Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland

Part 8

Chapter 83,732 wordsPublic domain

Een krokodil heeft altijd een eigenaardige lucht, een verbinding van visch en zeer sterken muskus, maar Paddy had iets anders geroken dan deze welbekende lucht: den stank van een cadaver. Blijkbaar was het beest reeds den vorigen dag gestorven, het vertoonde geen enkele wond, breuk of zweer. Alle tanden waren gaaf. Met stokken wrikten wij het lichaam voort tot buiten de vloedgrens. Een paar maanden later, toen de natuur het hare gedaan had om het vleesch te verwijderen, keerden wij terug om het geraamte te halen. De tanden zijn nu wijd en zijd verspreid als herinneringen aan den eersten en eenigsten krokodil dien men ooit dood heeft gevonden. Ik waag de gissing dat hij afkomstig was uit de Tully of Hull-rivier, of een of andere kreek zonder naam op het vasteland en, uit zijn koers geraakt, te Panjoo belandde om op deze ongewende plaats in een aanval van heimwee te bezwijken.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN VEROVERAAR.

Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven, moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.

Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootende gedaanten der natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder, slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid, vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.

Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove (Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren, gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.

Men heeft wel gemeend dat de "levend barende" mangrove de eenige vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen (Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van een nieuwe, krachtige generatie.

In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: "Tot hiertoe en niet verder", maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied in bezit. Zoodra de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke, vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken uitloopers die tot boomen worden, even groot als de moederboom. De zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.

Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. De Heritiera littoralis (Indisch: Samandura) met zijn groote ovale, glimmende en aan den achterkant zilveren bladeren en zijn bootvormige vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de "melk-mangrove" of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.

Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen, kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier, de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen, die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden, groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in de achterhoede.

Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab (Engelsch: viool- of soldatenkrab; Gelasimus vocans) maakt onder het loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op de bladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten, geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.

De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch; Periophthalmus koelreuteri en P. australis), die met behulp van hun buik- en borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste beweging weg te schieten. Hun oogen--schitterende edelsteenen--zijn zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het water is wel de hoogste grens die hij bereikt.

En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde, troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif, de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel, de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien, tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.

EEN GROOTMOORDENAAR.

Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt ieder seizoen duizenden slachtoffers.

De zaadhulsen van de "Ahm-moo", zooals de negers hem noemen (Pisonia brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt, de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders, worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.

Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de "Ahm-moo" schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon hij er buitengewoon veel maakt.

Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen massa's duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als de duimlange zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.

Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm, zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen, worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.

SLUIPMOORDENAARS.

De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den voet van een of anderen grooten boom en klampt zich er aan vast. Een onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer, bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.

Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden kleine purperen vijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten, dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.

Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort (Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen, schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat in oranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar, die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid, een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, een buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels, die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht over hun tong en roepen en fluiten als in extase.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE VLIEGENVORST.

Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedens juist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.

Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.

EEN TRAGEDIE IN GEEL.

Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van "de wandelaar", heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een nader onderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem--een samenzwering waarvan beide voordeel hadden--herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.

GOED IN HUN ROL.

Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.

De spooksprinkhanen (wandelende takken, Phasma) behooren tot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: "Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam." Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.

Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: "Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen, of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt."

De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.

In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op de mantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder te kunnen grijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang 's morgens, 's middags en 's avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.

Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: "Goed voor eten." "Niet goed voor eten." Bijna alles behoort onder de eerste groep, ook de "Taloo" of "Yam-boo." Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.

MIEREN.