Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 10

Chapter 103,422 wordsPublic domain

Reeds bij de invoering van het Christendom was _Friesland_ tusschen het Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van _Utrecht_ gesteld, met uitzondering van de grietenij _Achtkarspelen_, welke, met _Groningen_ en verdere oostelijke landstreken, onder den Bisschop van _Munster_ kwam[59]. Het land was in de 13e eeuw verdeeld in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche kerk, welke Aarts Diakens in _Friesland_ waren. De Dekens met hunne Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt of _Syndriucht_ geheeten[60]. Alle drie of vier jaren kwam er een Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later waren er ook in ieder Goo Geestelijke Commissarissen, die het opzigt hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen[61].

[59] Deze opmerkelijke uitzondering schrijft SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chronyck_, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker LUDGER van _Wierum_, later Bisschop van _Munster_, het Christelijk geloof in _Achtkarspelen_ had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.

[60] Behalve bij SCHOTANUS, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van WIERDSMA, afgedrukt in het 2e st. der _Oude Friesche Wetten_, 201, 207.

[61] Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten vinden in: SCHOTANUS, _Beschrijvinge end Chron._ 298; _Oudheden en Gestichten_, I 24 en verv.; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving_, I 64, 635; _Tegenwoordige Staat_, I 32, 251, 434; VAN HALMAEL, in het _Friesch Jierboeckjen foar 1834_, XV, en de _Lijst der Kloosters_ achter het _Stamboek van den Frieschen Adel_; VAN LEEUWEN, Aantt. op _it aade Friesche terp_, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht en behandeld mag worden.

Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de volken van _Europa_ uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid, welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. »Zij toonden, wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen wilden erkennen. Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard worden, dat de godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel _Friesland_"[62].

[62] YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv. Kerk_, Breda 1819, I 410, Aantt. 185; YPEIJ, _Geschied. der Syst. Godgeleerdh._, Haarlem 1793, I 180; BUMA, _Het regt der Friesche Floreenpligtigen_, Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in het belangrijke werk van V. IDSINGA, _Staats-recht der Nederl._ Leeuw. 1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder HALSEMA, 475, en niet minder WIERDSMA in de _O. F. W._ 257.

19. _De Partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers. (Van omstreeks 1300-1498.)_

Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren: De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond, Verkleefd aan d' eigen haard en d' ouderlijken grond, Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen, Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen, De vrijheid voor zich-zelve en 't oord door hen bewoond. God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond, Ziedaar alleen 't gezag, de Heeren die ze erkennen, En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen; Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel; Geen keten waar' zoo licht, die hem verdraaglijk viel. Geen vreemde inzonderheid beproeve 't hem te dwingen, Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen, Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt, En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet.-- Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven; Dien inborst kunt ge niet hervormen of weêrstreven[63].

[63] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga, Treurspel_, Leeuw. 1830, 2. Ten aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen, wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden. Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik, behalve SCHARLENSIS, WINSEMIUS en SCHOTANUS, voor algemeen gebruik bijzonder aanbeveel: _It aade Friesche Terp of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en Aanteekeningen van_ J. VAN LEEUWEN, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans voor slechts [f]1,30 algemeen te bekomen.

Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn, wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van vrijheid, orde en welvaart, ~in vrede~ en ~eensgezindheid~ had mogen smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde. In die zelfde gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt, en als ieder burger van zijn ~persoonlijk~ belang iets wil afstaan, om het ~algemeen~ belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt, hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden. In volksregeringen zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed, vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij eene deugd, gevierd en geëerd werd. Het was de onchristelijke ~wraakzucht~, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht, die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der 12e eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den--_Burgeroorlog_.

Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren, Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren, Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam, En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam; Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden, En Schieringers, die meest in Westergo regeerden. Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd, Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd, Die straks een tweeden baart ter teling van een ander. Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander, En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat, Versterkt aldus de macht van die te volgen staat. Verblinden![64]

[64] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_, 4. Zie verder SCHARLENSIS, 33; WINSEMIUS, 183; SCHOTANUS, 164; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 129 enz.

Ja, _Vetkoopers_ en _Schieringers_ waren de namen en leuzen der partijen, die, even als gelijktijdig de _Heeckerens_ en _Bronckhorsten_ in _Gelderland_ en de _Hoekschen_ en _Kabeljaauwschen_ in _Holland_, hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een nutteloozen strijd--niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen zich zelve,--niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten. Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had: verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het ~graauw~ genoemd, welk woord met ~schier~ verwant is en aan de grijze kleur der kleeding schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het ~vette~ der aarde genoten. 't Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde: onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel gehad--het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt geworden. Doch welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest kiezen.

* * * * *

Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in _Friesland_, aan wiens bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden, dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier, dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de voornaamste steden de geslachten: CAMMINGHA, UNIA en AUCKAMA te _Leeuwarden_, JONGAMA te _Bolsward_, SJAERDAMA te _Franeker_, HEEMSTRA en RIEMERSMA te _Dokkum_, GERBRANDA en GRATINGA te _Harlingen_, HARINXMA te _Sneek_ en _Slooten_ enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van door de kracht des evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt, vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen: want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof, moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten gevolge hadden--dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het ongelukkige volk. (Zie _Aanteek. 12_.)

* * * * *

Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor _Friesland_, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid door veroveraars belaagd werd[65]. En hoe dikwijls was dit niet het geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en een volk om de vrijheid te zien kampen.

[65] "Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden teghen stonden," zegt WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 5.

20. _Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland._

In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden de Kinhem of Reker in _Noord-Holland_) hadden de Duitsche keizers een groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop van _Utrecht_ en de Graven van _Holland_ en _Zeeland_. De eersten, die het geestelijk gezag over het bijna geheel _Friesland_ uitoefenden, trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden (de stad _Groningen_ met _Drenthe_ en het noorden van _Overijssel_) van het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de Bisschop OTTO II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de _Stellingwerven_ te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar staande te houden. Te vergeefs liet Bisschop GUY _van Henegouwen_ er daarom in 1309 eene sterkte bouwen--eer deze voltooid was, wierpen de Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot _Vollenhove_, dat zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke slot belegerden. Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een verdrag met hen te sluiten (1313)[66].--Ook later deden de Bisschoppen herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als FREDERIK VAN BLANKENHEIM, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok hij naar de Stellingwerven, verbrandde _Peperga_, _Blesdijk_ en andere dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar zond hij zijn Maarschalk ADOLF VAN SWIETEN met volk naar _Lemsterland_, waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67].

[66] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, III 194; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 236; VAN KAMPEN, _Geschiedenis der Nederlanden_, I 126; _Charterboek_ I 138, 151.

[67] _Charterboek_, 379; SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chron._ 175; WORP VAN THABOR, _Kron._ IV 10, 21; _Tegenwoordige Staat_, I 590.

De _Hollandsche Graven_ hadden van de slappe regering van Keizer KAREL _den kale_ en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te breiden, en om de voor hun persoon ontvangene groote Leenen stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt. Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt worden.

Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden: want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage en toen nog zoo waterrijke _Noord-Holland_ tegenover de in den krijg geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt te zullen moeten bezwijken,--toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en wederspannigen

_Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang._[68]

[68] Mr. J. VAN LENNEP, _Verontschuldiging_, 1850, 22. Zie ook EIKELENBERG, _West Friesland_, 24, 44, aangeh. in HOFDIJK, _Jonker van Brederode_, 1849, Aanteekening 198.

In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet te genaken dan in zeer drooge zomers, of wanneer een strenge winter de wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit ondervond reeds in 1004 Graaf ARNOUD in den bloedigen slag bij het dorp _Winkel_, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf FLORIS III met eene menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf WILLEM II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand gebragt-en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die zelfde Graaf WILLEM II, op het punt om _Keizer van Duitschland_ te worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij _Hoogwoud_ door het ijs zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den dood boeten (1256).

Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene bezwaren, ondervond Graaf FLORIS V, brandende van verlangen, om den dood zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne vrijheid te berooven. Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf JAN _van Avennes_ bragt met vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche Zeelanden, en _West-Friesland_, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993 tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem verstrekte dan de overwinnaars[69].

[69] Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.; _Tegenwoordige Staat_, I 429; SJOERDS, _Jaarboeken_, II 169 env.; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 23 enz.

* * * * *