, dat deze betrekking sedert 1584 op eene waardige wijze werd vervuld door acht elkander opvolgende Vorsten uit het Huis van Nassau, aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de tegenwoordige Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt. De deugden en bekwaamheden van hen en hunne gemalinnen, die soms, bij minderjarigheid des opvolgers, de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, het _Stadhouderlijk Hof_, thans het _Koninklijk Paleis_, te _Leeuwarden_, dat nog hunne afbeeldsels (gelijk de Groote Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering duurzaam levendig houden[173].
[173] Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen te _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ II 295 env. en eene Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des Konings, volgens mijn berigt in _de Vrije Fries_, II 18.
_Het Hof Provinciaal._
De Hertogen van _Saksen_ hadden in 1499 een _Provincialen Raad_ te _Franeker_ en in 1504 een _Geregtshof_ te _Leeuwarden_ ingesteld en de Saksische Ordonnantie uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met behoud van sommige lands gewoonten in _Friesland_ ingevoerd-, en bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk bestuur vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof een grootsch gebouw, de _Canselarij_, tot zetel betrokken; doch bij de omwenteling van 1580 werd aan dat Hof alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen het beleid der civile en criminele Justitie, of de hoogste regtsmagt en uitspraak in burgerlijke geschillen en omtrent strafbare daden, aan dit Hof opgedragen. De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten bij appèl beriep op de uitspraak van het Hof, waarvan geen beroep op eenig hooger geregtshof kon geschieden. In 1602 werd door de Staten van _Friesland_ de _Lands Ordonnantie_ uitgevaardigd, welke, herzien en aangevuld in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek het rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon en strikte regtvaardigheid, den meesten eerbied en het hoogste ontzag mogt verwerven. Groot was dit voorregt, dat _Friesland_ genoot boven andere provinciën, wier regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers, Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en landregten werd uitgeoefend.
Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren, welke de Stadhouder uit eene nominatie van ieder der vier kwartieren koos, benevens een Procureur-Generaal en Griffier, ieder met een Substituut of hulp; alsmede een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden, een Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz. Dagelijks hield het Hof twee zittingen in de Canselarij, waar boven het eene Bibliotheek bezat, waarin de beste werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante vakken waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest voor nog niet veroordeelde gevangenen--het Landschaps Tucht- of Werkhuis, na 1661 als strafgevangenis gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een groot deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren zitting hadden[174].
[174] Jhr. E. M. VAN BURMANIA gaf in 1742 eene _Naamrol_ van deze Raden van het Hof met korte levensschetsen in 't licht. Een vervolg daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen, Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders, verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in het _Charterb._ II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over de Canselarij en genoemde gevangenissen de _Geschiedk. Beschrijv._ I 112, 260; II 319, 333 env. Voorts FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 291; _Tegenw. Staat_, IV 139. De Dissertatie van Mr. J. M. VAN BEIJMA, Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot het einde der 16e eeuw.
_De Rekenkamer_
bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een, die gelijktijdig met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden. Aan hen was het toezigt over 's lands penningen, het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de zorg voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen. Dit collegie had een Secretaris, een Pensionaris, benevens eene Kamer van Financiën met een Commies-Generaal enz. In het bijzonder had zij het toezigt op
_de Lands Kantoren._
Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal, naar de wijze van invordering der belastingen; als:
Het _Kantoor der Floreenen_, of van de opbrengst der Floreenrente uit de vaste goederen (de Landtax), benevens het middel der vijf speciën: het hoofd- en schoorsteengeld, de bezaaide landen, het horengeld en paarden.
Het _Kantoor der Consumptiën_ ontving de gewone middelen of de belastingen op zout, wijn, bier, koffij, thee, zoete waren, laken, klein zegel, havenregten enz.
Het _Kantoor der Losse Renten_ had de ontvang en uitbetaling der geldleeningen en renten, en der opbrengst van de belastingen op het gemaal, beestiaal, turf, brandhout, brandewijn, waagregt, passagie-geld, de equivalenten der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie op den verkoop der vaste goederen enz.
Het _Kantoor der Lijfrenten_ was belast met het beheer over, onder dezen naam, door den lande opgenomen gelden, en ontving de reële en personeele heffingen op de huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen.
Vroeger was er nog een _Kantoor der Domeinen_, of van de opbrengst van _het Bildt_ en der kloostergoederen, veenen en landen, der provincie toebehoorende enz. Na het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor in 1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumptiën[175].
[175] Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware belastingen, welke in de vorige eeuw in _Friesland_ geheven werden, vindt men in den _Tegenw. Staat_, IV 337. Zie daarover ook het belangrijke boekje van Mr. D. _Over de belastingen der Republiek_, Amst. 1837, bl. 127, 167.
_De Generaliteit._
Uithoofde van _Frieslands_ betrekking tot de _Unie_ of het verbond met de overige zes gewesten, die te zamen den Staat der _Zeven Vereenigde Nederlandsche Provinciën_ uitmaakten, waren er nog verscheidene aanzienlijke betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden.
