Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 12
De verpletterende ramp, welke _Friesland_ bedreigd en als ten ondergang bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit den strijd het hoofd weder opgebeurd. 't Was echter, alsof het Hertog ALBRECHT krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals wilde hij dat weerbarstige _Friesland_ veroveren, bedwingen en aan zijn gebied onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen. In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt naar _Friesland_. Evenzoo de steden van _Holland_, en _Zeeland_, waarvan enkel _Dordrecht_ moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden, 10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden. Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte wegen gemakkelijk te maken[86]; terwijl de getallen dier handwerkslieden blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in _Noord-Holland_ was geschied, waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op onse vyanden die Oistvriesen." Bovendien moesten de elf voornaamste Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht hij de stad _Zierikzee_, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in _Engeland_ had aangeworven, te halen en naar _Vlissingen_ te brengen. Van elders leende hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit _Zeeland_, _Utrecht_, _Zalland_, het land van _Altena_ enz.; terwijl de Heer van _Hensberg_ hem met 200 bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk _Haarlem_ met 4 schepen en 5000 oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den Koning van _Frankrijk_ en andere vreemde Vorsten, en besloten de Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met de talrijke vloot te _Enkhuizen_ verzameld, alsof het de verovering van het Heilige land zou gelden[87].
[86] Dit is waarschijnlijker dan IDSINGA'S meening van planken, tot bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.
[87] Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt. Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 "Malvezie, craemcruyt ende cokenkruyt besorgers," 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast "te coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout." Voorts "Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te waecken ende die tenten helpen op te breken."--"Item, sal men hebben vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel ovens stellen, om daer brood voor 't gemeen volck te backen, drie bruyn ende 't vierde witt." Doch wij zouden te uitvoerig worden, als wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter nog geen spoor vermeld.
Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel van Graaf WILLEM _van Oostervant_, over de Zuiderzee, en landde tusschen _de Lemmer_ en _Takozijl_. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind dan toen. Sedert dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat het in den vorigen jare 1397 bij _Dronrijp_ tot een veldslag was gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van _Holland_ over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat JUWINGA, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te versterken[88]. Het leger trok alzoo onverhinderd door _Gaasterland_, doch vond niet ver van _Hindeloopen_ vele Friezen verzameld, die eene poging wilden doen om _Stavoren_ te beschermen. Zij werden echter na een hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar _Stavoren_, waarin zich eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de aanzienlijkste edelen van _Oostergoo_ en _Westergoo_ met WILLEM _van Oostervant_ in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten 's lands zouden verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89]
[88] Zie dit omtrent _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ I 55, 372.
[89] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 281; SJOERDS, _Jaarb._ IV 127.
Eerlang werd nu Hertog ALBRECHT _van Beijeren_ door geheel _Friesland_ als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen-en huldebrieven. Op verscheidene plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan, begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren. Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in het begin des volgenden jaars openbaarden[90]. Die schending van het verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen, behalve uit _Stavoren_, verdreven. Te vergeefs zond de Hertog nieuwe benden uit de Hollandsche steden naar _Stavoren_, dat door de Friezen krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs trachtte hij bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen in _Holland_ en _Zeeland_, ja zelfs in _Utrecht_, aangeschreven, hem ten spoedigste met 550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen. _Dordrecht_ was daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40 arbeiders, »of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden." De overige steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid[91].
[90] Dit blijkt uit de stukken _Charterb._ 289, 290, 298.
[91] Zie al die oproepingen in het _Charterb._ 309-314.
Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder aanvoering van Graaf WILLEM _van Oostervant_ te _Stavoren_ geland, wel de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield en _Dokkum_ innam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen, waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om 's Graven gezag ook in _Groningen_ te vestigen, mede verijdeld waren.
In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des volgenden jaars 1401 schreef hij in _Holland_ en _Zeeland_ eene dubbele en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde daarmede een togt te doen naar _Stavoren_, om de twee kasteelen te voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad te doen bouwen[92]. Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October 1401 werd die te _Bolsward_ voor zes jaren gesloten, bij een verdrag, waarbij de Friezen tusschen den Wezer en _de Lemmer_ voor zich gunstige bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het gebied over _Stavoren_ lieten behouden[93].
[92] Zie deze stukken in het _Charterb._ 321-325, ook 298. Het kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.
[93] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 327 en SJOERDS, _Jaarb._ IV 225.
* * * * *
De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning waren voor Hertog ALBRECHT zeer bedroevend: want die verbazende krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt was te gehoorzamen[94]. Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (Zie _Aanteekening 13_.)
[94] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 2e dr. 59.
