Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 1
E-text prepared by Harry Lamé, André Engels, and the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this file which includes the original map. See 36839-h.htm or 36839-h.zip: (https://www.gutenberg.org/cache/epub/36839/pg36839-images.html) or (https://www.gutenberg.org/files/36839/36839-h.zip)
+------------------------------------------------------------------+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | In deze e-tekst wordt de volgende notatie gebruikt: | | schuingedrukte tekst in het origineel wordt weergegeven tussen | | _ en _, als in _tekst_; | | gespatiëerde tekst wordt weergegeven tusen ~ en ~, als in | | ~tekst~; | | normaal gedrukte woorden in lange stukken schuingedrukte tekst | | worden weergegeven tussen = en =, als in =tekst=; | | woorden die in de brontekst in klein kapitaal gezet zijn, | | worden hier weergegeven in hoofdletters; | | tekens voorafgegaan door ^ zijn in het originele werk super- | | script. | | | | Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarin ze | | vermeld zijn. | | | | Uitgebreidere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze | | tekst. | | | +------------------------------------------------------------------+
BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN.
_"Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de =Nederlanders= zich zoo vaak op de =Batavieren= beroepen, als op hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn, daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste en =meest beroemde bewoners= van een voornaam gedeelte des lands, maar onze eigenlijke =voorvaderen= waren zij niet.--De Batavieren verdwenen uit de Geschiedenis.--Zoodanig was het niet met de =Friezen=. Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige omkeering der volken. Immer behielden zij den reeds lang ingenomen grond, toen bijna alle landen van Europa van bewoners verwisselden. Hier woonde de stam, welke zich staande hield, te midden dier groote Europesche beroering, en hare plaatsen aan geene andere inruilde. Zij echter breidde zich verder uit, van het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand houdende, is uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze landen bewoonde. Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij, Nederlanders, daarom =de Friezen= eigenlijk =onze vaderen=; dat heldhaftige geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren niet onderdeed; over wier naam wel is waar geen zoo poëtische gloed ligt, als over de Batavieren, maar meer historische waarheid; die daar staan te midden der volksberoeringen en overstroomingen, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt. Hen ontmoeten wij reeds =vóór= onze Christelijke tijdrekening, en hun nakroost, zich telkens verder over ons Vaderland uitbreidende, heeft zich later weder binnen enger grenzen voortgeplant, tot op onze dagen. En waarlijk, indien een Friso hun Stamvader is geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen meer historische waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende, dan een' Bato, wiens nakroost verdween."_
Prof. H. J. ROYAARDS.
BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN;
_bevattende een Overzigt van de lotgevallen der Friezen en van de voornaamste gebeurtenissen, gedurende bijna tweeduizend jaren in dit land voorgevallen._
UIT VELE VROEGERE EN LATERE BRONNEN BEWERKT,
DOOR
W. EEKHOFF
_Archivarius der stad Leeuwarden, Voorzitter van de Tweede Afdeeling der werkende Leden van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, Lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen._
Met eene Schetskaart van den waarschijnlijken toestand van het land der Friezen en hunne naburen, omstreeks den aanvang onzer tijdrekening.
_Historische zin, of eerbied voor de gedenkteekenen, de geschiedenis en de groote mannen des vaderlands, is het sieraad van een volk, dat in der vaderen glorie zijne eer en in de liefde voor zijn land zijn roem stelt._
TE LEEUWARDEN, BIJ
W. EEKHOFF.
1851.
De Schrijver en Uitgever van dit werk stelt zijn regt van kopij, tegen nadruk, verkorting, verkleining, vertaling of verandering van vorm, onder bescherming der Wet, van den 25 Jan. 1817, aan wier eischen hij heeft voldaan.
VOORREDE.
