Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland

Part 4

Chapter 43,754 wordsPublic domain

Of de kolonist maïs, vruchten of koffie kweekt, dan wel als bijbedrijf nog hout zaagt of varkens en kippen fokt, zijn leven heeft nooit groote afwisseling. Wanneer hij, binnen den kring eener suikerfabriek wonend, suikerriet verbouwt, behoort hij tot een andere soort van menschen, waarover ik niet wensch te spreken. Ik wil het alleen hebben over menschen die geen arbeid van anderen exploiteeren en geheel en al zijn aangewezen op hun eigen geharde handen. De voorwaarden waarop men land kan verkrijgen zijn een vijfjarig onafgebroken verblijf en het aanbrengen van bepaalde verbeteringen. De verwerver, die meestal niet in staat is loon te betalen, moet heel den ontginningsarbeid alleen verrichten en juist daardoor groeit zijn liefde voor het land dat langzamerhand zijn eigendom wordt, voortdurend. Beter dan wie ook kent hij den arbeid, de toewijding, het leven, die er aan dien grond werden besteed. In die eerste moeitevolle tijden wordt het land een deel van hem zelf, en al laat hij misschien veel later het werk over aan Chineesche arbeiders, zoo wordt hij toch nooit een in de stad wonend landheer.

De nog niet tot volle ontwikkeling gekomen landbouwbedrijven in noordelijk Queensland bevinden zich in een bijzonderen, onzekeren overgangstoestand. Overal is men in hooge mate afhankelijk van "gekleurden arbeid." Zelfs de armste kolonist gebruikt de hulp van inboorlingen. Maar met het uitsterven van deze en de belemmering van den invoer van gekleurde arbeiders komt de vraag aan de orde of de kultuur van tropische producten nog winstgevend kan zijn, zonder dat het publiek bereid is een prijs te betalen die beantwoordt aan het gemiddelde loon van een blanken arbeider in Australië.

Tal van vruchten kunnen met betrekkelijk weinig arbeid in onmetelijke hoeveelheden worden voortgebracht. Koffie is wel een der meest vruchtbare kulturen. Van verschillende soorten van prachtig timmerhout is de voorraad onuitputtelijk. Hoenders en varkens vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk. De handel in vruchten echter, behalve die in bananen, is veranderlijk en onveilig. De markten zijn ver en onzeker, de middelen van verkeer nog onvolmaakt. Velen verzekeren dat nog niet de helft van de ananassen en sinaasappelen en nog geen honderdste gedeelte van de mango's van Noord-Queensland geconsumeerd worden.

Voor de koffiekultuur is goedkoope arbeid een wezenlijk vereischte en zij die de inboorlingen op oordeelkundige wijze weten te gebruiken maken goede winst. Een koffieplantage, met haar ordelijke rijen planten, wier glanzig groen gedurende een korten tijd getooid is met teerwitte, zoetgeurende bloemen en wier takken beladen zijn met groene, bruine en roode boonen, biedt een aangenamen, schilderachtigen aanblik. In vergelijking met de wildernis ziet een koffieplantage er uit als een tuin. Maar het plukken der boonen is een langzaam en eentonig werk en ook onaangenaam voor hen wier huid gevoelig is voor de aanvallen van groene mieren. Daarop volgen de verschillende bewerkingen: de verwijdering van het vruchtvleesch, eerst machinaal en tenslotte door het laten gisten van de nog aan de boon hangende slijmerige stof; het drogen in de zon in houten bakken of op kleeden; het verwijderen van de omhullende huid; het ziften en eindelijk het polijsten. Weten de drinkers van het geurige en opwekkende vocht wel hoeveel arbeid en zorg er aan de koffie wordt besteed? Een paar boonen, tijdens het langzame proces van het drogen door honingdauw aangetast, kunnen het fijne aroma van een geheele partij bederven. Bij de koffiekultuur gaat het als bij zoo menigen anderen tak van landbouw in Australië: de menschen die er zich mee bezig houden hebben voor het meerendeel hun kennis door persoonlijke ervaring ter plaatse opgedaan. Lezen en de raadgevingen van deskundigen, gepromoveerd in landen, waar het klimaat geheel anders en de arbeid goedkoop is, zijn niet voldoende; in de harde school der eigen ervaring moet de planter alle moeilijkheden leeren overwinnen. En dan, als hij eindelijk de geheele kultuur beheerscht en, trots op zijn zelfverworven bekwaamheden, zijn goed en zuiver product op de markt aanbiedt, komt hij tot de ontdekking, dat de verbruikers zijn artikel met wantrouwen en zelfs met afkeer beschouwen en verwachten dat hij het eerst behoorlijk zal vervalschen. De geur van goede koffie is den gewonen koffiedrinker volkomen onbekend en alleen de vervalschte waar houdt hij voor echt. Het is hetzelfde geval als bij de goede druivenbrandewijn, die men in Victoria bereid en dien de drinkers van een geïmporteerde vloeistof, die uit één deel cognac en drie deelen spiritus bestaat, weigeren als echten brandewijn te erkennen. Wanneer koffie niet modderig is en niet een eenigszins walgelijken smaak heeft, wordt zij dadelijk verdacht en vandaar dat de fijne aromatische smaak en geur van het zuivere product slechts aan zeer enkelen bekend is. Trouwens, koffie en evenzoo de Australische wijnen en spiritualiën, zijn in Australië dan ook in het geheel geen eigenlijke volksdranken en zullen het ook nooit worden, zoolang het publiek de voorkeur geeft aan uitheemsche twijfelachtige producten en de fabrikanten en handelaars de eigen inlandsche vervalschen.

