Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 18
Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten van _Friesland_, een besluit, waarbij de Roomsche eeredienst afgeschaft en verboden werd, en waarbij bepaald werd, dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der Hervormde eeredienst, tot onderhoud van predikanten, onderwijzers, armen en weldadige instellingen. Vele priesters en kloosterlingen gingen uit eigene beweging tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig in _Friesland_ bestaande kloosters werden meest alle verkocht en gesloopt. Een nieuw leven bezielde de vrije burgers van den nieuwen Staat, die nu, van den band der dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en overtuiging mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo zegenrijke verlossing.
Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de Spaansche benden, daar het naburige _Groningen_ nog gedurende veertien jaren den Koning onderworpen bleef,--moedig sloeg men echter de handen in-een tot opbouw van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der ingezetenen bedoelde. Vroeger dan eenige der andere provinciën, genoot _Friesland_ dus dit voorregt; terwijl het zijne groote verpligting erkende aan den edelen Prins WILLEM _van Oranje_, door ook hem tot Stadhouder aan te stellen, en ook hem blijken van vereering te geven, toen hij in het volgende jaar 1581 zelf naar _Friesland_ overkwam tot regeling van vele zaken des bestuurs. Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen van het gewigtige besluit, om den Koning van _Spanje_ vervallen te verklaren van zijn regt op deze landen. Deze afzwering van den Koning had in Julij 1581 op eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en het bestuur des lands toevertrouwd aan de _Staten_ van iedere provincie en van hare afgevaardigden: de _Algemeene Staten van Nederland_, als de wettige overheden der vrije landzaten.
* * * * *
Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid des lands hersteld, hoewel deze niet erkend werd door den Koning, die tot 1648, en alzoo nog bijna 70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen. Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van de Kerk, met zoo veel moeite verkregen, vestigde hier een vrijen protestantschen Staat, wier instellingen van gunstigen invloed waren op de belangen der ingezetenen, zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts deden op den weg der volmaking, zoowel ten aanzien van hunne burgerlijke betrekkingen als van hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige beschaving. Dáárom dankten de vaderen God voor zijne hulp en bescherming; dáárom is deze verandering, als een keerpunt in de geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend gewigt, en dáárom vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis als eene der voornaamste middelen tot verheffing van ons geslacht, ter vorming van goede burgers en vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen, vereeren wij tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht, en stemmen wij tot hun lof gaarne in met het antwoord van onzen dichter WILLEM VAN HAREN[133] op de vraag:
[133] _Tweede Lierzang_, Harderwijk 1742, 14.
_--Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren, Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren, En zonder krijgsvolk, zonder geld, Niet afgemaakt door 't Spaansch geweld?_
_Omdat hun edle ziel, langs 't pad der Eer gedreven, De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven, En, door hun deugd, des Hoogsten hand Deed gunstig zijn voor 't Vaderland._
_Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven! Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven! De aloude Dapperheid en Deugd Geprent in 't hart van onze jeugd!_
VIERDE TIJDVAK.
FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER STATEN EN DER STADHOUDERS UIT HET HUIS VAN NASSAU.
VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING VAN DE REPUBLIEK DER VEREENIGDE NEDERLANDEN, TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE KOMST DER FRANSCHEN.
_Van het jaar 1580 tot 1795._
35. _De vestiging van den nieuwen Staat. (1580-1648.)_
De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk keerpunt in de geschiedenis van _Friesland_. De staatkundige en godsdienstige toestand der ingezetenen onderging daardoor toch eene verbazende verandering, welke van uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen we ons voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer vaderen over die verlossing van de knellende dwinglandij der Spanjaarden, en hoe zeer deze gepaard ging met dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding en hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten, welke men op te hooger prijs stelde, naarmate men ze lang gezocht en ontbeerd had.
Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want verbazend groot waren de bezwaren, welke zich spoedig opdeden, om het verkregene te behouden en te verdedigen tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorst _Haarlem_, _Naarden_, _Zutphen_ en andere steden reeds vroeger zulke moorddadige tooneelen hadden opgeleverd. Immers, ALEXANDER FARNESE, _Hertog van Parma_, een veldheer, die ALVA in krijgskunde evenaarde en in staatkundig beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met nieuwe en talrijke Spaansche benden in _Nederland_ aangekomen. FRANÇOIS VERDUGO, _Heer van Schengen_, die zijn aanzien enkel aan dapperheid had te danken, was als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten gezonden naar _Groningen_, ter vervanging van den afvalligen RENNENBERG, die de schande zijner trouwloosheid niet lang overleefde. Uit die krachtig versterkte stad werd het oostelijk gedeelte van _Friesland_ bestendig bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest bloot stond aan de uitvallen der bezetting van _Steenwijk_, sedert deze stad weder in handen der vijanden was gevallen. Zulk een uitval deden de Spanjaarden reeds in November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken zij langs de zeekust, namen de schans van _de Lemmer_ in, overrompelden _Slooten_ (waarbij de edele DUCO MARTENA in hunne handen viel), herwonnen het kasteel van _Stavoren_, overmeesterden de schans bij _Makkum_ en roofden, onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten van _Harlingen_. Algemeen was de verslagenheid in den lande en groot het gebrek aan krijgsvolk, aan geld en leeftogt, tot voortzetting van een strijd, die men bijna wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel moeite gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare, die verloren plaatsen te herwinnen[134].
[134] WINSEMIUS, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in 1579 had men in _Friesland_ voor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200 pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in de _maand_ noodig. _Charterb._ IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid!
Intusschen had de edele Prins WILLEM _van Oranje_, op ernstig aanhouden der Staten van _Friesland_, besloten, ook deze provincie als Gouverneur en Stadhouder in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid en veelvuldige andere zorgen, benoemde hij BERNARD VAN MERODE, _Heer van Rummen_, hier tot zijn Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April 1581 zelf met zijne gemalin, CHARLOTTE VAN BOURBON, in _Friesland_, om orde te stellen op vele zaken der regering. Te _Harlingen_ aan wal gekomen, werd hij, algemeen als Vader des vaderlands vereerd, te _Leeuwarden_ op eene luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen landsdag handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef, bij eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering, justitie, politie en beleid van het krijgswezen voor, welke hem op dat oogenblik de beste voorkwam[135]. Te kort echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed duurzaam heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen reeds de verschillen gerezen tusschen de leden der regering over de mate en de grenzen van het gezag.
[135] WINSEMIUS, 689, 697; _Charterboek_ IV, 241.
Bij de _Staten_ des lands of de Volmagten der grietenijën en steden toch berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit. Deze hadden acht personen (twee uit ieder Goo en uit de Steden) benoemd tot hunne _Gedeputeerden_, aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende magt en het dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd: »bezonderlinge om voortaen te procederen tot grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel in den saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye over het gantsche Lant"[136]. Doch deze magt was, te gelijk met het beleid van de justitie, vroeger uitgeoefend door het _Hof van Friesland_, dat nu nog, bij voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten aanzien van het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale Raden, welke zoo lang even Spaanschgezind als de Gedeputeerden Staatsgezind waren geweest, werden in hunne vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden der _Steden_, die nu, bij de verandering van regeringsvorm, even als de drie Gooën, bij het stemmen op de landsdagen een afzonderlijk kwartier wilden uitmaken. Zij eischten zelfs meer: want, daar eertijds de vertegenwoordiging had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van het platteland als uit de steden, zoo verlangden zij nu, na het vervallen van het eerste staatslid (de Geestelijkheid), dat de steden evenveel afgevaardigden ten landsdage zouden zenden als het platteland. Het Hof ondersteunde die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden tegen, die door de Staten beschermd werden, en zoo was er bestendige twist en verdeeldheid onder al de leden der landsregering, met eene hevigheid, welke het algemeen belang met groote schade bedreigde[137]. Zoo verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog noodig had tot regeling van de algemeene belangen en het bestrijden van een vijand, die nog bestendig een gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van geheel het noordelijk _Nederland_, zoo veel belang had. Vele staatsleden ijverden voor hunne meening uit zucht voor het algemeene welzijn, welke zich in de zelfde mate ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking had weten te verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude in strijd met de nieuwe vormen en eischen van het oogenblik; doch er waren ook, die, uit eer- en heerschzucht, minder het algemeen dan hun eigen belang voorstonden; ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag, nog met _Spanje_ heulden. Zoo wilden ook de in welvaart en magt toegenomene steden gebruik maken van de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in den Staat, en liet _Leeuwarden_ zich vooral krachtig gelden en veel voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste stad des lands, de eerste geweest was, die de reformatie in kerk en staat had ten uitvoer gelegd. De onderlinge verbittering steeg zelfs zóó hoog, dat de Gedeputeerden _Leeuwarden_ verlieten en in 1584 en 1585 hunne vergaderingen en de landsdagen te _Franeker_ hielden[138].