_Bij dezen neem ik de vrijheid mijne landgenooten aan te bieden eene =Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken=. Verscheidene redenen hebben mij bewogen, dit onderwerp te behandelen en deze bewerking in het licht te geven. De belangrijkheid van die geschiedenis op zich zelve en in verband met die des vaderlands,--het gemis van een bevattelijk geschreven handboek over dit onderwerp,--de wensch van velen om zulk een werk, ingerigt naar de behoeften van dezen tijd, te bezitten,--de zucht om nuttig te zijn, en bovenal mijne aangeborene neiging voor de beoefening van die geschiedenis en liefde voor alle kennis en kunst, welke tot =Friesland= in betrekking staan,--ziet daar de drangredenen, welke eindelijk mijn schroom en wantrouwen van eigene krachten hebben overwonnen. Immers sedert die neiging op mijn tiende levensjaar bij mij werd opgewekt, en ik niet lang daarna het plan vormde eene korte Geschiedenis van =Friesland= te bewerken, heb ik gedurende dertig jaren over dit onderwerp zoo vele geschriften gelezen en aanteekeningen gemaakt, zoo vele stukken verzameld en onderzoekingen gedaan, dat de begeerte, om eenmaal de vrucht daarvan te leveren, meer opgewekt dan onderdrukt werd door al de menigvuldige bezwaren en moeiten hieraan verbonden. In weerwil ik dit onderwerp bij herhaling op verschillende wijzen bewerkt en geene inspanning geschroomd heb, bleef ik nogtans met de uitgave aarzelen, en de hoop voeden, dat een onzer geleerden of leden van het Friesch Genootschap die taak zou volbrengen. Telken jare echter werd ik daarin teleurgesteld._
_Intusschen vernam ik, dat velen aan de bewerking van eene volledige en naauwkeurige Friesche Geschiedenis bezwaren en beletselen verbonden achtten, gewigtig genoeg, om ijverige beoefenaars van dit onderwerp af te schrikken het in zijn geheel te behandelen. Behalve dat men eerst de uitgave van nog meerdere bronnen en bouwstoffen verlangde, vorderde eene kritische behandeling van de uitgegevene kronijken groote moeite. En waar deze met WINSEMIUS in 1622 eindigen, zag men eene groote menigte Resolutieboeken van de Staten en Gedeputeerde Staten van =Friesland=, benevens eene massa onuitgegevene stukken in de Rijks-, Provinciale en Plaatselijke Archiven voor zich; om niet te spreken van de menigte bouwstoffen, in een aantal gedrukte werken der laatste tweehonderd jaren verspreid. Inderdaad, er wordt meer dan een menschenleeftijd toe vereischt, om daaruit al de bijzonderheden op te zamelen en tot één geheel te brengen, dat aan het ideaal van eene geschiedenis onzer provincie zou kunnen beantwoorden._
_Het gewigt dier bezwaren en beletselen erkennende, zou dit alles meer in staat zijn, onze liefde voor de geschiedenis uit te dooven dan op te wekken. Het volbrengen van die taak en het bereiken van die nog denkbeeldige volmaaktheid blijve dus een volgend geslacht aanbevolen. Dat ik het, in weerwil van dat alles, toch gewaagd heb, het onderwerp te behandelen, moge echter niet tot mijne beschuldiging strekken. Want, daar al de nog te volbrengen nasporingen welligt meest bijzonderheden of specialiteiten betreffen, zoo heb ik, naar het licht, dat ons tijdvak beschijnt en naar de mate mijner krachten, mij zoeken te bepalen tot de =Hoofdtrekken= onzer geschiedenis, of tot die voornaamste gebeurtenissen, welke van het meeste belang en den grootsten invloed zijn geweest op de lotgevallen en de ontwikkeling van het volk. Aangezien ik mijne behandeling tevens tot één boekdeel wenschte te beperken, zoo waren deze hoofdpunten, waaromtrent wij meerdere zekerheid bezitten, voorshands ook voldoende tot het geven van een algemeen overzigt van deze geschiedenis; terwijl ook eene korte en eenvoudige voorstelling, bij wijze van tafereelen, het meest geschikt scheen, om de belangstelling voor dit onderwerp op te wekken._
