Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 13

Chapter 133,466 wordsPublic domain

22. _Friesland onder het bestuur der Hertogen van Saksen. (1498-1515.)_

ALBERT of ALBRECHT, _Hertog van Saksen-Meissen_, een der grootste veldheeren van zijn tijd, zonder wien een tijdlang geen krijg in _Duitschland_, _Hongarije_, _Italië_ en _Nederland_ werd gevoerd; de man, die de regterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de minderjarigheid van FILIPS II, door het bedwingen van de oproerige Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodsvolk in _Holland_, dezen Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, dat ALBERT niet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een hevige brand, welke de stad _Dresden_ in 1491 voor een groot gedeelte verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader, Keizer MAXIMILIAAN, dien het immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het Erfstadhouderschap over _Friesland_ te beleenen, indien hij slechts kans zag, van dat gewest meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren lang beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun hadden. Zóó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendragt en rust na te jagen!

ALBERT zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf WILLEBRORD VAN SCHAUMBURG, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naar _Friesland_. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen van _Westergoo_ te bemagtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch het meer Vetkoopersgezinde _Oostergoo_ en vooral het afgelegene _Zevenwouden_ moesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden. Zelfs werd _Leeuwarden_ tweemalen door hem belegerd, vóór het zich overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel, blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het opgedrongen gezag.

In Junij van het volgende jaar, 1499, kwam ALBERT zelf met zijn zoon HENDRIK in _Friesland_, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe stelde hij een Provincialen Raad van elf edelen in, met zijn kanselier SIGMUNDT PHLUG aan het hoofd. Aan dezen Raad, te _Franeker_ op _Sjaerdama-huis_ gezeteld, was zoowel het bestuur van het land als de uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk van _Oldehove_ te _Leeuwarden_ met veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok hij naar _Groningen_, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den Keizer geschonken, had te bemagtigen.

Hij had hier zijn zoon HENDRIK ter uitoefening van het bewind achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerschzuchtig. Hij handelde voor 't minst zeer onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf hij de zaak zijns vaders in eens zóódanig, dat hij zich gehaat maakte bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door afkeerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling. Reeds in den volgenden jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra eene groote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog in _Franeker_ (van half Mei tot half Julij) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op 16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij het zwakke stadje niet eens konden bemagtigen, en zich eerlang verstrooiden, toen ALBERT zelf met eene legermagt van 5 à 6000 man tot ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wreede strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg van _Groningen_, doch overleed kort daarna te _Emden_ (12 Sept. 1500).

Vervolgens werd _Friesland_ gedurende drie jaren op naam van Hertog HENDRIK en zijnen broeder GEORG _van Saksen_ door den Stadhouder HUGO _van Leijsenach_ bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertog GEORG zelf in _Friesland_ en alléén aan de regering. Eerst toen werd het landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot stand gebragt. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk de middelen, om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen, orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der ingezetenen te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de bekende _Ordonnantie van Saksen_ uit, welke uitvoerige bepalingen ter uitoefening van het regterlijk en burgerlijk bestuur, zoowel door het Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof, waarvoor te _Leeuwarden_ naast het Blokhuis eene Kanselarij werd gebouwd. Ook werd er eene Munt opgerigt in deze zelfde stad, welke dáárdoor het aanzien van Hoofdstad van _Friesland_ bekwam. Vervolgens voerde hij strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde zeedijken. De belangrijke aanslijking van _het Bildt_, welke zijn vader reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden. Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tusschen _Leeuwarden_ en _Dokkum_ en andere, welke mede gedurende de onlusten zoo lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. Tusschen _Leeuwarden_ en _Franeker_, _Sneek_ en _Bolsward_, werden onder zijn bestuur breede vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zoowel de gemeenschap te water tusschen de voornaamste steden als de afstrooming zeer werden bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewigten, en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten deele nog is[103].

[103] Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheel _Friesland_ Cohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder dezer Floreenen werd toen eene "Jaartax" of schatting van 3 stuivers gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons ([f]6,30) bereikte. Naar dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. Zie _Charterb._ II 13; SCHOTANUS, _Kronyk_, 497; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving_, I 881; _Tegenw. Staat_, IV 338; GRATAMA, _Gelukkige toestand van Friesland_, Harl. 1795, 32.

Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mogt Hertog GEORG met regt een weldoener van _Friesland_ genoemd worden. Bovendien trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid door-en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, als HENDRIK, _Graaf van Stolberg_, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van 1505 tot 1508 's Hertogen plaatsbekleeder was. Een man, wiens naam wij met liefde en hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenooten verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen. Als »een goed, regtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en het land lief had," werd hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te _Keulen_ overleed, in de Groote Kerk te _Leeuwarden_ met groote plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid over zijnen dood eene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten.

Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een tijdgenoot, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, daar zij vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was[104]. Want toen eerst werden er in _Friesland_ rust en maatschappelijke orde, regt en veiligheid, zoo groote voorregten eens burgers! verkregen. Landbouw en handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder begunstiging van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur, dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat de menschelijke driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden van den oorlog deden gevoelen.

[104] MARTENA, _Landboek_, _Chart._ II 67; DOUWAMA, _Geschriften_, 135.

EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mogt de genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den vruchteloozen oorlog ter bemagtiging van _Groningen_, en door andere maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij twee voorname edelen, GERBRAND MOCKEMA en JEMME HERJUWSMA, van heimelijke verstandhouding met den Graaf van _Oost-Friesland_ beschuldigd en overtuigd, in 1512 te _Leeuwarden_ liet onthoofden. Het zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en sneed de genegenheid af, welke men den Saksischen Vorst tot dusver had toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te zullen bekomen van den Hertog van _Gelder_, die ze gereedelijk beloofde, en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden vond Hertog GEORG _van Saksen_ het geraden, zich veilig terug te trekken, en zijn regt op het bewind over _Friesland_ in 1515 voor 100,000 Goudgld. over te dragen aan KAREL _van Oostenrijk, Graaf van Holland_[105].

[105] Zie over ALBERT en zijne zonen meer bijzondere berigten in VON LANGENN, _Herzog Albrecht der Beherzte_, Leipzig 1838, 232 env. en BÖTTIGER, _Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen_, Hamburg 1830, I 468-480. Verder _Aanteekening 15_.

23. _De Gelderschen in Friesland. (1514-1523.)_

Te vergeefs hadden de Hertogen van _Saksen_ lang getracht, ook het naburige _Groningen_ en de Ommelanden te bemagtigen. Graaf EDZARD _van Oost-Friesland_ ondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde, dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mogten eischen. Tevens begeerde hij zelf het gebied over _Groningen_ te bekomen, en, toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den listigen KAREL _van Egmond, Hertog van Gelder_. Doch tegen dezen heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij niet opgewassen. Zij kwamen heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stooten, door Geldersche benden in _Groningen_ en _Friesland_ te zenden, waarover EDZARD het bevel zou voeren in naam van KAREL, die, des verkiezende, zijn gezag weder als leenman aan den Koning van _Frankrijk_ zou kunnen opdragen. Doch, zoodra KAREL _van Egmond_ een gedeelte der voor zijne hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zoowel den Saks als EDZARD van het gezag te ontzetten en zich zelven in beider plaats te vestigen. Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan EDZARD, die over deze misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al zijne krachten naar _Friesland_, om ook dáár het zelfde doel te bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de Saksers.

Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche soldaten herwaarts. Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk gedeelte van _Friesland_ voor den Hertog van _Gelder_ in. Dit viel hun te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegene schattingen der Saksers aan te brengen. En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat de Saks _Friesland_ verraden- en aan den Hollandschen Graaf, den erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden en acht grietenijen over, die zich vóór KAREL _van Oostenrijk_ en niet vóór den Gelderschen Hertog verklaarden. _Sneek_ werd toen de zetel van het Geldersche gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van daar talrijke benden uitzond ter bemagtiging van de overige deelen des lands.

Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden. De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de Geldersche over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid heerschten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen beroofden. Behalve de Geldersche en de Bourgondische knechten, deed dit bovendien inzonderheid eene talrijke bende, de _Zwarte hoop_ geheeten, op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën bedreef zij schrikkelijken moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand en de landzaten met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de Gelderschen het in 1516 de stad _Leeuwarden_ met eene groote magt aan te vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter eerlang op, toen Prins KAREL een aanzienlijk leger van 4000 knechten en 300 ruiters uit _Holland_ herwaarts zond, dat te _Harlingen_ landde en _Leeuwarden_, den zetel van zijn gezag, ontzette. Deze Bourgondische benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de Gelderschen, die hulp uit _Groningen_ en zelfs uit _Frankrijk_ hadden ontvangen. Jaren lang bleef _Friesland_ alzoo een twistappel tusschen twee magtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de kans. De Hertog van _Gelder_, hoe moedig ook, en gewoon zich met geringe middelen tegen den magtigsten te meten en voor geene gevaren terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden tegen den magtigen Graaf van _Holland_, die intusschen ook _Koning van Spanje_ en _Keizer van Duitschland_ was geworden, en die als KAREL _de vijfde_ spoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen algemeen ontzien en geëerd was.

24. _Krijgsbedrijven van Groote Pier. (1515-1520.)_

Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de kerk en de buurt van het dorp _Kimswerd_ bij _Harlingen_ in 1515 door de uit _Holland_ overgekomene Bourgondische benden in asch gelegd. Daar woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op eene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte en forsch voorkomen was hij onder den naam van LANGE of GROOTE PIER bekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslacht VAN HEEMSTRA[106]. Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met groote oogen, breede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien, bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even als hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij zaâm, en bragt weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van de _Arumer Zwarte_ _hoop_ verkreeg. Met zulk een wakker man als PIER en zijn niet minder kloeken neef GROOTE WIERD (JELCKAMA) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste werk van, de Saksische benden na te zetten en uit _Friesland_ te verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf van _Holland_ herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun eenigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en magten te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te vestigen.

[106] Dit vermoeden van SCHOTANUS, op de kaart van _Wonseradeel_, is bevestigd door de berigten in het _Stamboek van den Frieschen Adel_, II, Nalez. 12.

Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van den Hertog van _Gelder_, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friesche vrijheid in eere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij niets vuriger wenschten. Doch die Hertog van _Gelder_ vereenigde zich ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne krachten, als omdat hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vreezen, indien slechts het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte, dan om ook Heer van _Friesland_ te worden, gelijk hij reeds van _Groningen_ was. Dáár had sluwheid zijner heerschzucht de hand geboden, om een mededinger als Graaf EDZARD den voet te ligten. Hier kon PIER hem even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen Gelderschman boven verwachting.

Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het eerste was: den haat, welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zoowel van ouds als wegens de verwoestingen, welke de uit _Holland_ overgezonden benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was: hunne vrees, dat zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijze _Friesland_, ~voor geld!~ had verkocht aan Prins KAREL _van Oostenrijk_, Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren. Het derde middel was: eene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had toegerust en bemand, met oogmerk, om dát _Holland_ te tuchtigen en afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan, zoowel te land als te water, met eene woede, die alom vrees en verbazing wekte. Sedert 1492 hadden KAREL'S grootvader en vader hem het regt op _Gelder_ en _Zutphen_ betwist, hoewel hij zich daarin door kracht van wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Fransche hulpbenden in dienst had, en die _Holland_ voor der Gelderschen invallen bestendig »in de uiterste bekommering" hield. Sinds hij in 1504 te _Harderwijk_ eene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene koopvaardijschepen der Hollanders gemunt[107]. Mogt zijn eerste scheepstogt, in laatstgenoemd jaar, voor _Monnikendam_, mislukken, hij stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzee als op den Rijn, zoowel in _Overijssel_ als in _Utrecht_ streefde de onvermoeide krijger naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512 _Amsterdam_ aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22 koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan[108]. Dat zulk een man, die lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die te _Groningen_ zich als Opperheer en in _Utrecht_ als Beschermheer erkend zag; die zijne Staten uitbreidde en het magtige _Holland_ ~vijftig~ jaren lang trotseerde en groote schade berokkende,--dat zulk een man _Friesland_ in dien toestand niet dadelijk bemagtigd heeft, en het zelfs nimmer geheel heeft kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.

[107] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 306, 322, 324, die ook vermeldt, dat FILIPS in 1504, tot bescherming van de Zuiderzee tegen de Gelderschen, te _Hoorn_, _Enkhuizen_ en _Edam_ eenige oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij onze schrijvers onbekend gebleven, zeeman PIETER VAN LEEUWARDEN. Gewis een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.

[108] WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 375; DEZ. _Amsterdam_, I 210-214; VAN KAMPEN, _Geschied. der Nederlanden_, I 215-238; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 120; NIJHOFF, _Bijdragen_, VIII 66. Ik heb dit alles inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde bedrijven van PIER tegen _Holland_ niets anders waren dan eene voortzetting van hetgeen KAREL _van Gelder_ reeds langer dan tien jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden deelnamen.

In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder eene gelukkige greep, dat hij PIER wist over te halen, om zich met zijne manschap te begeven op de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen titel van _Admiraal der Zuiderzee_, het opperbevel daarvan te aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis, dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen, om _Holland_ te beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke van daar naar _Harlingen_ werd gezonden, tot ondersteuning van KAREL'S benden in _Friesland_, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te wenden. Deze laatste oogmerken waren genoeg, om PIER en de zijnen te bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets meer te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller taak dan het vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in eere hersteld zou worden door den Hertog van _Gelder_, die dit zoo dikwijls beloofd had, en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet durfden wantrouwen.