Doch er zijn nog talrijke andere takken van tropischen landbouw waarop de kolonist zich kan toeleggen. De kultuur van rubber, katoen, rijst, tabak en vezelplanten bloeit en ook met gember, sommige specerijen en geneeskrachtige planten kan winst worden behaald. Ook boter, die volkomen geschikt zou zijn voor uitvoer, wordt in tropisch Queensland geproduceerd.

Zoolang de banaan blijft groeien als thans behoeft geen sterveling gebrek aan gezond en krachtig voedsel te lijden. En toch, zoo algemeen de banaan ook is, is zij toch een curiositeit in de plantenwereld. Een schrijver zegt: Zij is geen boom, geen palm, geen struik, geen kruid, maar alleen een overblijvende plant in de gedaante van een boom. In Queensland komen drie, misschien meer, soorten voor. Een er van schiet met een opmerkelijke snelheid een roodachtigen stam tot een hoogte van 20 à 30 voet op, draagt bladen van 15 voet lang en 2 voet breed, kleine bloemen en bundels van dwergvruchten met weinig zaden. De kracht van deze plant schijnt te worden verbruikt tot het voortbrengen van haar rijzige, trotsche gedaante, die dan ook zoo schoon is, dat men haar het ontbreken van eetbare vruchten gaarne vergeeft.

De meest verspreide van de gekweekte soorten, de vermaarde Musa Cavendishii, heeft behalve haar breede bruingespikkelde bladen, weinig gracelijks. Hier wordt alle levenskracht besteed aan een verbazingwekkende productiviteit. Negen à tien maanden na planting van den wortelstok draagt de plant onder gunstige voorwaarden een vruchtbundel van 120 tot 160 pond, omvattende niet minder dan 48 dozijn bananen. Om het afbreken van dezen tros te voorkomen moet de plant met een stok worden ondersteund. Nog voor de vrucht tot volkomen ontwikkeling is gekomen verschijnen reeds nieuwe scheuten uit den wortel. Elke scheut draagt echter slechts eenmaal en wordt na het plukken der vrucht afgesneden. Vijf tot zeven jaar gaat dit zoo door; dan is de kracht van den grond, althans voor de bananenkultuur, uitgeput en moet men elders nieuwe wortelstokken planten. Het land is dan echter nog uitstekend geschikt voor suikerriet. Het rijpen der vruchten geschiedt niet aan den boom maar eerst na het plukken in een koele, schaduwrijke en goed doorluchte ruimte. Eerst daar krijgt zij haar heerlijk aroma en smaak, aan den boom gerijpt mist zij deze, tenminste in Noord-Queensland. Het schijnt dat de banaan, door lang voortgezette kultuur, geheel van den mensch afhankelijk is geworden. Een verlaten bananenplantage verdwijnt spoedig, want het weinige zaad dat nog wordt voortgebracht komt zelden op en de wortelstok, aan zijn lot overgelaten, ontaardt gauw. Jammer dat de bijzondere geurigheid van deze verrukkelijke vrucht door een zeereis zoo zeer vermindert.

