Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 14
En inderdaad PIER kweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak der Gelderschen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in 1517 zijne vloot door al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met 1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee gevreesd werd. Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden van zijne togten en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden krijgers zich durven veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden.
Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te vergeefs wapende _Holland_ zich tegen der Gelderschen euvelmoed door in de West-Friesche zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten. Het eerste elftal, dat PIER niet ver van _Hoorn_ ontmoette, nam hij prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onder HIERONIMUS SNEES, met betaling voor het krijgsvolk in _Friesland_ in zee gestoken, werd met 18 schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en met 400 gevangenen in triumf te _Workum_ opgebragt. Uit _Enkhuizen_ werd eene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden, doch ook deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over de trouweloosheid van sommige kooplieden van _Medemblik_, verzamelt hij zijne magt bij _de Kuinder_, valt die stad aan, plundert en verbrandt haar ten deele, en keert met buit beladen terug. Ook _Hindeloopen_, dat door een hopman TENGNAGEL met 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen, bemagtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet ver van _Hoorn_ met overmagtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en strijdlust geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt. Vijfhonderd Hollanders laat hij over boord werpen; zeilt naar _Hoorn_, dat ingenomen en geplunderd wordt; trekt _Enkhuizen_ na het nemen van een schip voorbij; begeeft zich weder naar _Medemblik_, waar hij een viertal huizen in brand laat steken, en keert daarop naar _Friesland_ terug. Men wil, dat hij ook andere Hollandsche plaatsen, als _Alkmaar_, _Beverwijk_ enz., zou bemagtigd hebben, en dat mede de eilanden _Texel_, _Flieland_ en _Wieringen_ veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tusschen _Holland_ en _Friesland_ voer, hulken, karveelen en boeijers, ja ook Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op rantsoen. Zelfs overwon hij »een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt, dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was." De buit (dien hij onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde, was nog grooter[109].
[109] Dus spreekt MARTENA, _Landboek_, _Charterb._ II 92, 100.
Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn vriend OFFINGAHUIS mishandelden, die zijn neef GROOTE WIERD te _Leeuwarden_ op een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het krijgsregt dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige voorbeelden heeft[110]. Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking van de schand- en moordtooneelen, welke de Hollandsche benden te gelijker tijd in _Friesland_, in koelen bloede, aanrigtten, zoo als onder anderen te _Irnsum_, waar der bezetting van _Douma-huis_ lijfsgenade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze, tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord[111].
[110] DE JONGE, _Geschied. v. h. Ned. Zeewezen_, I 156, 189, 328, 351.
[111] Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul "dat arbeit verdroet," bij PETER VAN THABOR, _Archief_, II 201; SCHOTANUS, _Kron._ 587; JACOBY, _Kort en Beknopt Chron._ Leeuw. 1755, 121.
Nadat PIER in 1517 de Gelderschen tot verdediging van het belegerde _Sneek_ ondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog van _Gelder_ op een togt naar _Emmerik_ vergezeld had, zien wij hem op eens dat woelig krijgstooneel verlaten en zich als stil burger te _Sneek_ nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de vrijheid zijns vaderlands te herstellen. Maar toen hij eindelijk de listige handelwijze van Hertog KAREL bemerkte en diens bedoeling, om zelf Heer van _Friesland_ te worden, doorgrondde,--toen trok hij in teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der partijen af te wachten. Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in die dagen, ook bij zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zoo fel bestredene Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer voorstellen,--gansch anders is het oordeel over hem van land- en tijdgenooten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder bekend waren. De kloosterbroeder PETER VAN THABOR[112] noemt hem een man: »forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van hart als een Christen: want hij had eene goede meening, om vrij en friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden. Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had. Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon en mogt." Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers, HESSEL MARTENA en JUW BOTNIA, benevens eenige burgers van _Franeker_, hij de stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naar _Sneek_ liet voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land bevochten, nogtans kon hij niet dulden, dat hun in _Friesland_ door de Gelderschen leed werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet volbragten, wat ze beloofd hadden. Dáárom vreesden zij hem, die, als een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene eervolle nagedachtenis, en zeggen wij gaarne den dichter VAN HALMAEL na:
[112] _Archief_, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem kenschetsen, worden gevonden.
_Die 't Vaderland in nood beschermt, Voor recht en vrijheid strijdt, Zich over weeûw en wees ontfermt, Geweld noch onrecht lijdt; Dien, zij hij boer, of edelman, Of burger, of soldaat, Dien prijs, wat prijzen mag en kan Als steunsel van den Staat. Dien reik m' alom, in ieder oord, Dat knielt voor God-alleen, Den laauwer, die den held behoort, En d' eikenkrans metéén!_
_Held Pier, de groote Pier genoemd,-- Niet, slechts om lichaamskracht,-- Op wiens geboorte ons Kimswert roemt, Zij zóó door ons herdacht. Hij leed van Saksens dwinglandij, En Hollands overmoed, En vocht zich koen van beiden vrij, Ten prijs van goed en bloed. Hij zag zijn heerlijk Vaderland Gefolterd, overheerd, En 't slagzwaard blonk in 's landmans hand. Hier blijf' zijn naam vereerd!_[113].
[113] _Friesche Volks-Almanak_, 1837, 98. Verder _Aanteekening 16_.
