Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 19

Chapter 193,488 wordsPublic domain

Nadat men zich verder van de overige omliggende schansen verzekerd had, werd in Mei 1594 het beleg voor _Groningen_ geslagen, en, in weerwil van den krachtigen tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg en ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij overgaf en Prins MAURITS en Graaf WILLEM LODEWIJK den volgenden dag hun plegtigen intogt in de stad hielden[148]. Hierdoor werd _Groningen_ en met haar de _Ommelanden_ als lid der Unie aangenomen en Graaf WILLEM LODEWIJK daarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon de aftrekkende benden van VERDUGO voor het laatst nog hunne woede koelden, door in de _Zevenwouden_ te plunderen en te branden, was het winnen van deze stad met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de Spaanschen uit deze noordelijke streken voor de veiligheid en het behoud van _Friesland_ eene zaak van het hoogste belang. Algemeen was dus hier, even als in het gansche vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering en roemrijke overwinning op de Spanjaarden[149].

[148] Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis, berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; "nochtans uyt beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prins MAURITS die eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende eenicheydt tusschen dese twee gheweest is," zegt VAN REYD, 234.

[149] Zie WINSEMIUS, 816-822; _Charterboek_, IV 883; VAN REYD, 231-241, 253; V. D. SANDE, 22; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 319; WAGENAAR, VIII 368; WICHERS, _Tractaat van de Reductie der Stadt Groningen_, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is vervat in de _Geschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van Groningen_, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt, gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw te _Groningen_ in Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal bezitten.

* * * * *

Ook op de verdere veldtogten van MAURITS stond onze Stadhouder hem waardig ter zijde. Bij de belegering van _Rijnberk_ was het »WILLEM LODEWIJK met zijne Friezen, die eene halve maan voor de Rijnpoort stormenderhand innamen," waardoor deze sleutel van den Rijn zich moest overgeven. Toen MAURITS vervolgens in drie maanden tijds negen versterkte steden en vijf kasteelen veroverde, in weerwil zijn vijand Aartshertog ALBERT 60,000 man tot zijne dienst had,--waren het weder »WILLEM LODEWIJK met zijne Friezen, die zich altijd op den voorgrond vertoonden." En ofschoon hij MAURITS in den slag bij _Nieuwpoort_ niet vergezelde, waren het dáár de door hem gevormde Friesche soldaten, welke zich eervol onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen waren onder den Overste-Luitenant TACO VAN HETTINGA derwaarts getrokken, en mogten, in de voorhoede, Prins MAURITS eene zegepraal helpen behalen, welke een der roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150 Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden afgedrongen, gaf hun voorbarige, maar in dezen oogenblik weldadige kreet van: victorie! een schok tot eene algemeene voorwaartsche beweging van het Nederlandsche leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber van het Spaansche leger, Don FRANCISCO DE MENDOZA, _Admirant van Arragon_, gevangen te nemen, waardoor een der grootste voordeelen van den slag werd behaald[150].

[150] Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel van EDZART VAN GROVESTINS, die voorkomt in het _Stamboek_, I 133, II 83 en in het _Leven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau_, Amst. 1651, 196; terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden: _Hy krigge de Amerant mey finzen_, in GYSBERT'S vers: _Egge, Wynering in Goadsfrjuen_, bl. 69. De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht, verklaart de dichter H. A. MEIJER in eene Aant. op zijn _Heemskerk_, 208 aldus: "Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge, waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden." Zie ook BOSSCHA, _Heldendaden_, I 334, 336, 355, 391. Onder de Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende strijden het leven lieten, worden met eere vermeld: DOUWE en FREDERIK VAN GROVESTINS, JULIUS VAN EIJSINGA, QUIRYN DE BLAU, HANS VAN OOSTHEIM, HANS DE VRIES, MICHIEL HAGHE, WILLEM WILLEMSZ. enz.