Van de betrekkelijk schaarsche suikerriet-verbouwers in Noord-Queensland zijn een belangrijk percentage onafhankelijk en velen welgesteld, slechts weinigen hebben schipbreuk geleden en nog steeds worden groote fortuinen op de suikerplantages verdient, evenals in de bananenkultuur en die van andere tropische vruchten. Een bewijs hiervoor is zeker wel het feit, dat partikuliere ondernemingen zooveel kapitaal steken in den aanleg van trams en havens. Als de kust van Noord-Queensland niet binnen enkele jaren een talrijke, welvarende en tevreden bevolking telt zal het niet zijn doordat de voorwaarden er toe ter plaatse ontbreken, maar doordat de bevolking in andere streken nog te weinig naar de producten van het land vraagt.

Alle bovengenoemde bedrijven (behalve de suikerrietkultuur) had ik op mijn eiland kunnen beoefenen. Bodem en klimaat zijn er buitengewoon gunstig, zoo niet volmaakt, terwijl ik nog het voordeel had kunnen hebben van een directe verbinding met de markten. Maar mijn karakter, die "aard dien mij mijn moeder gaf", dreef er mij toe alle verlokkingen der fortuin te minachten en met vreugde te leven in omstandigheden waaronder maar weinigen tevreden zouden blijven. Toch werden er nog een paar acres wildernis door mij ontgonnen, werden verschillende vruchtboomen aangeplant en wordt er koren en aardappelen verbouwd. Er wordt gewerkt, maar niemand kan bereidwilliger dan ik de onbeduidendheid van dezen arbeid erkennen in vergelijking met wat door harder, geoefender handen en vaster voornemens tot stand gebracht had kunnen worden.

DE FAUNA VAN HET EILAND.

Terwijl de vogels er talrijk en in groote verscheidenheid voorkomen, zijn er slechts enkele zoogdieren. De mierenegel (Echidna), twee soorten van ratten, een vliegende hond (Pteropus funereus) en twee vleermuizen maken de geheele lijst uit. Ofschoon aan de overzijde buideldieren zeer gewoon zijn, is deze typisch Australische orde op Dunk-eiland niet vertegenwoordigd en de negers weten zich niets van een vroeger bestaan van kangoeroe's, wallaby's [21], buidelratten of bandikoets [22] (Perameles) te herinneren. Ook onder de muurschilderingen die in enkele grotten op Dunk-eiland worden aangetroffen (zie deel II) vindt men wel hagedissen, echidna's, schildpadden en menschen, maar geen enkel buideldier.

Er zijn evenwel aanduidingen, dat de wallaby tot nog voor kort op het eiland Timana voorkwam. Een vrouw (de laatste vrouwelijke inboorling van Dunk-eiland) die in 1900 stierf, placht dikwijls een verhaal te doen van een slachting onder deze dieren aangericht op Timana, die zij als klein kind bijwoonde. Alle bewoners van de naburige eilanden en van het vasteland waren er toen samengekomen en hadden op het acht bunder groote eiland een klopjacht gehouden. Mannen, vrouwen en kinderen hadden, in één lange rij optrekkend, door schreeuwen en geklepper met hun nulla-nulla's [23], de angstige wallaby's opgejaagd, totdat zij van een steilte af in zee sprongen of op de klippen te pletter vielen. Ik deel dit verhaal mede, omdat het eenig licht kan werpen op de wijze waarop sommige diersoorten uit bepaalde geïsoleerde streken kunnen verdwijnen zonder sporen van hun bestaan achter te laten.

Het grootste viervoetige dier dat thans nog op Dunk-eiland voorkomt is het zoogenaamde stekelvarken, de mierenegel of echidna. Dit beest, dat in sommige opzichten op een egel gelijkt, maar in andere op dien echt Australischen paradox, het vogelbekdier (Platypus), heeft een mond dien het niet kan opendoen--niets dan een buis waardoor de tong gestoken wordt--legt eieren en broedt als een vogel, voedt echter zijn jongen als een zoogdier en bezit bovendien eenige kenmerkende eigenschappen der reptielen. Als men de echidna verschrikt rolt zij zich op tot een kogel, waarbij zij de lange snuit tusschen de voorpooten en de staart tusschen de achterpooten steekt, terwijl haar stekels overeind staan. In deze houding graaft zij met haar korte, sterke pooten en klauwen, tusschen wortels door en de steenen terzijde werpend, een hol in den grond, waarin zij met een verwonderlijke vlugheid verdwijnt. De kracht, waarmede zij zich aan den grond vasthoudt, heeft aanleiding gegeven tot de meening, dat geen hond ooit een echidna kan dooden. Een gewone hond kan dit ook niet, hij moet er bijzonderen slag van hebben. Maar heeft hij dien eenmaal, dan kost het steeds moeite hem van zijn onschuldigen, nuttigen vijand af te houden, want er schijnt een erfelijke veete tusschen hen te bestaan. Geen hond met een gezond instinkt kan een echidna tegenkomen zonder een aanslag op zijn leven te wagen. De lange, buisvormige snuit van de echidna is de doodelijke plek, die dan ook met uiterste zorg wordt verborgen gehouden. Maar een hond, die de juiste taktiek kent, wacht geduldig af tot op een gegeven oogenblik een der achterpooten even zichtbaar wordt, waarop hij deze grijpt en het dier kan omkeeren. Voor de negers is de mierenegel een van die lekkernijen die de ouderen, met behulp van verschrikkelijke strafbedreigingen, voor zich zelf alleen weten te houden.

Na de echidna komt als volgende in grootte de witstaart-rat (Uromys hirsutus). Zij houdt van water en vertoont zich des nachts. Ik kwam haar bestaan door een toeval te weten. Op een morgen vond ik, terwijl ik in het bosch aan het houthakken was, een slang van twaalf voet lang, die in de zon lag te slapen. Ongeveer in het midden van haar lichaam bevond zich een veelbeteekenende verdikking die scheen te bewijzen dat de slang juist een of anderen vogel had verslonden. Nadat ik het dier den kop had afgehakt bracht een onderzoek echter aan het licht dat de slang een witstaart-rat verorberd had--het eenige exemplaar dat ik ooit op het eiland heb gezien.

Hierop volgt een kleine, vruchten etende rosbruine rat, met een goudachtigen glans aan het uiteinde van zijn haren. Een fijn, gracelijk diertje met aardige manieren en een klagelijken roep als het piepen van een kuiken. Het eet bij voorkeur rijpe bananen en ananas, maar knaagt ook wel aan andere vruchten en aan koren. De moeder draagt haar jongen onder aan den buik, waar zij zich klaarblijkelijk met hun tanden en nagels vasthouden, en niettegenstaande deze belemmering weet zij nog vlug genoeg vooruit te komen. Ik meen dat geen enkel ander knaagdier op deze wijze voor kinderwagen speelt. Misschien werd deze gewoonte verkregen als een gevolg van bijzondere levensomstandigheden op het eiland en heeft het dier, niet meer wetend hoe haar soortgenooten op het vasteland hun jongen wegslepen, een eigen methode uitgevonden.

De heer C. W. de Vis, van het Queensland-museum, heeft verscheidene exemplaren van deze rat nauwkeurig onderzocht en verklaart dat zij de kenmerken van drie verschillende geslachten vertoont: de tanden van de muis, de borsten van de mastacomys en de staartschubben van het geslacht Uromys. Bij het toekennen van een naam heeft hij het laatstgenoemde geslacht begunstigd en het dier in de wetenschappelijke wereld geïntroduceerd onder den naam Uromys banfieldi.

De jongen blijven op de bovenbeschreven wijze aan hun moeder hangen tot zij reeds half volwassen zijn en nog lang na den leeftijd waarop andere soorten van ratten zich reeds zelfstandig een weg door het leven knagen.

DERDE HOOFDSTUK.

VOGELS EN HUN RECHTEN.

Ik moet eerlijk erkennen dat het denkbeeld om mij op een onbewoond eiland terug te trekken geen spontane opwelling was, maar voortkwam uit een sentimenteele belangstelling in het leven van vogels en planten. Toen ik had nagedacht over dat instinkt tot verwoesting dat het menschdom beheerscht, toen ik had gezien dat alle zonden tegen de wetten der Natuur, ofschoon ze steeds behoorlijk worden gestraft; toch telkens weer opnieuw worden bedreven, en toen ik voelde dat ik meer medelijden had met de slachtoffers van 's menschen domme ruwheid dan oog voor de gevolgen die hij er zich zelf door op den hals haalt, begreep ik dat moraliseeren van weinig nut zou zijn en dat een voorbeeld beter zou werken dan een voorschrift. De mensch roeit, voor sport of uit louter brooddronkenheid, sommige vogels uit en onmiddellijk eischen myriaden schadelijke insekten zulk een schatting van de groenten en vruchten die hij met zooveel verstand en opoffering heeft gekweekt, dat het nationale verlies in de honderdduizenden loopt. Er ligt een zekere voldoening in de gedachte, dat voor elken insekten-etenden vogel die vermoord wordt, indirekt een deel van zijn gewicht in zilver door het land moet worden betaald. Maar deze voldoening helpt intusschen den dooden vogel niet, noch zijn soort, tenzij de belastingbetalers eindelijk tot het inzicht komen, dat het beter is de vogels te sparen dan geld uit te geven voor de verdelging van insekten, die diezelfde vogels graag zouden hebben opgegeten en daarbij te moraliseeren over de schadelijkheid van een of andere nietige luis of kever die zich opeens tot een nationale plaag heeft ontwikkeld.

En zoo is het een der hoogste wetten op ons eiland dat de vogels er geheel ongemoeid blijven. Onze zee-omspoelde kluizenarij is een heiligdom voor alle vogels, behalve voor die met moorddadige en kannibalistische instinkten. Alle anderen zijn er welkom en in de acht jaar van ons verblijf zijn tal van schuwe soorten vrijmoedig en gezellig geworden, ofschoon ik met teleurstelling moet toegeven dat het aantal nieuw bijgekomen soorten maar gering is. Vier vreemde soorten van zeezwaluwen, die gewoon zijn hun eieren op de kale klippen van den Barrier te leggen, bezoeken thans geregeld ieder seizoen Purtaboi. Misschien is het feit dat er een toevluchtshaven voor hen is geopend nog niet genoeg bekend onder onze vrienden. Maar zij die komen genieten ten minste vrede en veiligheid. En het aantal soorten dat hier thuis hoort of tijdelijk vertoeft, is zeer groot, al zijn dan ook, evenals bij de zoogdieren en planten, tal van Australische soorten niet vertegenwoordigd.

EEN FUGA AAN DEN DAGERAAD.

Nog vóór er iets van den dageraad te zien is, wordt zijn nadering reeds door het scherper en fijner waarnemingsvermogen van de kleine pitta (Cephalopterus ornatus) [24] bespeurd. Eer nog de oostelijke hemel begint te bleeken rept zich het woelig diertje aan den zoom der wildernis en wekt alle slapers met zijn scherp, vragend fluiten. Het ruikt de zon, zooals de geest van Hamlet's vader de morgenlucht. Zijn toonzetting van het "Slapers, ontwaakt" echoot door de stilte in scherpe, afgebroken klanken. Zelden hoort men hem midden op den dag, maar 's avonds in de schemering en nog zeer laat doet hij zich opnieuw hooren.

Als de morgenschemer spreidt zwelt het koor der pitta's aan tot een zachte fuga van onafgebroken week sjilpen en fluiten. Waar men ook staat, overal is men omringd door het gekabbel van een zoete melodie, die uitvloeit in de stilte zoodra de schemer vlucht voor de eerste schitteringen der koninklijke zon. Deze lieflijke zang is slechts een algemeene uiting van vreugde over de terugkomst van den dag, een wederkeerig herkennen en begroeten. Een paar minuten later zijn de deelnemers er aan misschien de meest naijverige mededingers.

HET LOOPHOEN.