[136] _Charterboek_, IV 235; STELLINGWERFF, _Politycq Discours_, 32.
[137] Zie het uitvoerig verhaal deswege in VAN REYD, _Nederl. Oorlogen_, 61, en WINSEMIUS, 689, 714 env., benevens de verdere ontwikkeling hiervan in de eerste _Aanteekening_ achter het 2e deel mijner _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, 407 en de daar aangehaalde schrijvers.
[138] Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie te _Franeker_, en niet te _Leeuwarden_, opgerigt.
Zoodanig was de toestand van _Friesland_ ten aanzien der regering, toen de vijand in 1583 op nieuw een inval in _Westergoo_ deed, roovende en brandende door _Oostergoo_ trok en zelfs de omstreken verontrustte van _Leeuwarden_, dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken en uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden kenmerkten zijne schreden. In allerijl werden de onverhoeds overvallene en verslagene ingezetenen opgeroepen, om die benden tegen te staan en ten lande uit te drijven[139].
[139] WINSEMIUS, 713; SCHOTANUS, 915.
In deze »benaude gestaltenisse" des lands trachtte men vooral de grenzen zoo veel mogelijk te beveiligen, door het versterken van de oude en het opwerpen van nieuwe ~Schansen~ op een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd werd dit getal vermeerderd, zoodat _Friesland_, buiten de versterkte steden, eerlang met eene zoom van kleine vestingen was omgeven. Aan de oostzijde werden daartoe _Oostmahorn_, _Munnekezijl_ en _Kollum_ versterkt en _de Friesche palen_, _Zwartedijk_ en _Bredenberg_ aangelegd. Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden de schansen _Bekhof_, _Slijkenburg_ en _de Blesse_ opgeworpen en die van _de Lemmer_, te _Hindeloopen_ en te _Sotterum_ bij _Makkum_ sterker gemaakt. Ook binnen in het land, te _Oldeboorn_, _Joure_, _Rottum_, _Terband_ en _Oudeschoot_, werden schansen gelegd, om den vijand den doortogt te verhinderen of die plaatsen te beschermen[140].
[140] WINSEMIUS, 705, 765, 833, 836; VAN REYD, 64, 152, 206. Bovendien werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.
* * * * *
Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat het _Friesland_ aan een geschikt en krachtvol ~hoofd~ ontbrak, hetwelk zoowel de twistende regeringsleden als den nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat tevens schrander genoeg was, om partij te trekken van den gelukkigen toestand, waarin de Friezen zich, in de hoofdzaak, bevonden. De Stadhouder MERODE toch was daartoe te oud en te zwak, en had te weinig invloed, om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger man vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te voorzien, en om de fiere en onbuigzame gemoederen te leiden van die staatsleden, welke, prat op de herkrijging van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen stroobreed wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening omtrent de bevordering van het algemeen belang. Intusschen had men zoo weinig vertrouwen op eigene krachten en scheen de toestand des lands zoo hopeloos, om zonder vreemde hulp _Spanje_ het hoofd te bieden, dat de Nederlanders eerst de hulp van _Frankrijk_ inriepen en den _Hertog van Anjou en Alençon_ als beschermer der Nederlandsche vrijheid aannamen, en daarna bij herhaling en dringend zich der Koningin van _Engeland_ aanboden[141].
[141] WINSEMIUS, 743 env.; V. REYD, 54; _Charterb._ IV 301, 530.
Gelukkig dus voor _Friesland_, dat MERODE zijn ontslag verzocht en bekwam; doch nog gelukkiger, dat de _Prins van Oranje_, op verzoek der Friesche steden, in diens plaats stelde zijns broeders zoon, den vier-en-twintigjarigen Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_, die in Maart 1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren, toen VERDUGO, met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen, zijn eersten aanval, bij _Kollum_, op _Friesland_ deed, had zijn doorluchtige oom hem, pas van de Akademie van _Heidelberg_ teruggekeerd, met 600 man den Friezen te hulp gezonden. Naast den Engelschen Overste JOHN NORRITS, die den 18 Julij 1581 bij _Munnekezijl_ een aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden, sterk 6000 man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een krachtig tegenstander van VERDUGO. Dezen bestreed hij bij _Noordhorn_, aan het hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende onverschrokkenheid, dat in hem zijn roemruchte oom LODEWIJK scheen te herleven, daar hij, hoe ook beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich door de vijandelijke slagorde heen sloeg. Ook _Koevorden_ hielp hij op hem winnen, hoewel hij daar al dadelijk door een zesponds kogel aan het linkerbeen dermate gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot al zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij voor die zelfde vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd waagde hij zich op de gevaarlijkste togten, doch bleef verder ongedeerd[142].
[142] VAN REYD, 30, 61; WINSEMIUS, 703; _Charterboek_, IV 425; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 262, 267.
Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken, verdiende en verwierf zich ook hun vertrouwen, hetwelk hij zich bij voortduring waardig maakte. Nadat Prins WILLEM _van Oranje_ door een noodlottigen dood den _Nederlanden_ ontvallen was, werd hij nog in het zelfde jaar 1584 door de Staten tot »absoluit Stadholder ende Gouuerneur ouer deezen Landschappe" verkozen. Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in weerwil der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land verkeerde, doch die hij als Nassauer het hoofd wilde bieden, naar het voorbeeld van zijnen doorluchtigen voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het land bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de regeringsleden tot eene ontzettende hoogte geklommen. Met bedaarde zorg en voorzigtige maatregelen zocht hij den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in den volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende zijne voorslagen van hetgeen tot bescherming en verdediging tegen den gemeenen vijand moest gedaan worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de zaken der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden, en door beleid en dapperheid jegens de vijanden, verwierf hij aller achting, zoodat hij eerlang algemeen als Vader vereerd werd[143].
[143] WINSEMIUS, 752, 757; VAN REYD, 64; _Charterb._ IV 512. Bekend is het, dat de Friezen hem veelal _uws heit_ noemden.
De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid ging bij de Staten tevens gepaard met de zucht, om de ingevoerde Hervormde leer te beschermen en uit te breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien. Hiertoe waren vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke goederen aangewezen. Doch gebrek aan leeraren en de overtuiging van het belang der beoefening van de wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche Geestelijkheid, de bezittingen der vervallene kloosters mede te bezigen tot oprigting van een Seminarium of Akademie, inzonderheid tot opleiding van Predikanten. De stad _Franeker_ werd daartoe bij voorkeur bestemd, en de voor negen jaren te _Leiden_ gestichte Hoogeschool tot voorbeeld genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd deze Akademie plegtig ingewijd, en alzoo de grond gelegd van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest, ja voor geheel _Nederland_ en een deel van _Europa_, van weldadigen invloed is geweest[144].
[144] WINSEMIUS, 710, 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.