Met wijs beleid wist Graaf WILLEM LODEWIJK vervolgens deze gewesten te besturen, en de eindelooze en vaak hevige twisten, zoo tusschen de stad _Groningen_ en de _Ommelanden_, als tusschen de Friesche staatsleden zoo veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt hij aangename blijken van dankbaarheid en vereering ontvangen. In weerwil der bezwaren, waaronder de provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene som van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naar _Duitschland_ wilde doen, deden zij hun verlof daartoe met een geschenk van 5000 Gld. vergezeld gaan. Bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609, aan het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn »diepsinnich verstand" in de vereffening der strijdige belangen, en bepaalden de Friesche Staten, »tot erkentenis, belooning en vergoeding voor de groote diensten, door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen," dat zijn politiek traktement verdubbeld- en zijn militair traktement tot 36,000 Gld. 's jaars verhoogd zou worden[151]. Hij beminde de letteren, moedigde het beoefenen van de wetenschappen aan, zorgde dat ieder tevreden kon zijn over de regering, en was, ook door gematigdheid in de toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een voorbeeld ter navolging: want ofschoon de zelfde partij als Prins MAURITS toegedaan, had hij toch den moed, diens sterke maatregelen af te keuren, hem tot zachtheid en gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem alléén zou wijten. Zijne verdiensten als staatsman werden geëvenaard door die als krijgsman, en men vindt zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe krijgskunde het eerst in gebruik heeft gebragt, welke MAURITS vervolgens op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief[152]. Groot was dus de rouw in gansch _Friesland_ en de omgelegen gewesten, toen die edele Stadhouder in 1620 hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze provincie 36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd. Door het bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie en het stichten van eene kostbare marmeren Graftombe in het koor der Groote Kerk te _Leeuwarden_, trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten hoogste verpligt gevoelde[153].

[151] VAN REYD, 329; _Regist. Staats-res._ 511; _Chart._ V 134, 159.

[152] WAGENAAR, V. H. X 408; BOSSCHA, _Heldend._ I 274 env.

[153] VAN DEN SANDE, 20, 87; WINS. 902; SCHOT. 861, 891; _Tegenw. Staat_, IV 39, 74; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 137, 184; SCHELTEMA, _Staatk. Ned._ II 482; V. KAMPEN, _Gesch._ I 489; _Karakterk._ I 491; _Levens v. ber. Ned._ II 1; VAN HEUSDE, _Diatr. in Guil. Lud. vit. etc._; BAUDARTIUS, _Nass. Oorl._ 459; _Schuit- en Jagtpraatjes_, II 35, 37, 87; AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. I 3, 16; KLUIT, _Hist. der Holl. Staatreg._ III 499; _Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden_, II 2, 49, 95, 296, 427.

* * * * *

Zijn jongere broeder, Graaf ERNST CASIMIR _van Nassau_, volgde hem op. Deze, op reizen door _Duitschland_, _Frankrijk_ en _Zwitserland_ in letteren en kunsten geoefend, had reeds 25 jaren lang onder hem en MAURITS dezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en moed vóór den slag bij _Nieuwpoort_, grooten lof behalen. Hij was nu tot Veldmaarschalk van der Staten leger en Luit.-Gouverneur van _Gelderland_ en _Utrecht_ opgeklommen, hoewel het geluk hem doorgaans minder begunstigde dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620 werd hij door de Staten van _Friesland_ tot Stadhouder en Kapitein-Generaal aangesteld, hoewel _Groningen_ en _Drenthe_ Prins MAURITS kozen en eerst na den dood van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen. In alles betoonde hij zich een broeder waardig, die hem deze landen in vrede en voorspoed had achtergelaten, en hij spaarde geene zorg om hunne belangen te bevorderen. In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen, zoodat de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke gezantschappen en zendingen opdroegen. In den krijg stond hij MAURITS en FREDERIK HENDRIK verder als steun en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als zoo vele leden van zijn geslacht, stierf ook hij op het bed van eer, in de dienst van het vaderland ter verkrijging der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen van _Roermonds_ loopgraven, voor welke vesting hij in 1632 het beleg had geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde »_Frieslands_ uitmuntende Stadhouder, de dappere en minzame ERNST CASIMIR, uitstekend geacht om zijne dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle goede Patriotten ende mercklycke verachteringhe van de gemeene sake; hetwelcke een beclaeghelycke doodt voor de Geunieerde Landen ende den Prince was, also hy de oudste ende meest ervarendste overste was, die alle syne dinghen met een groot beleydt ende couragie, tot welstandt van de landen uytgevoert hadde"[154].

[154] DE LA PISE, 893; V. D. SANDE, 87, 163; WINS. 884, 902, 909; _Charterb._ V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór aangehaalde schrijvers. VONDEL vereerde hem met eene _Lijckklacht, Poëzij_, 456; G. CORVINUS hield in 1637 te _Herborn_ op hem eene Lijkrede.

Ook hij mogt van de Staten van _Friesland_ vele bewijzen van vertrouwen en vereering ontvangen, waarvan in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630 van 50,000 Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe een pensioen van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij uitstek talrijk en prachtig was de lijkstoet, welke zijn stoffelijk deel ten grave geleide[155].

[155] Zie _Regist. op de Staats-resol._ 512. Het eenig bekende, rijk uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr. H. B. VAN SMINIA te _Bergum_.