In de _Staten-Generaal_ of de Algemeene Staten der Nederlanden,--die aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde afgevaardigden uit iedere Provincie, tot waarneming en handhaving van het gemeen belang der bondgenooten, te _'s Gravenhage_ gezeteld,--werd _Friesland_ vertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder kwartier en somtijds nog een buitengewonen Raad uit dat der Steden. Gewone zaken werden in deze vergadering bij meerderheid van stemmen behandeld; doch tot buitengewone zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening, verbonden met andere mogendheden enz. werd eenparigheid van stemmen en uitdrukkelijke toestemming der Staten van iedere provincie vereischt. Die gevolmagtigden hadden echter geen vrije stem, of magt om naar hun inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral in gewigtige zaken, gedragen naar de resolutie, welke de Souvereine Staten hunner provinciën deswege hadden genomen, en telkens met dezen ruggespraak houden, wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg gelast waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld, doch in belangrijke en spoed vereischende zaken, veroorzaakte deze omslagtige wijze van beraadslaging zoodanige vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen en onaangenaamheden ontstonden.
Het aandeel van ieder der provinciën in het dragen van de Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege. Van de 100 Gulden betaalde:
_Gelderland_ 5 Gld. 12 Stuiv. 13 Penn. _Holland_ 58 » 6 » 4-1/4 » _Zeeland_ 9 » 3 » 8 » _Utrecht_ 5 » 16 » 7-1/2 » _Friesland_ 11 » 13 » 2-3/4 » _Overijssel_ 3 » 11 » 5 » _Groningen en Ommelanden_ 5 » 16 » 7-1/2 » ----------------------------------- 100 » : » : »
_Drenthe_ betaalde 1 boven de 100 Gld. Dat _Friesland_, in vergelijking van andere landprovinciën, bij deze zoogenaamde _Quota_ verbazend hoog was aangeslagen, valt gereedelijk in het oog, en heeft dan ook aanleiding gegeven, dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen lang, doch vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling van de algemeene lasten betoogd en verzocht heeft[176].
[176] Zie deswege Prof. N. YPEY, _Verhandeling over de Quotae_, Harl. 1784, en vooral de krachtige _Deductie_ der Friesche Staten van 1786, in groot en breed 4^o gedrukt, waarin tevens de ware toestand van 's lands financiën is bloot gelegd. Prof. YPEY berekende, dat de Quota van _Friesland_, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn: 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek, omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op ruim 9 Gld. gesteld.
In den _Raad van State_ of de duurzame vergadering, welke voor de uitvoering en handhaving van de besluiten, wetten en bevelen der Algemeene Staten zorg droeg, doch later meer bepaald met de zorg voor het krijgswezen en de geldmiddelen der republiek was belast, had _Friesland_ twee van de twaalf leden, en mede twee afgevaardigden in de _Generaliteits-Rekenkamer_, welke met eene Kamer van Financiën en Muntkamer aan dezen Raad verbonden was.
Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was opgedragen aan de _Admiraliteit der Vereenigde Nederlanden_, in 1586 opgerigt en in 1597 voor vast geregeld. Zij bestond uit vijf Collegiën, waarvan _Friesland_ er een bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uit _Oostergoo_ zond in het Collegie op de Maas te _Rotterdam_, een uit _Westergoo_ naar dat van het Noorder-kwartier te _Enkhuizen_ en een uit de _Zevenwouden_ naar dat te _Amsterdam_ gevestigd. Bovendien werd dit gewest in de _Oost-_ zoowel als in de _West-Indische Compagnie_ door een lid vertegenwoordigd.
Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale Regerings-collegiën.
_Het Collegie ter Admiraliteit_
van _Friesland_, waartoe _Groningen_ mede behoorde, was in 1596 gevestigd te _Dokkum_, doch in 1645 verplaatst naar het gunstiger gelegene _Harlingen_. Het bestond uit tien leden, waarvan vier uit _Friesland_ en zes uit de overige provinciën, met den Stadhouder aan het hoofd, en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, een Secretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester en verscheidene andere ambtenaren. De belangen van het Zeewezen van deze provincie, in verband met die des lands, werden verzorgd door dit aanzienlijk Collegie, hetwelk te _Harlingen_, behalve een Vergaderhuis, ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De twee eersten werden in 1771 door een fellen brand in asch gelegd, waarbij ook de Secretarie met al hare archiven, benevens een groote voorraad scheepsbehoeften verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en 1782 eene aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert verscheidene oorlogs-fregatten en andere groote schepen, van 24 tot 74 stukken gebouwd werden[177].
[177] Zie _Charterboek_, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, en _Tegenw. Staat_, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie voorkomt.
_De Monster-Commissarissen_
waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met de monstering der compagniën van den Staat, het toezigt op deszelfs vestingen en versterkte plaatsen, zoo in als buiten _Nederland_, het onderzoek van de krijgsbehoeften enz.[178]
[178] Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de Staatsbesluiten in het belangrijk Alph. _Register der Resolutiën van de Staaten van Friesl._ 1570-1780, van J. A. DE CHALMOT, Kampen 1784.
_Curatoren van 's Lands Hoogeschool te Franeker._