* * * * *
Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen, benevens het krijgswezen door de ijverige zorgen van Graaf WILLEM LODEWIJK op een beteren voet gebragt, en waande men zich verzekerd tegen den magtigen vijand, die _Groningen_ en _Steenwijk_ nog immer bezet hield. Doch die vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid, om _Friesland_ afbreuk te doen of te overvallen. Hij deed dit vooral in Januarij 1586, toen de Stadhouder zich tot regeling van zaken naar _'s Gravenhage_ begeven had en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen. Een deel der bezetting van _Steenwijk_, sterk 3000 man en 700 ruiters, trok, onder aanvoering der Oversten VAN DEN BERG en TAXIS, onverhoeds door _Gaasterland_ naar _Hindeloopen_ en _Workum_; van daar voorbij _Bolsward_ door _Witmarsum_ en _Tjum_ naar _Spannum_ en _Winsum_, overal door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige woede achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd, toen de Friesche krijgsoverste STEYN MALTISSEN hen met ruim 1400 man tegentrok en te _Boxum_ met hen slaags geraakte. Vóór dat hij zich in slagorde kon stellen, werd hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden werd woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt bukkende, werden deels verslagen, deels naar _Leeuwarden_ verdreven of gevangen genomen. Schrik en vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand zich nu weder in het hart des lands zou nestelen. Doch deze verkeerden spoedig in blijdschap en dankbaarheid »voor Godes sonderlinghe versieninge en genade," dewijl men 's lands behoudenis dááraan had te danken, dat het, op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon te dooijen en te regenen, waardoor de Spaansche benden, met een haast, alsof zij vlugtten, naar _Steenwijk_ terugtrokken[145].
[145] WINSEMIUS 772; VAN VERVOU, _Gedenckw. Geschiedenissen_, 32; VAN REYD, 68; VAN DEN SANDE, 16; VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 199.
Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd, om, door het werven van meerder krijgsvolk, de bedoelingen des Stadhouders, ter verdrijving van den vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het gevaar: want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte zending van den Engelschen landvoogd LEICESTER, meer den toorn dan de hulp van Koningin ELISABETH had te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de zoogenaamde onoverwinnelijke vloot, _Nederland_ met den ondergang bedreigde, vormde Graaf WILLEM LODEWIJK, in overleg met Prins MAURITS, het plan, om den oorlog niet langer verdedigender-wijze (_defensif_), maar voortaan aanvallender-wijze (_offensif_) te voeren, dewijl hij achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn[146].
[146] VAN REYD, 135; VAN DEN SANDE, 18.
De moedige poging, om _Groningen_ aan den vijand te ontrukken, in 1587 bij herhaling ondernomen, was daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte, doch al de schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen van de talrijke verschansingen op de noordoostelijke grenzen des lands, waren voor den jeugdigen held eene leerschool en strekten tot verzwakking van den vijand. Bij dat alles was hij met zijne 2 à 3000 Friezen, zonder andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen strijd met VERDUGO'S benden, sterk 4 à 5000 man. Eerst in 1591 woog het belang der Unie, om de Spaanschen uit deze streken te verdrijven, zwaar genoeg, dat de Generale Staten en Prins MAURITS hem daartoe krachtige hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterkten _Delfzijl_, _Enumatil_, _Lettelberd_ enz. was het eerste werk. In 1592 werd, na veel tegenspoed en een merkwaardig beleg van vijf weken, het sterke _Steenwijk_ gewonnen. Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen, welke _Holland_ echter afried en wilde tegenhouden, waarop de voortvarende MAURITS ronduit antwoordde: dat, zoo _Holland_ deszelfs troepen terugtrok, hij, al ware het alléén met de Friezen en de ruiterij, het behaalde voordeel wilde vervolgen. Zijn voornemen zegevierde, en met ongemeene inspanning werd het door VERDUGO zeer versterkte _Koevorden_ aangevallen en na een hevig beleg gewonnen. Hierbij werd echter Graaf WILLEM LODEWIJK andermaal door een kogel getroffen. Na zijne herstelling veroverde hij in den volgenden jare _Wedde_, _Winschoten_, _Midwolde_ enz., schoon VERDUGO van deze afwezigheid gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk gedeelte van _Friesland_ te doen, waarbij verscheidene dorpen verbrand en geplunderd werden[147].
[147] WINSEMIUS, 805, 810, 814; VAN REYD, 176-198; VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 202; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 303, 309.