* * * * *

Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig het genot van den voorspoed smakende, verkeerde deze provincie in een bloeijenden toestand, toen de jeugdige HENDRIK CASIMIR I in December 1632 zijn voortreffelijken vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen tusschen de staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot oproerige bewegingen onder het volk. Om deze te bedwingen, zonden de Algemeene Staten bij herhaling gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige Stadhouder wist zijn invloed met veel beleid aan te wenden, om het inrukken van die troepen binnen _Leeuwarden_, als strijdig met de regten en de hoogheid van dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde rust te herstellen en de twistende partijen vooreerst te bevredigen. Groote diensten heeft hij daarin dit gewest bewezen. Doch ook als krijgsman had hij zich der belangen van het vaderland gewijd, en vond Prins FREDERIK HENDRIK in hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke togten toevertrouwde. In 1637 en volgende jaren behaalde hij, aan het hoofd van het zoogenaamde vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich »met sonderlinge sorghvuldicheyt en vigilantie kweet," en om zijne goede zorg en orde, evenzeer als om zijne bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat vaderland ten offer, als de negende der Nassausche helden, die in dezen krijg voor de goede zaak het leven lieten. Op den togt in _Vlaanderen_, niet ver van _Hulst_ eene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit »een sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als Leeuwen vochten," werd hij in den rug geschoten, waaraan hij den 2 Julij 1640 stierf, »tot hertelijcke droefheydt van 't gantsche Leger, van den Prince, die grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt, by wien hy in aensien ende grote estime waer." Zelfs zou een vijandelijk hoofd-officier dien dag hebben gezegd: »de braveste Cavalier van _Nederlandt_ is gebleven." Uitbundig is de lof, welken tijdgenooten dezen jeugdigen held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen. De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden algemeen zijnen dood, en vergezelden vol rouw zijne plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som van niet minder dan 12,000 Gld. bestemden[156].

[156] _Chart._ V 341, 355; V. D. SANDE, 173, 199, 212, 215 en vooral 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers en VAN LEEUWEN'S Aantt. op _it aade Friesche Terp_, 453 env.

* * * * *

't Was inderdaad een groot voorregt van _Friesland_, dat het zijn belang aldus had verbonden aan een Vorstelijk Huis, hetwelk bij opvolging waardige leden telde, in staat, om, bij het immer voortduren van den oorlog, te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd der uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich de hoedanigheden vereenigden van »eenen aensienlycken, gequalificeerden ende vertrouden Persone, van cloeckheyt, dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie van State ende Crychshandel"[157]. Die zeldzaam bestendig vereenigde gaven waren het deel der leden van dezen tak uit het beroemde stamhuis van _Nassau_, die ook hun belang aan dat van _Friesland_ hadden verbonden, en zich bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de Friezen, die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben erkend, dat al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig geslacht, als staatsmannen en helden het vaderland tot nut en roem, en als menschen en christenen, door vereeniging van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben. Dit zegt veel, doch de geschiedenis zou dit in meerdere bijzonderheden kunnen vermelden, dan ons vergund is hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is van den invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten op een volk uitoefenen, die schat het voorregt hoog en acht dien invloed weldadig voor de zedelijke ontwikkeling van alle standen, wanneer die regenten om hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter en gezindheden alom geëerd en bemind worden. En al mogen deze niet altijd, gelijk wapenfeiten, schitteren,--zij verspreiden een weldadigen gloed van liefde en verknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene eervolle en zegenende nagedachtenis. Zóó herdenken wij, Friezen, de Stadhouders uit het Huis van _Nassau_, de stamvaders van het thans regerende Koninklijk geslacht. Op allen passen wij den wensch toe, dien de dichter DA COSTA omtrent WILLEM LODEWIJK uitte:

[157] _Charterboek_, V 259.

_Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte, O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht! Gij, Friesland, 't allereerst, met Groningen, met Drenthe, Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt. Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven, Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed! Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven, o Koning, op wiens keus meer dan Europa let!_[158]

[158] _Zangen uit verscheidenen leeftijd_, 1847, 110. Vele berigten omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.

Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graaf HENDRIK CASIMIR, kon dat Huis die breuke heelen. In zijn broeder, Graaf WILLEM FREDERIK _van Nassau_, die, van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding had genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene taak kon opvatten. Wel vielen _Groningen_ en _Drenthe_ hem af, door zich Prins FREDERIK HENDRIK te kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden niet, hem den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en Kapitein-Generaal aan te stellen, welke betrekkingen hem eerst tien jaren later mede door de twee genoemde naburige provinciën werden opgedragen[159]. En dat ook hij door zijn beminnelijk karakter, krijgsdeugden en staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en erkentenis der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit dat zij hem in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk van 50,000 Gld. vereerden, en in 1651 hunne ingenomenheid met zijn huwelijk met Prinses ALBERTINE AGNES _van Oranje_, de dochter van FREDERIK HENDRIK, aan den dag legden, door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen, den Stadhouder tot Gemalin over te dragen en een geschenk van eene tonne gouds aan te bieden[160].

