Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 11
Doch ook tot het bezit van _Friesland_ tusschen het Flie en de Lauwers strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of aanspraak te hebben ook op dit land, op grond van Giftbrieven der Duitsche Keizers[70]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En evenwel schonken zij _Oostergoo_, _Westergoo_ of _Stavoren_ nu aan de Bisschoppen van _Utrecht_, dan aan de Graven van _Holland_ of aan die van _Gelder_ en later weder aan den Markgraaf van _Brunswijk_ en anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot kwijting van schuld of wel om andere redenen[71]. De Friezen lieten hun regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich aan hen wilde opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden, zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.
[70] Ofschoon Graaf ARNOUD in de geslachtlijst der Graven van _Gent_, bij VAN LOON, _Aloude Hollandsche Histori_, 1734, II 236, reeds Heer over geheel _Friesland_ genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens der eerste Graven, bij SCHRIVERIUS, hiervan gewagen, zoo heeft reeds UBBO EMMIUS, _Hist. Fris._ lib. V, te kennen gegeven: "datter van de Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest: dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten." Zie SCHRIVERIUS, _Levens der Graven_, 's Hage 1667, 34.
[71] Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de Hollandsche en Friesche Charterboeken. SCHOTANUS heeft in zijne _Beschrijv. end Chron._ 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: _Vande verschenckingen deses Landts_. Zie ook HALSEMA, _Verh._ 306, en Mr. J. DIRKS, _Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland_, in de _Vrije Fries_, III 28, 37 enz.
Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard, In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart; De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken, Ontzag zich geen van hen haar d' ouderen te ontschaken[72].
[72] VAN HALMAEL, _de Schieringers en de Vetkoopers_, 142.
Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde Graaf FLORIS V ook _Friesland_ te bemagtigen. In 1288 schijnt hij daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén te vestigen in de koopstad _Stavoren_, welke zich daartoe zonder tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1 April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van _Friesland_ te bemagtigen[73].
[73] Zie _Charterb._ I 124, 126, 131 env.; SCHOTANUS, _tabl._ 13; WINSEMIUS, 179; WAGENAAR, III 46; SJOERDS, III 142, 149, 181.
Ofschoon _Stavoren_ in 1299 Graaf JAN II op gelijke wijze huldigde en de bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn. Immers, naauwelijks was Graaf WILLEM III, die eerlang den bijnaam van de goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met 1500 man een togt naar _Friesland_, en landde in _Gaasterland_, met oogmerk om _Stavoren_ van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen boden, onder hunnen Potestaat HESSEL MARTENA, hem zoo dapperen tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op. Daarom deden velen hunner een togt naar _Noord-Holland_, en bragten de ingezetenen van _Enkhuizen_ en omstreken met rooven en branden groote schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in _Friesland_, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men van hier nogmaals naar _Enkhuizen_ over, verbrandde wel vijf-en-twintig huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster te _Stavoren_ bij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74].--Met zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten elkander in die dagen! En tot welk doel?
[74] WINSEMIUS, 187; SCHOTANUS, 165; WAGENAAR, III 225; _Tegenwoordige Staat_, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten plaats.
* * * * *
Graaf WILLEM had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken. In 1310 sloeg hij eene verzoening met _Stavoren_ voor, welke werd aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid zelfs _Westergoo_ bewoog, hem, bij een verdrag, nabij _Alkmaar_ gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde tegenover het magtiger _Oostergoo_, dat zich tegen de aanneming van den Graaf bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door den Roomsch Koning LODEWIJK, die zelfs _Oostergoo_ en _Westergoo_ beide beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen verschillen met _Harderwijk_ en _Kampen_ zeer in hun belang regelde, en door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten die van _Stavoren_ in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in _Gaasterland_, doch ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in _West-Friesland_ wederkeerig te plunderen.
Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde werd gemaakt door een zoen, welke te _Haarlem_ door den Graaf met _Stavoren_ en _Westergoo_ werd gemaakt, schijnt hij in _Friesland_ weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door _Oostergoo_ erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in _Friesland_ geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende _Stavoren_ zijn zoon en opvolger Graaf WILLEM IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch _Westergoo_ volgde dit voorbeeld evenmin als _Oostergoo_[75].
[75] Zie over het medegedeelde omtrent Graaf WILLEM _den goede_, _Charterb._ 149-199; SCHOTANUS, 168; WINSEMIUS, 190 env.; WAGENAAR, III 224; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 228; _Teg. Staat_, I 454.
* * * * *
Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te _Stavoren_ voorgevallen, waarbij de zoon van een grafelijk ambtenaar het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen en onbesuisden Graaf WILLEM IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan te wenden, om gansch _Friesland_ aan zich te onderwerpen. Hij bragt eene groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de Zuiderzee en landde in de nabijheid van _Stavoren_. Een krachtige nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende _Utrecht_ had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende _Strijdlied_ in hunnen mond voegde:
Wierne de alde Friesen fry, Friesce soannen binne wy. De alde moed is net forroen: O, wy stjerre foar ues groun!
Stoarm in wetter haww' wy hôan Oer ues ljeawe Friesce lôan; 't Folk, dat foar nin weagen swicht, Fait it oarlochsswird eak licht.
Jane wy den eak nin keap Foar ien wylde stropers heap! Frydom, koft troch eigen moed, Is ues meer as goed in bloed.
't Gleaune scerpe krigersswird Loeke wy foar hoes in hird, In wy binne eang of bang, As foar frjemde keunings twang.
Broes' nou 't alde Friesce bloed! Kom wer, frye Friesce moed! Frydom, frydom is ues noft As de foegels yn de loft.
De alde Friesen wierne fry, Foar de frydom fjochte wy; In ien echte frye Fries Het fen frjemde twang ien grys[76].
[76] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 259.
De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig, zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door JAN _van Henegouwen_ aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van _Holland_, _Zeeland_ en _Henegouwen_, wier getal op 240, gelijk het gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.
»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage," zegt een Hollandsch geschiedschrijver[77]. Wie billijkt niet die smart? en niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?" Maar wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne goederen in _Holland_ allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het klooster _Mariënhof_ op het eiland _Marken_, door de Hallumer Abtdij _Mariëngaarde_ met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten oorlog en in koelen bloede, 't gebouw in brand stak en de ongelukkige monniken in de Zuiderzee smeet"[78].
[77] WAGENAAR, III 261. Zie verder SCHOTANUS, 180; WINSEMIUS, 202; FOEKE SJOERDS, III 384; _Tegenwoordige Staat_, I 492.
[78] WAGENAAR, III 261. Indien WILLEM'S weduwe, JOHANNA, dit wreed bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster, MARGAREET, gemalin van _Keizer_ LODEWIJK _van Beijeren_ (zoo als SCHOTANUS en WINSEMIUS willen), dan is het nog schandelijker, dewijl het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit droefheid of in drift geschiedde.
Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?
Maar nog geen wraak genoeg. Graaf WILLEM V trachtte den dood zijns voorgangers te wreken door de Friezen--niet met eerlijke wapenen in openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en Ingezetenen van _Holland_, _Zeeland_ en _West-Friesland_;--een verdrag, waarbij de voorwaarden geheel in het belang van _Oostergoo_ en _Westergoo_ gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne onderzaten de grenzen van _Friesland_ niet zouden overschrijden, dan in geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter enkel tot de drie marktplaatsen _Harich_, _Kornwerd_ en _Holwerd_ moesten bepalen[79]. Later gaf de Graaf ook den Friezen volle vrijheid, om in _Noord-Holland_ handel te drijven en de markt te _Haarlem_ te bezoeken[80].
[79] Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het _Charterboek_, I 208, is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. J. C. DE JONGE, achter zijne _Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten_. Jhr. W. VAN SWINDEREN gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in 't Mengelwerk der _Leeuwarder Courant_ van 1832, N^o. 61. De eerste deelde de Heer VAN LEEUWEN ook mede in zijne Aanteekeningen op _it aade Friesche terp_, 418.
[80] _Charterboek_; I 208; _Tegenwoordige Staat_, I 501.
* * * * *
Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen, die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. Ofschoon _Stavoren_ kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche koopsteden begunstigd waren;--ofschoon Keizer KAREL IV _Oostergoo_ en _Westergoo_ beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen (1362)[81],--werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82]. Herhaaldelijk gaf echter de opvolgende Graaf van _Holland_, Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van _Friesland_ geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge waarvan zijn oudste zoon, Graaf WILLEM _van Oostervant_, naar _Frankrijk_ gevlugt was. Dáár werd deze echter aan 's Konings tafel smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag van zijn oudoom Graaf WILLEM IV, die in 's vijands land verslagen en nog onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had gewroken[83].
[81] _Charterboek_, 208, 209, 210, 226, 227.
[82] _Charterboek_, 233-255.
[83] Tien dagen na den slag tusschen _Stavoren_ en _Warns_ in 1345 was 's Graven lijk gevonden geworden door MARTEN, kommandeur der St. Jansheeren te _Haarlem_, die het liet begraven in het Klooster _Bloemkamp_ bij _Bolsward_, van waar het later door ALBRECHT naar _Valenciennes_ is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen vorstelijk graf bijgezet.
* * * * *
Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen en dezen te bewegen, om _Friesland_, het kostte wat het wilde, te veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog ALBRECHT, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd, welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden. Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten 's land te varen, geprest tot den togt naar _Friesland_. Eene verbazende magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000 man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en Henegouwers, ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op 3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.--En zulk eene vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang, doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat _Friesland_ met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.
Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest? Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door hen op een landsdag verkozen Potestaat JUW JUWINGA of JONGAMA van _Bolsward_, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld, maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te onderwerpen!" den vijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren eendragtelijk tegen te staan."
Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, die in het opperbevel door drie zijner zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te _Enkhuizen_ verzameld, stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen _de Lemmer_ en _de Kuinder_. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen groot veld, het _Oostzingerland_ of _Oosterzee-ingerland_ geheeten, bij _Schoterzijl_, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat, die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84].
[84] In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het uitzigt op een wissen dood.
Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan leeftogt en betaling noodzaakten ALBRECHT het overschot van zijn leger nog vóór den winter terug te voeren naar _Enkhuizen_, waar het ontbonden werd. In _Stavoren_, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen, en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij 1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te _Hindeloopen_ meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat zij met groot verlies naar hunne schepen en naar _Holland_ terugkeerden. Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan. Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd dezer kaperschepen[85].
[85] Zie deze Brieven in het _Vriesch Charterboek_, I 260-269.
* * * * *