Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 16

Chapter 163,254 wordsPublic domain

Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te rigten. In _Munster_ belegerd, zond zij ook naar _Friesland_ hare zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden. MENNO stelde zich met alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van 1535 waren er te _Tjum_ ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd, veroverden zij het _Oldeklooster_ bij _Bolsward_, lieten de monniken onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouder SCHENCK _van Toutenburg_ belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken, boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van MENNO, hunne dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist, sommigen werden te _Leeuwarden_ onthoofd, anderen in het Hempenzermeer verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid losgelaten.

Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even als later de beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot groote schade. Bij MENNO echter bragt zij eene groote verandering te weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren. Hij toch predikte wel de evangelische leer, doch _deed_ niet alles wat hij predikte en geloofde. Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had, zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een moeijelijken strijd van negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en voegde zich, in het uitzigt op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig geblevene, doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij alléén het evangelie, van alle menschelijke instellingen ontdaan, tot ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had. Bijna een jaar lang vertoefde hij in eene kleine woning in de nabijheid van _Witmarsum_, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande[119]. Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met het verzoek, om algemeen Leeraar of Opziener onder hen te willen zijn. Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in grooteren kring, te gelijk met zijn vriend DIRK PHILIPS, van _Leeuwarden_, en later ook met LEENERT BOUWENS, met gunstig gevolg aan de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zóó bekwam de gemeenschap der Doopsgezinden, vooral door MENNO'S geleerdheid voorgelicht en verdedigd, door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.

[119] _Menne Siemmens oud preechuis_ noemt SCHOTANUS dit huis op zijne kaart van _Wonseradeel_. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel van MENNO, door VAN DER KOOI geschilderd, versierd is; terwijl gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno Simons-Kerkje is uitgegeven.

De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten. _Emden_, »de herberg van Gods verdrukte gemeente" genoemd, nam hem op, doch weldra van daar verdreven, trok hij naar _Keulen_ en na verloop van twee jaren naar _Lubek_, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár en op andere plaatsen in _Nederland_ en het noordelijk _Duitschland_, met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken. Op eene plaats _Woesteveld_, tusschen _Hamburg_ en _Lubek_, mogt hij in de laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen, en door het drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als Oudste en Leeraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn voor de belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen, in verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het rijk zijns Heeren gewonnen te hebben. In _Friesland_ waren zijne medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt alleen LEENERT BOUWENS sedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500 personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wenschten te verbinden, den doop toedienen. Ook na MENNO'S overlijden (1561) nam deze gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en zetten mede vele uit _Braband_ en _Vlaanderen_ gevlugte Doopsgezinden zich in dit gewest neder.

* * * * *

Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen, dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door de omstandigheden en naar ieders ~opvatting~ van het evangelie. Vandaar zooveel verschil bij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo streed LUTHER vooral tegen de _werkheiligheid_ der Roomsche kerk, en kwam hij door tegenstelling: _tot de regtvaardigmaking uit het geloof, zonder de werken_, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte naliet. Zoo bestreden ZWINGLI en CALVIJN _het verheffen van het schepsel boven den Schepper_, en werd alzoo een der grondtrekken van de Hervormde kerk gerigt tot vernedering van het eerste, tot 's menschen ellendigheid, om den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen stond alzoo de _leer_ op den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, die _in_ de Kerk bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd voeren tegen leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;--de Doopsgezinden echter _verlieten_ die Kerk, voerden geen strijd tegen haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;--de Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal. In de poging om dat Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede verder dan de Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen; die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den doop der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder tot de _leer_,--de Doopsgezinden stelden zich het _leven_ ten hoofddoel. Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene zijde, om de wereldsche begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een geestelijk leven, een vromen wandel te leiden.

Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden, waardoor zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunne _afgescheidenheid van de wereld_ en verzaking van hare genietingen, opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord zouden worden;--hun weigeren om het _Overheidsambt_ te bekleeden en _Wapenen_ te dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden hadden;--hun weigeren van den _Eed_, dien zij voor den Christen ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote waarheidsliefde en trouw;--hunne afkeerigheid van alle wereldsche praal en weelde bij hunne zucht naar eenvoudigheid in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen. Zij hadden dus geene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis en vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd genoeg broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en wilden stichten[120]. De gemeente zuiver en heilig te bewaren en naar het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.--Zóó waren en bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich buiten de wereld hielden. Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden[121].

[120] Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente der _Oude Friezen_ te _Balk_ in _Gaasterland_, waarin nagenoeg al het bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden (waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden. Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achter BLAUPOT TEN CATE, _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, Leeuwarden 1839, 370, naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche onderwerp, verder verwijzen. Ook op _Ameland_ bestaat nog eene dergelijke gemeente.