[159] _Charterboek_, V 458; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XII 131.

[160] _Register op de Staats-resol._ 343, 513, 587. Vandaar (dat wij dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de heerschzuchtige bedoelingen van _Holland_ en andere gewesten, die het Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie, als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene beleedigende ondankbaarheid jegens het _Huis van Oranje_, hetwelk zoo veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zie AITZEMA, f^o. III 542, 815, 826; KOK, _Vaderl. Woordenboek_, 16e dl. 603 en het _Register_ b. v. 587.

* * * * *

Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige oorlog geëindigd door den Vrede, te _Munster_ in 1648 gesloten; een vrede, waarbij eindelijk door _Spanje_ de onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende geldelijke opofferingen, welke _Nederland_ uit zich zelf niet had kunnen bestrijden, als de Almagtige het niet gesteund- en als het zelf geen gebruik gemaakt had van zijne gunstige ligging voor koophandel en zeevaart, door zich in _Oost-_ en _West-Indië_ buitengewone bronnen van nijverheid en voorspoed te openen. Die vrede en vrijheid, welke zoo groote opofferingen vergold en het bezit dier bronnen van welvaart bekrachtigde, had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan der Nederlanders. In _Friesland_, dat bij dit verbond was vertegenwoordigd door FRANS VAN DONIA, wonende op _Hinnema-state_ te _Jelsum_, was de vreugde over deze bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom wilden ook 's lands Staten, dat zij op eene plegtige en luisterrijke wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd er tegen de Stads-Waag te _Leeuwarden_ een rijk versierde Triumfboog opgerigt, vóór welke op den 26 Mei 1648 de afkondiging plaats had[161]. Bovendien werd er een Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het Landshuis opgerigt[162].

[161] Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde, afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst der _Twaalf Gezigten op en in Leeuwarden_, 1850, bl. 15.

[162] Zie _Tegenw. Staat_, II 70 en _Geschiedk. Beschrijv._ II 16.

Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit tijdvak, moeten wij erkennen, uit de laatste tijden weinige bijzonderheden van het volksleven der Friezen te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk. _Friesland_ genoot sedert de overgave van _Groningen_ in 1594 het voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich rustig aan zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden veel verwaarloosde belangen te kunnen toewijden. Met wakkerheid legde het volk zich op de verbetering van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel, fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei en vermogen, werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke gebouwen en nuttige inrigtingen verrijkt[163]. Op het land verspreidde de ontwikkeling der bronnen van volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en eigenerfden daarbij op hunne bezittingen zoo vele staten en landhuizen, ja soms kostbare kasteelen bouwden of herbouwden, dat het groote getal van derzelver namen op de kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient[164]. Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der ingezetenen gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting geregeld, welke zeer lang onveranderd bleef bestaan.

[163] Ten aanzien van _Leeuwarden_ zie men daarvan veelvuldige bewijzen in de _Geschiedkundige Beschrijving_, II 4-77.

[164] Van honderden dier gebouwen heb ik in mijn _Frisia Illustrata_, of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.

Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde, had echter ook zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver dier dagen, »neffens dese verbeteringhe van het Landt, nam oock die hovaerdye ende pracht in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt ergerlijcke overhant, 't welck al te langhe waere in 't kleyne te verhalen"[165]. Uitsluitende zorg voor enkel stoffelijke belangen, welke alléén geld en voordeel najaagde, stond de ontwikkeling van den geest steeds in den weg; en terwijl de geleerden, vooral op 's lands Hoogeschool te _Franeker_, met groote schreden vorderden op den weg der wetenschappen, hield de zedelijke, godsdienstige en letterkundige vooruitgang des volks geen gelijken tred met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de Hervormde Kerk voor christelijke waarheid te houden had, scheen men bevrediging te vinden in koude leerstellingen, die den warmen gloed van de godsdienst der liefde verdrongen hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinig behoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige regten met des te meer ijver deed gelden. Vandaar, dat er nog eene andere oorzaak was, die nadeelig werkte op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen.

[165] VAN REYD, 351; DE KONING, _Voorvad. Levenswijze_, 200.

Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden alléén gegrond was op het bezit van vaste goederen, was de zucht om meer bezittingen te verwerven, ten einde meer magt en invloed op het staatsbestuur te bekomen, evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken.

_Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan, Om naar 't voordeeligst Ambt te streven en te staan: En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven, Doolt verre van den weg om met vermaak te leven. Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat, Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad. Die magtig is in geld, in goedren overvloedig, Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!_

_Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak._