Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 15

Chapter 153,468 wordsPublic domain

Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold, daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit reeds eenige personen voortkwamen, die zich door bekwaamheden onderscheidden en tot waardigheden verheven werden[115]. Een aantal der op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken. Sedert de oprigting van het _Hof van Friesland_ vielen vele edelen bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter verkrijging van kundigheden veelal groote reizen door _Duitschland_, _Frankrijk_ en zelfs _Italië_, waar zij de hoogescholen bezochten en veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden. _Wittemberg_ en _Pavia_, doch vooral _Keulen_, _Leuven_ en _Rostok_, worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit _Friesland_ zich ter studie begaven[116]. Opmerkelijk is het althans, dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons vaderland nog op een lagen trap stond, uit _Friesland_ zoo vele uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk vermelden.

[115] Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de Saksische regering opgemaakt, komt voor bij WINSEMIUS, 402 en _Oudh. en Gest._ II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.

[116] Zie JANCKO DOUWAMA'S _Geschriften_, 508 en Inleid. 45. Hij raadt zijne vrouw, hunne zonen liever naar _Parijs_ of _Orleans_ ter studie te zenden, omdat het "aldaer niet also costumelijck is to drincken, alst in dese Nederlanden wal is!"

Als ~Regtsgeleerden~ en ~Staatsmannen~ hebben bijzonder uitgeblonken: VIGLIUS VAN AYTTA VAN ZWICHEM (geb. 1507 nabij _Wirdum_), die, wegens uitstekende bekwaamheden, door Keizer KAREL en zijn zoon FILIPS tot hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad te _Brussel_, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten bewees, even als zijn vriend JOACHIM HOPPERS (geb. 1522 te _Sneek_), die mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning van _Spanje_, te _Madrid_. AGGE ALBADA, van _Goënga_, was eerst Raadsheer in het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te _Spiers_ en bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat zelfde Kamergerigt te _Spiers_ had ook zitting CIPRIANUS STAPERT, van _Wommels_, die door den Keurvorst van _Ments_ tot Hoogleeraar aldaar werd aangesteld. Evenzoo werden BOËTIUS EPO (BOTE YPES, van _Roordahuizum_) te _Douai_, WYBRANDUS VAN AYTTA te _Dôle_, JULIUS VAN BEYMA (geb. 1539 te _Dokkum_) te _Wittemberg_, REGNERUS SIXTINUS (geb. 1543 te _Leeuwarden_) te _Marburg_, JOANNES VAN DOCKUM te _Keulen_ en SUFFRIDUS PETRUS (geb. 1527 te _Leeuwarden_) te _Erfurt_, _Leuven_ en _Keulen_, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der Friezen. Bovendien waren in _Friesland_ KEMPO VAN MARTENA, HECTOR VAN HOXWIER, UPCO VAN BURMANIA, SICKE en PIETER VAN DEKAMA, SYDS TJAERDA, HAIJO HERMANNUS, WILCO VAN HOLDINGA en anderen om hunne geleerdheid en bekwaamheid destijds in hoog aanzien.

Als beoefenaren van de ~Letterkunde~ der Grieken en Romeinen waren toen en later, behalve genoemde SUFFRIDUS PETRUS, zeer geacht: GEORG RATALLER (geb. 1528 te _Leeuwarden_), die Raadsheer werd te _Artois_, _Mechelen_ en _Utrecht_, Gezant naar _Denemarken_ enz.; STEPHANUS SYLVIUS, Pastoor te _Leeuwarden_, te _Heidelberg_ tot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd, en WILLEM CANTER (geb. 1542 te _Leeuwarden_), die, even als VITUS WINSEMIUS en de vier geleerde broeders POPMA van _Ylst_, onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven.

In de ~Wis-~, ~Natuur-~ en ~Geneeskundige Wetenschappen~ vinden wij destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: GEMMA FRISIUS (1508 geb. te _Dokkum_) en zijn zoon CORNELIUS GEMMA, beide Hoogleeraren te _Leuven_, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven. Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde JAN VREDEMAN DE VRIES (geb. 1527 te _Leeuwarden_) in _Antwerpen_ en elders grooten roem. JOANNES ACRONIUS (van _Akkrum_) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde te _Bazel_, in welke stad, op de grenzen van _Zwitserland_, ook LAURENTIUS DE FRIES in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. ANDREAS MIRICA (geb. te _Lemmer_) doorreisde bijna geheel _Europa_ en was daarna te _Leeuwarden_ als Geneeskundige beroemd; SIXTUS HEMMEMA, Doctor in de Wis- en Geneeskunde te _Leuven_, bestreed de Astrologen dier dagen; terwijl PETRUS TIARA (in 1514 geb. te _Workum_), wegens zijne geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd te _Leuven_, _Douai_, _Leiden_ en _Franeker_.