_Hartelijk wensch ik, dat anderen later die opgewekte belangstelling door volkomener en uitvoeriger bewerking mogen bevredigen, en dat deze arbeid bij voorraad moge voorzien in eene behoefte, welke mij dikwijls werd te kennen gegeven door personen uit verschillende standen, die gaarne met hunne volksgeschiedenis meer bekend wilden zijn. Niet minder natuurlijk is de wensch, dat dit werk moge bijdragen, om ook in andere provinciën van ons vaderland (vroeger deelen van het Friesche rijk) het belang en de waarde te doen erkennen van de geschiedenis der Friezen, als de stamvaders der Nederlanders, met betrekking tot de geschiedenis van =Nederland=. Bekend is het toch, dat de meeste vaderlandsche geschiedenissen, welke wij bezitten, zich als bij uitsluiting bepalen tot de historie van de aanzienlijkste provincie =Holland=. Die naam komt evenwel voor het eerst omstreeks het jaar 1000 voor. Het gansche vroegere tijdperk, en dus meer dan de helft der tijdruimte, bevat alzoo de geschiedenis van =Friesland=, aangezien de Batavieren reeds vroeg en spoorloos verdwenen. Het is dus grootelijks te verwonderen, dat de historieschrijvers van ons vaderland niet enkel de latere, maar ook de vroegere Friesche geschiedenis zoo lang verwaarloosd en soms zoo verminkt voorgesteld hebben, dewijl deze toch de hoofdbron of het ~grondstuk~ is, waarop de geschiedenis van =Holland= of wel van geheel =Nederland= moet rusten. Reeds is dit erkend in de geschriften van de Utrechtsche geleerden wijlen Jhr. Mr. VAN ASCH VAN WIJCK en den Hoogl. ROYAARDS, wiens bestrijding van een verkeerd volksbegrip ik gemeend heb tegenover den titel te moeten mededeelen._
_Vermits ik al de boven vermelde bezwaren en beletselen bij de bewerking heb ondervonden, heb ik mij met veel moeite beijverd, ze voor mijn doel te overwinnen, door in het bijzonder de hoofdzaken meer te doen uitkomen dan punten van ondergeschikt of betwist belang. Het is daarbij mijn hoogste streven geweest, om de beste bronnen te raadplegen, om de waarheid zonder partijdigheid na te sporen, en, bovenal, om eene ~heldere~ en ~duidelijke voorstelling~ te geven van datgene, wat ons duurzaam belang kan inboezemen. Den tekst heb ik, op de wijze van mijne =Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden=, zoo bevattelijk mogelijk geschreven, opdat ook dit werk als een nuttig en aangenaam Geschiedkundig Huisboek algemeene belangstelling mogt verdienen. Omtrent de belangrijkste zaken en betwiste of twijfelachtige punten heb ik voor beoefenaars van de geschiedenis en onderzoekende lezers in de =Aanteekeningen= meerdere bijzonderheden en bronnen medegedeeld; terwijl ik door de bijvoeging van historische tafels of overzigten en registers de bruikbaarheid van het geheel heb trachten te bevorderen. Daar de geschiedenis het beste onderwijs is voor alle standen der maatschappij, en zij ons de bijzondere pligten jegens ons vaderland doet kennen, zoo hoop ik eerlang ook eene verkorte uitgave, ten behoeve der scholen, in het licht te geven._
_Bij de beoordeeling van dit werk gelieve men op te merken, dat ik minder nieuwe zaken medegedeeld, dan wel de verspreide berigten en vruchten der onderzoekingen van anderen tot een geheel gebragt heb. De waarheid of stellige zekerheid der feiten moge één en onveranderlijk zijn, de wijze van voorstelling, inkleeding en toepassing kan echter aanleiding geven tot zeer uiteenloopende meeningen en begrippen; vooral in een werk, bij welks behandeling, op een ongebaand pad, de meeste waarschijnlijkheid en persoonlijke beschouwingen het gebrek aan berigten soms moesten vervangen. Mogt ik echter in mijne, ter goeder trouw medegedeelde, opvattingen en inzigten gedwaald hebben, dan verzoek ik van bevoegde personen eene bescheidene beoordeeling en heusche teregtwijzing te ontvangen. In een ander opzigt hoop ik, dat wij Friezen te veel eerbied voor onze geschiedenis, voor ons zelve en voor onze christelijke verpligtingen jegens elkander zullen hebben, dan dat verschil van meening over sommige historische punten ons zou verlagen tot een hatelijk twistgeschrijf en openbare beleedigingen, waarin nijd en wraakzucht soms eene afschuwelijke rol spelen._
_Overtuigd van mijne goede bedoelingen, doch evenzeer van mijne feilbaarheid, heb ik de naauwkeurigheid der bewerking zoo veel mogelijk trachten te verzekeren, door haar vóór de uitgave te laten lezen aan mijne veelgeachte vrienden de Heeren Mr. A. VAN HALMAEL JR. (wiens dood wij nu reeds betreuren), J. VAN LEEUWEN, Dr. J. G. OTTEMA, Jhr. Mr. H. B. VAN SMINIA en anderen, die ik hier openlijk mijnen dank toebreng voor de medegedeelde opmerkingen en teregtwijzingen. Mogt ik door de uitgave nog te veel gewaagd hebben, dan beken ik gaarne, daartoe vooral den moed te hebben bekomen door de volgende verklaring van laatstgenoemden deskundige: "Ik moet u betuigen, dat ik het werk met bijzonder veel genoegen gelezen heb, er bijna geheel mijne goedkeuring aan hecht en het op hoogen prijs stel. Alleen betreur ik het, dat het niet uitvoeriger en uitgebreider is behandeld. Doch dit lag voor het tegenwoordige niet in uw plan, en moeten wij dus voorshands tevreden zijn met hetgeen ons zoo goed gegeven is; in de hoop, dat gij later uwe krachten nog eens zult aanwenden, om ons eene grootere en volledige Geschiedenis van =Friesland= te leveren."_
_En hiermede beveel ik dezen arbeid op nieuw der belangstelling mijner landgenooten aan._
Mei 1851.
W. EEKHOFF.
EERSTE NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN.
ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING. g. p.
ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN PRINS VAN ORANJE. g. p.
ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. g. p.
J. Ackersdijck, Hoogleeraar te Utrecht. E. Adema, Secretaris van Rauwerderhem te Rauwerd. C. Albarda, Kantonregter te Leeuwarden. Mr. Herman Albarda, Advocaat te Leeuwarden. Hor. Albarda, Jurid. Student te Groningen. Mr. W. Albarda, Subst. Griffier by de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden. g. p. K. S. Alberda, Landbouwer te Menaldum. Jhr. W. Alberda van Ekenstein, te Groningen. A. Alma, Notaris te Bergum. J. S. Alma, Assessor van Franekeradeel te Schalsum. J. C. & W. Altorffer, Boekh. te Middelburg. 2 ex. M. C. Amoraal, te Leeuwarden. L. Anders, Kantoorbediende te Leeuwarden. Mr. J. H. Beucker Andreæ, Advocaat te Leeuwarden. A. S. Andringa, Ondermeester te Koudum. M. D. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Ried. P. S. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Dongjum. T. W. Anema, Landbouwer te Kimswerd. Het Provinciaal Archief van Friesland. E. Roos Baron van Asbeck, Grietman van Hemelumer Oldephaert en Noordwolde te Koudum. g. p. H. van Assen, Goud- en Zilversmid te Leeuwarden. J. van Assen, te Leeuwarden. R. Attama, Secretaris der stad Stavoren. E. J. Attema, Notaris te Dragten.
J. van Baalen & Zn., Boekh. te Rotterdam. B. T. Bakker, Lid van den Raad van Baarderadeel te Oosterlittens. C. Bakker, Bzn. Boekhandelaar te Nieuwe Diep. Jan F. Bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek. S. J. Bakker, Assessor der Grietenij Rauwerderhem te Deersum. W. L. Bakker, Assessor van Franekeradeel te Tjum. L. S. Bakkes, Bakker te Tjummarum. J. Banga, Burgemeester en Med. Doct. te Franeker. J. Barends, Arrondissements Betaalmeester te Heerenveen. Mr. P. de Beaufort, Lid der Gedep. Staten van Utrecht, aldaar. S. van Sloterdijck Beekkerk, Directeur der Registratie en Domeinen in Friesland te Leeuwarden. Dr. E. M. Beima, Conservator aan 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden. H. J. C. Bekenkamp, Predikant te Knijpe. A. M. van Belkum, Directeur van het Stads-Werkhuis te Leeuwarden. J. C. van Belkum, Broodbakker te Leeuwarden. P. Berg, Bakker te Ee. Mr. C. Bergsma, Grietman van Idaarderadeel te Idaard. E. H. Bergsma, 1e Luit. Ingenieur te Amsterdam. H. van Berkum, Predikant te Stiens. J. P. van Berkum, Predikant te Wolsum. W. Beijerinck, Boekhandelaar te Amsterdam. Jhr. Mr. C. L. van Beijma, Kantonregter te Dronrijp. Jhr. E. D. van Beijma, Grietman van Baarderadeel te Weidum. Jhr. Mr. C. L. van Beijma thoe Kingma, Secretaris van Haskerland en Advocaat te Joure. Jhr. U. H. Heerma van Beijma thoe Kingma, Grietman van Franekeradeel te Zweins. W. Bisschop, Litt. Hum. Cand. te Leiden. A. Bleeker, Boekh. te Sneek. J. Bloemsma, Boekhandelaar te Leeuwarden. J. G. van Blom, Lid der Staten van Friesland en Notaris te Dragten. J. G. van Blom, voor het 5e Schooldistrict in Friesland. G. H. van Boelens, Rijks-Ontvanger te Augustinusga. Mr. J. H. van Boelens, Burgemeester der stad Leeuwarden. J. T. de Boer, Assessor van Idaarderadeel te Roordahuizum. J. Y. de Boer, Landbouwer te Hempens. K. J. Boersma, te Kubaard. Erven F. Bohn, Boekhandelaars te Haarlem. A. M. Bokma de Boer, te Leeuwarden. Mej. C. Bokma de Boer, te Leeuw. W. Cool van Bokma, Boekh. te Sneek. 3 ex. J. M. Bokma, te St. Jacobi-Parochie. J. Fopma Bonnema Hzn. Landbouwer te Tjummarum. R. J. Boorsma, Assessor van Baarderadeel te Weidum. Mr. J. C. G. Boot, Rector van het Gymnasium te Leeuwarden. Harmen H. Bosma, Koopman te Oosterend. IJ. Bosma, Kweekeling te Bergum. J. Brandsma, Notaris te Schiermonnikoog. Mr. P. Brantsma, Officier van Justitie bij de Regtbank te Heerenveen. Jhr. G. P. C. van Breugel, Lid van den Raad en Ontvanger der Directe Belastingen te Haarlem. g. p. R. Baron van Breugel, Lid van den Raad van State te 's Hage. J. H. Brinkman, Boekhandelaar te Amsterdam. B. Brons Bzn., Onderwijzer te Haskerdijken. G. Brouwer, Boekhandelaar te Deventer. 2 ex. G. L. Brouwer, Secretaris van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop. Dr. S. Brouwer, Oud-Hoogleeraar te Leeuwarden. A. L. Brugsma, Doctorandus in de Letteren te Leeuwarden. K. Bruining, Onderwijzer te Schalsum. D. D. Büchler, te Amsterdam. P. H. Buisma, Onderwijzer te Langweer. B. Hopperus Buma, Jur. Student te Groningen. J. Buma, Onderwijzer te Kollum. Mevr. Wed. W. B. Buma, te Weidum. Mr. W. W. Buma, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Friesland te Leeuwarden. F. H. Burghgraef, Secretaris der stad Franeker. Wed. P. Burggraaff, Jr., Boekh. te Leeuwarden. Th. J. van der Bij, Onderwijzer te Oenkerk. E. J. A. Graaf van Bijlandt, Commissaris des Konings in de provincie Zuid-Holl. te 's Hage. g. p.
J. Camminga, Ondermeester te Franeker. J. Campen, Boekh. te Sneek. 4 ex. G. ten Cate Fzn. Koopman te Leeuwarden. S. ten Cate, Burgemeester der stad Sneek. Mr. E. Manger Cats, Advocaat te Leeuwarden. Mevr. S. Cats, Wed. Bieruma Oosting te Leeuwarden, g. p. P. O. van der Chijs, Hoogleeraar en Directeur van het Munt- en Penning-Kabinet te Leiden. R. M. Cloppenburgh, te Hardegarijp. H. Coster & Zn., Boekhandelaar te Alkmaar. P. J. Costerus, Rector van het Gymnasium te Sneek. K. J. Crap, Molenaar te St. Jacobi-Parochie. S. Crommelin, Rustend Leeraar te Leeuwarden. D. J. Couvée, Boekh. te Leiden. F. J. Cuperus, Kuiper te Dronrijp.
H. J. Dauzon, Rijks-Ontvanger in de Wijk, bij Meppel. Mr. A. Deketh, Advocaat-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden te 's Hage. G. H. M. Delprat, te Rotterdam. Mr. W. M. J. van Dielen, voor het Leesg. Disce Legendo te Utrecht. Mr. J. Dirks, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te Leeuwarden. J. Dirks, te Balk. J. J. Doesburg, Boekhandelaar te Groningen, 3 ex. De stad Dockum. Erven Doorman, Boekhandelaar te 's Hage. 3 ex. Mr. L. Dorhout, Plaatsverv. Kantonregter en Lid van den Raad der stad Leeuwarden. g. p. M. R. Douma, Landbouwer te Ee. J. F. van Druten, Boekh. te Sneek. van Druten en Bleeker, Boekh. te Sneek. 11 ex. K. P. Duursma, Onderwijzer te Langezwaag. F. Dijkstra, Onderwijzer der jeugd en der zeelieden te Nes op Ameland. F. A. Dijkstra, Landbouwer te Haskerdijken. F. J. Dijkstra, Landbouwer te Ooster-Nijkerk. g. p. T. R. Dijkstra, te Leeuwarden. Waling Dijkstra, te Spannum.
O. J. Eekma, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex. Dr. A. H. A. Ekker, Praeceptor aan het Gymn. te Utrecht. J. Elgersma, Onderwijzer te Kimswerd. S. F. Elgersma, te Lollum. Jhr. Mr. W. E. Engelen, Secretaris van Leeuwarderadeel en Advocaat te Leeuwarden. W. A. Evertsz, Ridder van de Mil. Willemsorde, 4e kl., Secretaris van Utingeradeel en Notaris te Oldeboorn. g. p. Jhr. Mr. C. van Eijsinga, Lid der Staten van Friesland te Leeuwarden. Jhr. Mr. F. J. J. van Eijsinga, Lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en der Arrond. Regtbank te Leeuwarden. Jhr. I. F. van Eijsinga te Leeuwarden. 2 ex. K. G. Eijsinga, Koopman te Leeuwarden.
J. M. Baart de la Faille, Medicinæ Doctor te Leeuwarden. A. R. Falck, te Utrecht. g. p. Corn. J. Feddes, Koopman te Leeuwarden. P. H. Feenstra, Medic. Doct. te Kuikhorne. P. M. Feenstra, Boekh. te Bolsward. 4 ex. T. S. Feenstra, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex. D. Feikema, Wethouder der stad Franeker. Mr. H. O. Feith, Archivarius der provincie Groningen. H. Feringa Jzn. Oud-Griffier van het Vredegeregt te Augustinusga. Dirk A. Ferwerda, Koopman te Stiens. E. Ippius Fockens, Boekhandelaar te Franeker. 3 ex. E. Schrader Fockens, Predikant te Jutrijp en Hommerts. H. Frijlink, Boekhandelaar te Amsterdam.
I. Garcin, te Amsterdam. P. A. van Gelder, Koopman te Dokkum. Het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden. g. p. P. Gerbranda, Schoolonderwijzer te Lollum. C. Gerdenier, Burgemeester der stad Medemblik. 2 ex. Het Provinciaal Geregtshof van Friesland. J. Gerritsen, Landbouwer in het Meer bij Heerenveen. L. Gescher, Medicinæ Doctor te Leeuwarden. M. van Geuns, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden. Jhr. R. Gevaerts van Geervliet, Lid der Ridderschap van Friesland, Ontvanger van 's Rijks Belastingen te Bergum. H. P. A. van Gorcum, Boekh. te Assen. O. Goslings, Cand. Notaris te Dokkum. Het Provinciaal Gouvernement van Friesland. g. p. Mr. M. Schaaff Gratama, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Groningen. J. H. Gunning, Predikant te Leeuwarden.