[121] Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift: _Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden_, door D. S. GORTER, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen dank toebreng.

31. _De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt. (1566.)_

Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven, dat zij eene verandering of hervorming van de oude en in zoo vele opzigten verbasterde kerkleer verlangden. Zij deden dit op grond der Heilige Schrift, die geene missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar geloof, liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde. Noch de Paus, noch de Keizer, noch de Koning wilde echter van eenige verandering in leer of godsdienst-oefening iets weten. Integendeel, sedert FILIPS _van Spanje_ Heer dezer gewesten was geworden, wilde zijne blinde dweepzucht, dat allen, die hun christelijk geloof niet meer naar de voorschriften der Roomsche kerk beleden, nog strenger dan vroeger vervolgd, gepijnigd en op den brandstapel gebragt zouden worden. Alles werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag der Kerk staande te houden.

Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier Aarts-Bisdommen en 13 nieuwe Bisdommen in _Nederland_. De stad _Leeuwarden_ werd daarbij tot het hoofd eens Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten des Bisschops volgde. Maar tegen de invoering van deze opgedrongene weldaad des Konings verzetten de Staten en zelfs ook de Geestelijkheid van _Friesland_ zich zóó krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam, maar hem een ander Bisdom aangewezen werd.

Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder verzet tegen de eischen van _Spanje_. De meerderheid der ingezetenen toch, waaronder de adel en de aanzienlijksten des lands, gaven blijken, de zaak der hervorming toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der algemeene Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 in _West-Vlaanderen_ begonnen) zich door _Nederland_ verspreidde, beraamde de Regering van _Leeuwarden_ middelen, om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg, hier het zelfde doel--de afschaffing van de Roomsche en de invoering van de Hervormde eeredienst--te bereiken. Bij afwezigheid van den Stadhouder werd de beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen, en den 6 September 1566 in eene groote vergadering van de Regering en de Bevelhebbers der schutterij, op voorstel van den wakkeren Burgemeester TJERK WALLES, besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat men reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig werd goedgevonden, het voorbeeld van vele Nederlandsche steden te volgen;--niet, om de kerken met baldadige woestheid te schenden, en beelden en sieraden aan de woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde standvastigheid en voorzigtig overleg het voorgestelde doel te bereiken: om de oude eeredienst af te schaffen en daarvoor dadelijk de Hervormde »preke" in de plaats te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en sieraden onmiddelijk uit de drie parochie-kerken weg te nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens een aantal burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze gebouwen in te rigten naar de behoeften van de eeredienst der Hervormden. Reeds den volgenden dag, waarop verboden werd eenig godshuis of klooster te schenden, werden de predikanten door de Stads regering en de schutters in de kerk van _Oldehove_ gebragt, en werd daar de eerste leerrede naar de wijze der Hervormden gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de andere kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche eeredienst werd verboden. Vele priesters traden uit eigene beweging tot de Hervorming toe[122].

[122] Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 der _Geschiedk. Beschrijving van Leeuwarden_ I en bij de daar aangehaalde schrijvers.

Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering alzoo de groote zaak der reformatie doorgezet. Met bedaardheid en kalme bezinning werd hier door de overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met zooveel woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige wijze werd verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden geestdrift is het volk niet altijd binnen de palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo lang geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten tijd genoot men echter de vrucht van deze moedige poging. Want spoedig kwamen er bevelen van den Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst te herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken. Mannelijk weigerde de eendragtige Regering en burgerij te gehoorzamen, en ~twintig weken~ lang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen, hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. Ook _Sneek_ en _Franeker_ volgden dit goede voorbeeld.

Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene overwinning. Nog hooger moest de nood stijgen, maar ook nog krachtiger tegenstand ontwikkelen, ten einde eene grootere zegepraal en meer algemeene en duurzame bereiking van het goede doel te bevorderen. Op een bijzonder bevel des Konings kwam de Stadhouder AREMBERG in Januarij 1567 met eene aanzienlijke krijgsmagt te _Leeuwarden_, en eischte het verdrijven van de leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering, tegen de overmagt van het geweld niet bestand, deed wel ernstige pogingen, om zijne toestemming te verwerven tot het voortdurend bestaan van de Hervormde godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken en gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de bedreigde straffen, ontweken vele edelen en burgers nu een vaderland, dat zoo schandelijk verdrukt werd. Een zeventigtal vroegere priesters volgde hen, meest naar het herbergzame _Oost-Friesland_, waar de hervorming reeds vroeg was gevestigd, en waar men, onder bescherming der regering, lang veilig was voor de vervolgingen. De kerken werden ten behoeve der Roomsche eeredienst op den ouden voet hersteld. Hoe gematigd AREMBERG zijn last ook uitvoerde, zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte deze onderwerping groote smart en wrok jegens den Koning, tegen wien men zich eerst nu begon te verzetten en den tachtigjarigen strijd een aanvang deed nemen.