Ook de ~Geschiedenis~ van _Friesland_ vond in het eerste gedeelte dezer eeuw ijverige beoefenaars in JANCKO DOUWAMA van _Oldeboorn_, in KEMPO VAN MARTENA, in de kloosterbroeders PETER en WORP VAN THABOR, en later in CORNELIUS KEMPIUS (van _Dokkum_) en genoemden SUFFRIDUS PETRUS, in wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven. (_Aanteekening 18._)

Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór 1570 in _Friesland_ geene boekdrukkerij heeft bestaan;--en als wij bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen, om kennis en wetenschap te vergâren:--dan mogen wij ons met regt verwonderen over het groot getal geleerden, welke _Friesland_ omstreeks het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk, dewijl er vóór 1576 in _Noord-Nederland_ nog geene hoogescholen of algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de zuilen van iederen burgerstaat.

29. _De Regering van Koning Filips van Spanje. (1555-1580.)_

Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad _Brussel_ den 25 October 1555 opleverde. _Keizer_ KAREL V, die bijna veertig jaren lang _Duitschland_, _Spanje_, _Nederland_ en zijne overige Staten met roem had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen ten behoeve van zijn zoon FILIPS. Hij deed dit met eene roerende aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen verwerven. Hierna beloofde FILIPS onder eede, dat hij de regten der landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van trouw en hulde.

Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon, dat de eed ~geknield~ werd afgelegd. Alle gezanten der zestien Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de acht afgevaardigden van _Friesland_ zagen hierin een vernederend huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende. Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene schare alleen ~staan~ blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van een hunner, GEMME VAN BURMANIA, door te zeggen:

_Wij Friezen knielen alléén voor God._

Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam van _de Stand-Fries_, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van karakter of van een krachtigen wil.

* * * * *

De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid van FILIPS, die hier, gelijk in _Spanje_, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen, namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust, daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven. Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen, weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van _Nederland_ in godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid waardig.

30. _Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de Doopsgezinden. (1520-1560.)_

De geschiedenis der ~volken~ staat dáárin gelijk met de geschiedenis van ieder ~persoon~, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking. Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren. Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen. Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige tooneelen oplevert.

De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd, was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden. Spoedig echter werd die goddelijke leer door menschelijke dwalingen verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst te zien.

Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk? In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt: onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles, wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in opstand, en vroeg: wat wilt gij?

Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen waren geweest, vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk, omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken--de Inquisitie.--Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!

Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten. MAARTEN LUTHER had, in 1517, in _Duitschland_ den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke eeredienst.

De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle streken van _Europa_ en ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten bijval. Het staatkundig belang van Keizer KAREL bragt echter mede, dat hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in _Friesland_ strenge plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen van LUTHER veroordeeld-, zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf bedreigd werden[117]. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen. Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welke _Friesland_ omstreeks dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden, tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche kerkleer met geweld trachtte te beschermen.

[117] _Charterb._ II 107, 415; WINS. 458; SCHOT. 621 env.

* * * * *

Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de kerk te hervormen, worden met eere genoemd GELLIUS FABER DE BOUMA van _Jelsum_ en MENNO SIMONS van _Witmarsum_. Dan, de eerste moest in 1536 en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht, met die Wederdoopers overeen te stemmen; het allermeest de Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.

Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk, welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het geloofs-onderzoek in _Nederland_ openlijk in te voeren. Van toen af, en vooral na 1557, wanneer WILLEM LINDANUS als Kettermeester herwaarts werd gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des lands verzetten zich zelfs tegen LINDANUS, en beschermden der ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie _Aanteek. 19_.)

* * * * *

Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil te staan bij de kerkgemeenschap der _Doopsgezinden_, welke zich te midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van _Friesland_ dezer gezindte toegedaan was[118], en, in 't algemeen, omdat zij, door de geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de afdeelingen der Christenheid bekleedt.

[118] Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den geachten geschiedschrijver EVERHARD VAN REYD, die, toen hij in 1602 stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen Stadhouder, Graaf WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU. Zie zijne _Historie der Nederlantscher Oorlogen_, Leeuwarden 1650, 70.

Reeds hebben wij MENNO SIMONS genoemd. Hij was echter niet de stichter dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid door den naam van _Mennoniten_ of _Mennisten_, welken eene partij onder hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over 't algemeen gaven. Zij bestonden reeds lang vóór MENNO, ja hadden in _Friesland_ reeds hunne martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel van _Europa_, verspreid, als stillen in den lande het apostolisch Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid; totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot gedeelte van _Europa_ zag men eene menigte gelijkgezinde menschen optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken velen hunner uit _Frankrijk_, _Zwitserland_ en _Duitschland_ naar het noorden, ook naar _Friesland_, waar de regering minder streng was in de uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging MENNO over; onder dezen werkte hij.

Te _Witmarsum_ in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid, werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van _Harlingen_ gelegene _Pingjum_. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde de dood van SICKE SNIJDER, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te _Leeuwarden_ onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en toeloop onder het volk als evangelisch prediker.