25. _Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer Karel den vijfde. (1515-1555.)_
_Keizer_ KAREL V is een der belangrijkste personen in de geschiedenis. In een gewigtig tijdvak, waarin de meeste volken van _Europa_, na langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking van _Amerika_ en van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer van _Duitschland_, Koning van _Spanje_, _Napels_, _Sicilië_, _Mexico_ en _Peru_, Hertog van _Bourgondië_, Graaf van _Holland_ enz. een magtig gebieder over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden, zoowel in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne stadhouders of plaatsbekleeders, met wijsheid te doen besturen en met kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in 1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders eerst door zijne moei MARGARETHA _van Oostenrijk_, als Gouvernante, en sedert 1530 door zijne zuster MARIA _van Hongarije_ als Landvoogdes bestuurd.
* * * * *
Toen KAREL in 1515 _Heer van Friesland_ was geworden, zond hij Graaf FLORIS _van Egmond_ als zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land te nemen. Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk een groot gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Franeker_, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de zijde van KAREL kozen en hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote krijgsmagt uit _Holland_ over, zoowel om zijn gezag in deze streken te beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Gelderschen te bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel zeer moeijelijk: want de Gelderschen hadden zich zóó vast genesteld, en wisten de ingezetenen door allerlei schoone beloften zóódanig tegen het gezag van den Hollandschen Graaf in te nemen, dat _Friesland_ gedurende de eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandschen oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden, omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou besturen. Dat regt moest hunne heerschzucht echter koopen voor het goed en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden, wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigsten Vorst was.
Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder WILLEM _van Roggendorf_ (1517) in 1521 vervangen was door GEORG SCHENCK, Vrijheer van _Toutenburg_, werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de Gelderschen. De stad _Sneek_, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd in 1522 door hen verlaten; _Dokkum_ en _Bolsward_ gingen in het volgende jaar over, en in 1524 kwam geheel _Friesland_ onder het gezag van Keizer KAREL, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en regten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het genot van geene hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische regering waren toegestaan[114].
[114] Zie _Charterb._ II 143, 436-478; WINSEMIUS 463; SCHOT. 613.
Met den jare 1524 werd dus de vrede in _Friesland_ hersteld en het bestuur des lands op een eenparigen voet geregeld. Terwijl andere provinciën van ons vaderland, als _Groningen_, _Utrecht_, _Overijssel_ en _Gelderland_, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorregten: van vrede en veiligheid en van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart en vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den nieuwen landsheer was der getrouw geblevene steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Franeker_ al spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten. Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en Leerschool werden dáár opgerigt. Nuttige verordeningen ten aanzien van zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen, vleesch, visch en andere voortbrengselen des lands naar _Bremen_, de Oostzee en elders, zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed waren. Zoowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig en gelukkig waren dus de jaren, waarin de genoemde Stadhouder SCHENCK dit gewest vervolgens bestuurde. Ook zijne opvolgers, MAXIMILIAAN _van egmond_, Graaf van _Buren_ (1540) en JOHAN _van ligne_, Graaf van _Aremberg_ (1548), wisten zoowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer vereenigd, één, elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke toenadering bevorderd. De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt. Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het zuidoosten van _Friesland_ in dezen tijd in vruchtgevende akkers herschapen, door ze af te graven, den turf te vervoeren, groote vaarten aan te leggen en de afgegravene landen te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger begonnen, doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door den Raadsheer PIETER VAN DEKAMA en andere Heeren, hebben den oorsprong gegeven aan het vlek _Heerenveen_, de vruchtbaarheid van dat oord bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij groote voordeelen aangebragt.--Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor het genot van nog grootere voorregten, als burgers en als christenen.
* * * * *
Het midden der 16e eeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een overzigt te geven van den toenmaligen toestand des lands en de zeden der inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers, maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die schrijver, WORP VAN THABOR, in 1538 overleed, zal deze schets welligt op omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons moeten verwonderen over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de verwoestingen des oorlogs zoo vele jaren lang hadden te weeg gebragt. Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den volksaard en de voorvaderlijke instellingen zóó vast te bewaren en te beschermen tegen alle staatkundige overheersching, dat de pogingen der Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de magt des Keizers te vergrooten, bij hen immer schipbreuk leden.
26. _Schets van den Toestand van Friesland, omstreeks den jare 1530._
»_Friesland_ (schrijft WORP VAN THABOR) is een vlak land, zonder bergen, maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte van _Friesland_ overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele streken van _Nederland_ voorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor veeteelt. Ook heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen) uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met gedroogden koemest. Overigens telt _Friesland_ slechts weinige steden, maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en andere soorten van vogels niet te spreken, die in _Friesland_ ontelbaar zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. _Friesland_ brengt derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd."
27. _Schets van de Zeden der Friezen, omstreeks den jare 1530._
»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen wensch (dus vervolgt WORP VAN THABOR), verdient te worden opgemerkt, dat de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche volken verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren, dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels, aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.
De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms _Friesland_ bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.
Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende geaardheid toe te kennen, openbaren zij die echter, zoo men juist wil spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen, onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen, waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang, met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.
Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal mij vergenoegen hier aan te halen wat BARTHOLOMEUS _de Engelschman_ en na hem AENEAS SYLVIUS (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van PIUS II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend, van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en, ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden, en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters, die zij jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich, in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht, aan de dienst van God hebben toegewijd." (Zie _Aanteekening 17_.)
Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold.
28. _Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw._