Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland

Part 9

Chapter 93,814 wordsPublic domain

Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de "witte mier" (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.

De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in 't algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van "emerald-kleurige blad-bewoner" construeert een "zak" uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte, katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel--geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten--en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.

Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.

De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.

Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend mee bezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.

Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjes bij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.

Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.

Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.

Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.

De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.

Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.

DE BRUIDSVLUCHT.

Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken van geluk en de vlinder--"de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders", openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.

Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.

Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar met uitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.

TWEEDE DEEL:

STEENTIJD-MENSCHEN

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN ONDERGAAND RAS.

Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk [27], terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.

Voor de hedendaagsche negers geldt het "bestaan is de bevrediging der natuurlijke behoefte." Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano's van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea's dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.

Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam "officieel" werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte--en vergeefs--met hem als klein kind op den rug.

In die dagen werden "lastige" negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende "myals" (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. "Een kerel voel hier," zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, "Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal."

Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.

Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen een streng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.

Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.

In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.

SCHILDPADVANGST.

In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong's, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.

In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderden galeislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.

De schildvisch (Echeniis remora en Echeniis naucrates), door de negers "Cum-mai" genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen [28]. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.

Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. "Goed voeren" is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart, zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.

Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano's bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een "Gulgong" (Eucalyptus robusta), van den "Carrlee" (Acacia aulacocarpa) of van den "Wee-ree" (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technische voortbrengselen der negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.

Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der "Boo-bah" (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.

Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezet laat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.

Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano's waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorsteven op te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.