Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 17
Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen strijd, die goed en bloed waagden, om de vrijheid des vaderlands te herstellen, is hier niet mogelijk. Maar wij mogen de namen niet verzwijgen van hén, die door ijver en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of die in de gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit te munten. WYBRAND VAN AYLVA, Olderman van _Sneek_, en HESSEL VAN AYSMA, Raadsheer in het Hof, wisten, in vereeniging met JULIUS en SYDS VAN BOTNIA en GEMMA en UPCO VAN BURMANIA, door raad en daad met onwrikbare trouw de verdrukking tegen te staan. Aan JAN BONGA, JELLE EELSMA en WYBE VAN GROVESTINS gelukte het, zoowel te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen. HOMME VAN HETTINGA verkocht zijne eigene bezittingen, om krijgsvolk aan te nemen, waarmede hij de Spaanschen bestreed, waarna hij _den Briel_ hielp innemen, en van zijne vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als zijn broeder, TIETE, die, toen hij uit _Friesland_ moest wijken, in 1575 met 200 zijner landgenooten bij _Wormer_ in _Noord-Holland_ ruim 1300 Spanjaarden en Duitschers bestreed en overwon. Even als zij, trachtten HARING en HARTMAN VAN HARINXMA, aan het hoofd van vele ingezetenen van _Wymbritseradeel_, in 1572 de Friesche steden voor Prins WILLEM _van Oranje_ te verzekeren. Reeds hadden zij _Slooten_ ingenomen, toen zij in gevecht geraakten met de talrijker oude benden van ROBLES, waarbij HARTMAN de regterarm aan stukken werd geschoten, hoewel hij moeds genoeg had, om, zonder eenig blijk van pijn te geven, het vaandel met de linkerhand aan te vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te blijven aanvoeren[124]. Vier broeders uit het geslacht VAN EYSINGA muntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en getroostten zich daarvoor groote opofferingen en ballingschap. SJOERD VAN BEYMA en HARTMAN GALAMA stelden zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging bloot, welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad gevangen genomen, te _Brussel_ op een schavot het leven deed verliezen. HARING VAN GLINS, WILCO VAN HOLDINGA, DOUWE VAN HOTTINGA en zoo vele anderen trotseerden moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der vrijheid met eere genoemd.
[124] Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheer CAROLUS, _de rebus Casparis â Robles in Frisia gestis_, Leov. 1731, 56. "Hoe zou iets van dien aard (zegt VAN KAMPEN, _Vaderl. Karakterkunde_, I 345) de wereld doorklinken, wanneer het door een' _Spartaan_ was verrigt! Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk te _Sparta_, door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en handelverkeering met andere volken te worden gekocht."
Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en bekwaamheid hun aller hoofd en sieraad, den edelen ~DUCO MARTENA~, die, zonder vrees voor gevaar, de regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman en held, in raadzaal en strijd, zoowel te land als ter zee, te midden der hevigste vervolging, met raad en daad zijn vaderland diende, en al zijne bezittingen, ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem geërfd, voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde Staten handhaafde hij het uitsluitend regt der inboorlingen tot de regering, stuitte de geweldige maatregelen van ALVA, en poogde door voorspraak de gevangene bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood ook klom, hij bezweek niet, maar werd voor _Friesland_, wat Prins WILLEM _van Oranje_ voor het fel bestredene _Holland_ en andere provinciën was: de kracht, de steun, de hulp van den onder ALVA zoo diep gezonken staat. Die Prins werd zijn vriend en beschermer, welke hem, toen hij eindelijk _Friesland_ moest verlaten, als Admiraal het opperbevel over eene vloot op de Zuiderzee toevertrouwde. Blakende van liefde voor het land en de goede zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw en voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland teruggekeerd, den jeugdigen staat hielp opbouwen, zoodat aan zijne daden en deugden de verlossing des vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven. (_Aant. 20._)
Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den edelen MARTENA en zijne medeverbondene edelen vergeten! Met eere mogen de namen van deze helden der vrijheid steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben zij doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur der Spaansche overheersching zich de wreedste vervolging van personen en huisgezinnen, de verbeurt-verklaring van goederen en allerlei kwellingen veroorloofde: omdat, zij de vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene andere wijze te vereeren dan de Koning van _Spanje_ wilde toestaan. Doch gelukkig, dat, na het doorstaan van al die rampen, eindelijk de overwinning volgde, welke ook de Friezen weder deed deelen in het voorregt van het bezit der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op hoogeren prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite en opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog veel geleden en gestreden worden.