* * * * *
Al de latere Graven van _Holland_ in de 15e eeuw hebben echter bestendig hunne vermeende aanspraak op _Friesland_ doen gelden, door bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens tijdig genoeg verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd[95]. Geen dier Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen, vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van tijdgenoot en nageslacht verdienen.
[95] Zie WORP VAN THABOR, IV 38, 97; _Charterb._ 399, 593.
_Zóó is de Fries. Wanneer gevaren Der Vrijheid zweven, om zijn kust, Dan weet zijn moed van geen bedaren, Noch zijne Leeuw van logge rust. Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken Of wil betemmen of verblikken, Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!_[96]
[96] O. Z. VAN HAREN, _de Geuzen_, 15e zang.
21. _Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid._
Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren ondergang noodwendig moesten veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, was _Friesland_ sterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór (bl. 93) over het ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.
Na het sluiten van den vrede met Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, staken de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke geslachten, kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was zoowel in _Friesland_, als in _Groningen_ en _Oost-Friesland_ het geval, en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die hunne volksvoorregten in de 15e eeuw tweemalen bevestigden, waren de Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en bandeloosheid ontaardde. Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger, zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,--daar moet de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der onrustige 15e eeuw in _Friesland_.
Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en dat die hulp alzoo duur te staan kwam. Dit deed althans de stad _Groningen_, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de Schieringers, die meest in _Westergoo_ woonden, soms hulp in _Holland_ zochten, riepen de Vetkoopers van _Oostergoo_ daarentegen de ondersteuning van _Groningen_ in. Gereedelijk voldeed dit aan dat verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving. Ja, deze stad wist het met allerlei middelen zóó verre te brengen, dat zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en geestelijken van _Friesland_ een verbond van bescherming aanging, waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen. Dan de Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten in _Friesland_ tot herstel van de rust. Zijn afgezant OTTO VAN LANGEN, Domheer van _Ments_, verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen[97]. Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen. Op een landsdag te _Sneek_ gehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te bewerken, dat JUW DEKAMA, van _Baard_, een wijs en vredelievend man, tot Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen, zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen, nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier onbuigzame gemoederen. Met felle woede en vreemde hulp vochten de partijen om de zegepraal.--Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te geven,--toen behaagde het Keizer MAXIMILIAAN hieraan een einde te maken, door _Friesland_ op te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te verpanden, aan den moedigen ALBERT, _Hertog van Saksen_, dien hij, onder den titel van _Erfpotestaat_, het bestuur over dit gewest toevertrouwde[98].
[97] _Charterboek_, 754, 758, 760.
[98] Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 der _Geschiedk. Beschrijv._ I.
Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig, ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de regel der losbandigheid:
_Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard. Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning, Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning_[99].
[99] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_.
Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde, eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof, moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg regeringlooze _Friesland_ de inwoners nood en dood en schade berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen, waaruit de _Donia-oorlog_ en de _twist om Bolsward_ ontstonden[100]. Wij hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende steden _Leeuwarden_, _Bolsward_, _Sneek_, _Franeker_, _Slooten_ en andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelen JELKAMA, CAMSTRA, JUCKEMA, GROUSTINS, JONGAMA, HARINXMA, SJAERDAMA en anderen belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig beoorloogden; of welk een rol de Raad van _Groningen_ onder dat alles gespeeld heeft.
[100] In de Narede van hier vóór genoemde treurspel en in de _Friesche Volks-Almanakken_ van 1841 en 1845 komen omtrent beide deze onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader wenscht ingelicht te worden.
Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen, grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de kracht der bezegelde zoenbrieven[101]. Het krijgvoeren was heviger geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd, zoodat alleen in deze 15e eeuw dertien overstroomingen de algemeene ellende verzwaarden.
[101] Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming bevat het _Charterboek_ en het Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.
De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de steden, verscheidene vernieuwd en vergroot werden. Hoe zouden kennis en wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het maatschappelijk welzijn.
Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving. Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne vaderlijke bedoelingen tot hun heil.
_Zóó dekt de Almagtige zijn wegen; Zóó is met wijsheid kracht vereend, En 't allergrootste nut gelegen In 't geen de mensch verwarring meent. Maar onverwacht zal 't licht verschijnen, Dat alle nevlen doet verdwijnen En wijst der Godheid ware reên. Leer, stervling! leer altijd te hopen, Totdat de tijd uwe oogen open' En toon', wáárom gij hebt geleên_[102].
[102] O. Z. VAN HAREN, in den aanhef van _de Geuzen_. Zie ook _Aanteekening 14_.
DERDE TIJDVAK.
FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.
VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN, TOT ERFPOTESTAAT VAN FRIESLAND, TOT DE HERVORMING IN KERK EN STAAT.
_Van het jaar 1498 tot 1580._