32. _Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der Nederlandsche Edelen. (1565.)_

De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van godsdienst-vrijheid naar de behoeften des volks, was voorafgegaan door eene belangrijke gebeurtenis, welke vervolgens van grooten invloed was;--eene gebeurtenis, zóó merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt.

De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche Adel trok zich de belangen der ingezetenen aan. Hij zag het, hoe alom de geest des volks zich tegen de willekeurige handelingen des Konings omtrent den veranderden vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat algemeene tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk scheen. De Edelen voedden dus de hoop, dat de poging van een aanzienlijk ligchaam des lands den Koning tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van het denkbeeld, om _Spanje_ tegenstand te bieden, den Koning af te zweren en dit land tot een onafhankelijken Staat te verheffen. Eerst later werd men daartoe gedrongen. Toen wilde men nog het bestaande gezag handhaven en beschermen, met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders. Twintig Edelen, te _Brussel_ bijeengekomen, ontwierpen in 1565 een Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen uit alle Nederlandsche provinciën toetraden, met het doel, om 's lands vrijheid te verdedigen en de inquisitie te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April 1566 der Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan, waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning tot verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en tot opheffing van de geloofs-vervolging te bewegen, dewijl deze blijkbaar dienden, om onrust en oproer te verwekken en ellende over het land te brengen. Wel beloofde de Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie of matiging van de uitvoering der plakkaten te zullen verzoeken; doch de wijze, waarop dit geschiedde, en de voortduring van de vervolgingen, welke aan die zoogenaamde _moderatie_ den bijnaam van _moorderatie_ gaf, overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde aan de billijke wenschen zijner onderzaten te voldoen. Zelfs werd hunne ernstige en welgemeende poging om 's Konings eigen belang te bevorderen in dier voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging; ja bij het aanbieden van hun verzoek werden zij door den Raadsheer VAN BARLAYMONT, een der voornaamste raadsmannen der Landvoogdes, schimpender wijze eene troep bedelaars of _geuzen_ genoemd, welken schimpnaam zij echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen. Vandaar, dat, na de mislukking van hunne edele vaderlandsche poging, welke zij miskend zagen, de meeste dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden werden van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning en zijn misbruikt gezag (1568).

* * * * *

Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk der overheersching gedragen. Welkom was hun dus de gelegenheid, om blijken te geven van hunne zucht, om het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen drie afgevaardigden dier Edelen te _Leeuwarden_ kwamen, om den Frieschen Adel tot deelneming op te wekken, vonden zij, onder bescherming der Staten, hier zóó veel bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der regeringen van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden en zich bereid verklaarden, de willekeur des Konings te helpen tegenstaan. Een getal, hetwelk, in vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de 17 Nederlandsche provinciën te zamen, zeker zeer aanzienlijk was, en blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de Friezen bezielde. Vruchteloos waren echter hunne eerste pogingen ter bekoming van verzachtende maatregelen. Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van godsdienst te bekomen: want nadat de hervorming te _Leeuwarden_ weder onderdrukt was, drong de Stadhouder AREMBERG bij de Staten aan, dat zij het Verbond der edelen zouden ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om vergiffenis moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen voor geene bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit het fiere en krachtige antwoord, hetwelk zij den Stadhouder deden toekomen in deze, voor die dagen, hoogst opmerkelijke woorden: »_dat zij, voor zich en de bondgenooten, alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd was, en dat zij, noch uit gunstbejag, noch uit vrees, van hunne regten afstand zouden doen, maar liever een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het handhaven van 's lands vrijheden wilden geven, al moesten zij het ook met den dood bekoopen._"

Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen den uitvoerder der bevelen eens dwingelands getuigde van een verheven moed en heldengeest, welke de aanzienlijksten des lands en velen dier verbondene edelen doordrong. Want al moest ook een aantal hunner met vele geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren van AREMBERG en de komst van den wreeden Hertog van ALVA, vlugten, om de vervolgingen te ontgaan,--met den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke daden verrigten. Toen toonden zij weder der Friezen oude moed en trouw, en hunne voorvaderlijke zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid. Toen dachten zij vol moed en hoop:

_Geen bloed kan glorierijker vloeijen, Dan 't geen het Vaderland bevrijd._

En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging:

_Want, waar de Vrijheid is verloren, Is 't Vaderland een ijdle naam_[123].

[123] ONNO ZWIER VAN HAREN, _de Geuzen_. Zie daarover _Aant. 20_.

* * * * *