33. _Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder Caspar de Robles. (1574.)_
Te midden der verschrikkingen van den oorlog trof _Friesland_ bovendien eene ramp, welke groote nood en schade veroorzaakte. Zij had evenwel heilzame gevolgen voor de toekomst, en het is dáárom, dat wij ons verpligt achten, hierbij in het bijzonder stil te staan.
Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo ontzettend als ooit eenige deze landen trof, teisterde, op den 1 November 1570, alle aan de Noordzee gelegene landstreken. Met geweld op de Friesche dijken inbrekende, rees het water 10 à 12 voeten hoog op de landen, zoodat bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk scheen. Duizenden menschen verloren het leven: alléén in _Oost-_ en _West-Dongeradeel_ kwamen er 2600 personen om. Een schat van vee, granen en andere levensmiddelen werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed, die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige plaatsen geheel weggeslagen waren. Het land stond dus open voor de zee, die dan ook in de eerstvolgende jaren bij de minste verheffing van wind en vloed op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd bij verarming, duurte, hongersnood en oorlog, voerde de ellende der ingezetenen ten top, en schenen de krachten te falen, om die verliezen te boven te komen, en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde dit land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen[125].
[125] Zie het officieele verhaal in het _Charterb._ III 847, 865; WINSEMIUS, 550; OUTHOFS, _Watervloeden_, Embden 1720, 508, 535; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. XXXV.
Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk, van _Dijkshoek_ langs _Harlingen_ naar _Makkum_, en wel mede om deze reden, dat het onderhoud daarvan sedert lang het meest verwaarloosd was geworden, ten gevolge van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen de ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk woonden over het aandeel, dat ieder hunner in het onderhoud zou hoeden. De eersten, de aan zee gelegene Grietenijën, verlangden daartoe meerdere hulp van de laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen van _Friesland_, voor welke de zeedijken van even groot belang waren. Reeds in 1533 hadden de Stadhouder en het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven, door bij Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de zeedijken zouden worden onderhouden[126]. In weerwil daarvan bleek het echter, dat de Binnendijksters niet waren te bewegen, om den Buitendijksters de meerder verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot gevaar verkeeren.
[126] Zie deze stukken in het _Charterboek_, II 627, 628 env.
De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen dijk was echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters, die de kosten daarvan op 300,000 Gld. begroot hadden, klaagden hunnen nood aan den Koning. Namens dezen bepaalde de Landvoogd ALVA in Augustus 1571, dat, tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden omgeslagen over die deelen van dit gewest, welke weinig of geene dijken hadden te onderhouden, en dat de overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters gelijkelijk zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover vooraf niet waren gehoord, namen zij in deze beslissing geen genoegen, terwijl ook _Oostergoo_ zich tegen dien omslag verzette. ALVA vond dus goed, den 27 October en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, na een nader onderzoek, de beslissing op te dragen aan den Stadhouder, _Graaf van Megen_, met eenige Raden van _Overijssel_. Dan deze, reeds kort daarna, den 7 Januarij 1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek en die beslissing opgedragen aan CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, aan het hoofd eener commissie van Raadsheeren en Dijkgraven uit andere provinciën.
ROBLES was destijds Kolonel van een regiment Waalsche knechten te _Groningen_. Portugees van geboorte, aan het Hof van KAREL V opgevoed, vereerd met het vertrouwen der Landvoogdes, die hem zelfs naar _Madrid_ zond, om verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569 te _Groningen_ gekomen, en had hij zoowel blijken gegeven van gestrengheid en ijver voor de zaak des konings, als van menschlievendheid ter redding en verzorging van allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig waren geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs te _Brussel_ te weeg, dat de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt, en dat _Friesland_ en _Groningen_ een jaar lang van schatting ontheven werden, omdat hunne krachten naauwelijks toereikende waren om de geledene schade aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel hem daardoor ten deel, bij al de strenge maatregelen, welke hij op bevel van ALVA moest nemen, om het Spaansche gezag te schragen. Kort na zijne overkomst in _Friesland_ (in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen Stadhouders GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, benoemd, en in het laatst des volgenden jaars (1573) in diens plaats tot Stadhouder en Kapitein-Generaal aangesteld. Hierdoor kwam hij nog beter in de gelegenheid, om zich van zijnen belangrijken last te kwijten[127].
[127] Zie al de stukken in het _Charterb._ III, 869, 876, 884, 891, 894, 902 env.; CAROLUS, 235; KOK, _Vaderl. Woordenb._ 24e dl. 309.
Nadat hij zich naar _Harlingen_ begeven en zich overtuigd had van den deerlijken toestand der meest weggeslagen dijken, was zijn besluit genomen, om krachtdadige middelen tot herstel aan te wenden, om allen tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen zelfs met geweld tot de uitvoering te dwingen. Na lang oponthoud, mede ten gevolge zijner geweldige maatregelen om 's konings gezag te handhaven tegen de pogingen der edelen, om _Friesland_ onder het gezag van Prins WILLEM te brengen, was de zaak zoo veel vooruitgegaan, dat in December 1572 de Binnen- en Buitendijksters beide al hunne geschillen en processen opdroegen aan ROBLES en eene andere commissie van Raadsheeren, belovende zich aan de uitspraak van deze arbiters te zullen onderwerpen. Hierop werd de goedkeuring van ALVA ontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573 gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament van 1533, vastgesteld, dat de zeedijk van _het Bildt_ tot _Makkum_ voor de helft, tot omstreeks _Harlingen_, door de Binnendijksters, en voor de wederhelft door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden. Deze uitspraak werd in naam des Konings den 4 September door ALVA goedgekeurd, en daarna afgekondigd, om spoedig ten uitvoer gelegd te worden[128]. In het volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk, nadat ROBLES en zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene uitvoerige ordonnantie had bepaald hoedanig het werk ingerigt, verdeeld en bestuurd zou worden. De dijk van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde en 3 roede aan de landzijde, en eene kruin van 6 voet breedte. Het geheele werk werd verdeeld in elf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver of opzigter en 12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld van 's morgens 5 tot 's avonds 6 uur; de drie schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van een vaandel uit den toren van _Harlingen_ aangewezen. Een half uur bezuiden die stad werd een geheel nieuwe inlegger gemaakt, welke nog de _Kornels-dijk_ genoemd wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder zoo groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen gemaakt. Zelfs wil men, dat er eene galg op den dijk geplaatst was. ROBLES zelf hield naauwlettend toezigt en allen in bedwang door de vrees voor zijn ongenoegen en de bedreigde straffen.
[128] _Charterb._ III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.
Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter dat jaar niet worden voltooid. Na het nemen van de noodige voorzorgen tegen den winter, werd het in het volgende voorjaar hervat en in den zomer van 1575 geheel volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten en kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming van den dijk en het breken van den golfslag. In den volgenden jare werd ter gedachtenis dezer zoo wél volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van onderhoud, op den dijk nabij _Harlingen_ een gedenkteeken opgerigt, waarvan de vier opschriften den tijd der stichting en de namen der stichters vermeldden[129].
[129] Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezen _Terminus_ of zoogenaamden _Steenenman_ bij WINSEMIUS, 588 en op de Friesche kaarten van SCHENK en HALMA; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 112, _Tegenw. Staat_, III 594, IV 309; KOK, _Vad. Woordenb._ 24e dl. 314. Dit gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten van den Dijkgraaf, KAREL GEORG Grave VAN WASSENAER TWICKEL, in vorigen vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA bewaard op een gemetseld voetstuk in den tuin van _Burmaniahuis_ te _Leeuwarden_. De steen met het latijnsche hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven van _Harlingen_.
Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer provincie werden hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan die van _West-Dongeradeel_ van 12 tot 1500 man werkten; daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken schikkingen tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de naam van het _Caspar-Robles-diep_ nog aanwijst, dat dit kanaal, tusschen het Bergumermeer en de Lauwers, ter bevordering eener betere gemeenschap met _Groningen_, door hem mede is tot stand gebragt,--zoo zien wij in dit alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid en welberaden moed van ROBLES binnen zoo weinige jaren in _Friesland_ tot duurzaam heil des lands mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat het gedenkteeken werd opgerigt, verkeerde echter de kans, werd hij door zijn krijgsvolk gevangen genomen, te _Leeuwarden_ op het Blokhuis een tijdlang in bewaring gehouden, waarna hij in 1585 voor _Antwerpen_ omkwam. Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in gezegend aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij den dichter na[130]:
[130] VAN HALMAEL, _Lied_. Zie bladz. 57 hier vóór.
_Daar staan zij, de reuzen, aan 't bogtige strand, En houden de zee in den toom en aan band, Bespotten, trotseren haar woede. Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht, Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht; Wij slapen gerust op hun hoede._
_Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht? Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt, Zoo als zij ons =Friesland= omgeven; Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans; Maar eere zij hem, en de naam dezes mans Blijv' hier, in ons harte, steeds leven._
34. _Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming. (1568-1580.)_
Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de Friezen nog een hevigen strijd door te staan, vóór ze van hun verzet tegen _Spanje_ eenige gewenschte vrucht zagen. In plaats van de verlangde verzachting van de maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond de Koning den Hertog van ALVA in 1567 naar _Nederland_, om het volk met geweld tot het oude kerkgezag terug te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming van CUNERUS PETRI tot Bisschop van _Leeuwarden_, die den 1 Februarij 1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk van _Oldehove_ tot Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en door de gansche provincie het pausdom en kerkelijk gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat zelfde jaar 1570 de hier vóór gemelde verschrikkelijke watervloed alom nood en dood verspreidde, de welvaart kwijnde, de vrees voor 's konings wraak toenam en de toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte in _Friesland_ eene diepe verslagenheid aller gemoederen.
Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de Stadhouder AREMBERG in den eersten slag tegen LODEWIJK _van Nassau_, bij _Heiligerlee_ in _Groningerland_, was gesneuveld, werd deze laatste daarna door ALVA bij _Jemmingen_, nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantal der voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler bezittingen werden verbeurd verklaard. Van niemand had men hulp te wachten. Er scheen dus weinig hoop te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp van God, dien zij in stilte vereerden en om redding smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de wreede dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten des volks en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid schonden, ja met voeten traden. Eindelijk kwam er dan ook van de zijde der zee eenige uitkomst opdagen. Reeds lang hadden JAN BONGA, Grietman van _West-Dongeradeel_ en anderen met een aantal schepen invallen op de Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen op de Spanjaarden te veroveren, toen het gerucht der inneming van _den Briel_ (1 April 1572) aller hoop versterkte, dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken. Nadat onderscheidene steden van _Holland_ Prins WILLEM _van Oranje_ waren toegevallen, deed deze ook pogingen, om de voornaamste Friesche steden te winnen, en op zijne zijde te brengen. DUCO MARTENA en andere edelen spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en werkelijk gelukte het hun, _Slooten_, _Sneek_, _Bolsward_, _Franeker_ en _Dokkum_ te bemagtigen. De Prins haastte zich daarom, Graaf JOOST _van Schouwenburg_ als zijn Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was niet gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen nog ontijdig-, en als de vreugde over dezen voorspoed van korten duur waren. Want sedert AREMBERG'S dood was het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aan KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_[131], en daarna aan GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, die te gelijk ook over de andere noordelijke provinciën waren gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd het gezag hier waargenomen door SEGHER, _Heer van Groesbeeck_ en CASPAR DE ROBLES, als hunne plaatsvervangers, te gelijk met het te _Leeuwarden_ gevestigde _Hof van Friesland_, dat sterk Spaanschgezind was. Nog vóór laatstgenoemde werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken, zoodat de bondgenooten op nieuw eene teleurstelling moesten ondervinden in de herstelling van het Spaansche gezag.
[131] Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne betrekking als Stadhouder van _Gelderland_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_, VII 262. Zie over ROBLES het Tijdr. Overzigt der Vorsten hier achter, en in het bijzonder VAN METEREN, _Hist. der Ned._ Amst. 1647, 112^o; REINICO FRESINGA, van _Franeker_, _Memoriën_, in DUMBAR, _Analecta_, Dav. 1722, III 10; _Charterb._ V 1062; _Register op de Staats-resolutiën_, 186.
Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want met den jare 1576 verkeerde de kans, ten gevolge van een zamenloop van verscheidene omstandigheden. Toen het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen, en de _Prins van Oranje_ zelfs de zaken des lands als wanhopig voorstelde, stierf ALVA'S opvolger, Don LOUIS DE REQUESENS, sloegen de Spaansche soldaten aan het muiten, werd de Stadhouder ROBLES door zijn eigen krijgsvolk te _Groningen_ gevangen genomen, en verbonden verscheidene provinciën zich tot een verdrag, om gezamenlijk de staatkundige en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden.
Dit verdrag, de Bevrediging of _Pacificatie van Gent_ genaamd, had groote gevolgen. De eendragtige wil der landzaten versterkte de magt en den moed, om _Spanje_ te weêrstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen kwamen terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienst werd niet meer gestraft of gehinderd. De Raad van State, te _'s Gravenhage_ gevestigd, zette de goede zaak door, en zond GEORG VAN LALAING, later _Graaf van Rennenberg_ genaamd, als Stadhouder naar _Friesland_. De Bisschop van _Leeuwarden_ werd door hem gevangen genomen en verwijderd. Na de _Unie van Brussel_ (1577) werd in 1578 door den Landvoogd, Aartshertog MATTHIAS, de zoogenaamde Godsdienst- of _Religions-vrede_ afgekondigd, waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en Roomschen beide werd toegestaan, zoodat de eersten hier op vele plaatsen kerken bekwamen en openlijke godsdienst-oefeningen hielden.
Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer. Men had zoo lang en zoo veel van de heerschzucht der Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat men, toen het meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en Roomschen geheel ontslagen te worden. Onmogelijk was dit, zoo lang de blokhuizen of kasteelen der steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Stavoren_ nog met Spaansche benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van opstand, het geschut dezer sterkten die steden groote schade kon aanbrengen. Deze ~moesten~ dus veroverd worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het sluiten der _Unie van Utrecht_ (1579), waarbij ook _Friesland_ zich met de overige zes noordelijke provinciën had verbonden, om _Spanje_ te wederstaan, de godsdienstvrijheid te beschermen en onderling een vereenigden Staat uit te maken.
De burgerij van _Leeuwarden_, aangevoerd door den wakkeren tachtigjarigen Burgemeester ADJE LAMMERTS, durfde het bestaan, op bevel van Gedeputeerde Staten, het Blokhuis harer stad aan te tasten en kloekmoedig te veroveren, waarna, door het slechten van de wallen en het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze sterkte ontmanteld werd. Deze heugelijke gebeurtenis, welke voorviel op den 1 Februarij 1580, bragt den Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij van _Spanje_ en van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige gevolgen. Dadelijk haalde men te _Leeuwarden_ de monniken en verdere geestelijke personen uit de kloosters, en geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met trompetten en trommelen de stad uit. De kasteelen van _Harlingen_ en _Stavoren_ gingen insgelijks over. Men was nu de Spanjaarden meester, en had weldra aan den _Prins van Oranje_ de gunstige beschikking te danken, om 100,000 Gld. uit 's Konings domeinen te heffen, vooral tot versterking van de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_, _Sneek_ en _Slooten_, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand te zijn. Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans vergezellen, had men echter niet te betreuren, daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde was grooter dan de wraaklust[132].
[132] Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 227 env. en de daarbij vermelde bronnen en schrijvers.