Het gekakel van het loophoen (Megapodius duperreyi) hoort men den geheelen dag en bij tusschenpoozen ook des nachts. Daar het hoen zelden uit de schaduw der wildernis komt, is zijn gezicht geheel en al gewend aan het getemperde licht en de duisternis die daar heerscht en kan het er de insekten, die zich onder de bladeren, in rottend hout of in den vochtigen grond verbergen, gemakkelijk vinden. Wanneer men ziet met welk een volharding de grond door dezen sterken en steeds bezigen vogel wordt omgeharkt, verbaast men er zich over dat er eigenlijk nog larven en kevers, duizendpooten, wormen, schorpioenen en spinnen overblijven, om hun soort in stand te houden. Overdag houdt het loophoen zich dikwijls stil, maar maakt toch af en toe een geluid dat wij met eenige welwillendheid kraaien zouden kunnen noemen.

Het hoen geeft blijken van een verwonderlijk verstand door de wijze waarop het partij trekt van de warmte, ontstaande door het rotten en broeien van doode planten en bladeren. Lang voor de scherpzinnige Chineezen kippen- en eendeneieren in kunstmoeders uitbroedden, waren deze inrichtingen al bij de struikhoenders bekend. Een aantal vogels stapelen te samen een hoop op van verscheidene wagenvrachten van het rottend materiaal, maar elk schijnt toch in deze coöperatieve broedmachine een afzonderlijk gedeelte voor haar eigen eieren te bezitten. De kuikens komen geheel beveerd uit den hoop te voorschijn en zijn dan onmiddellijk in staat in hun eigen onderhoud te voorzien; soms vindt men pas uitgekomen kuikens op grooten afstand van de naastbijzijnde broedplaats druk aan het krabben en bij nadering ziet men ze met een merkwaardige snelheid en kracht vluchten. Ook de wijze waarop de bergen worden opgestapeld getuigt van veel overleg. Op een bijzonder wilde plek van het eiland bevindt zich zulk een stapel geheel tusschen geweldige rotsblokken besloten. Het is onmogelijk dat de vogels hier den hoop bijeen konden krijgen door krabben en voortschoppen op het terrein zelf en daar zij het materiaal ook nooit in den bek dragen scheen het bestaan van den hoop mij onverklaarbaar. Maar eindelijk ontdekte ik dat twee der rotsblokken, die naar elkaar toe helden, een natuurlijke geul vormden, waardoor het meerendeel van het materiaal naar beneden gezonden was. Als de regen en het gebruik den hoop weer hebben doen slinken wordt er telkens weer nieuwe voorraad naar de geul gebracht.

Het loophoen schijnt er plezier in te hebben uitzonderingen te maken op de wetten waaraan andere vogels gehoorzamen. Niet alleen dat het zijn eieren kunstmatig laat uitbroeien, zij zijn bovendien buiten alle verhouding tot den omvang van den vogel. Ofschoon het loophoen kleiner is dan het gewone huishoen, legt het eieren, die ongeveer drie maal zoo groot zijn. Terwijl het gewicht van een casuaris-ei 1% bedraagt van het gewicht van den volwassen vogel, is deze verhouding bij het huishoen 3,5% en bij het loophoen niet minder dan 11,5%. Is het dan te verwonderen dat de groote casuaris den hoornachtigen kop zoo laag draagt en op zoo nederigen toon spreekt en dat het loophoen zoo schreeuwerig en met zoo volmaakte onverschilligheid voor het muzikaal gevoel van alle andere vogels optreedt?

Het loophoen vliegt slecht, ofschoon het toch voorkomt op eilanden die drie, vier mijlen ver in zee liggen. Onlangs zagen een paar negers aan de kust van het vastland een vogel op een afstand van twee en een halve mijl laag boven het water vliegen, blijkbaar van Dunk-eiland komend. Dicht bij land stortte het dier uitgeput in zee. Toen het aanspoelde--een godsgave voor de negers--bleek het een loophoen te zijn. Het feit werd in het kamp druk besproken, want niemand kon gelooven dat een "kee-rowan" zoo ver kon vliegen.

EEN BRANIE.

Een andere vaste bewoner van het eiland is de vlaggen-drongo (Dicrurus). Hij is glimmend zwart, met een metaalglans op de schouders, een langen staart en scherpen bek. Brutaal en twistziek, waarschuwt hij met zijn kijvend geluid zoodra er een havik boven de Baloghia's zweeft. Hij is de branie der wildernis, die zelfs vogels, die in kracht en snelheid verre zijn meerdere zijn, overbluft en zijn wetten voorschrijft aan al wat vliegt. Wanneer zijn nest op den laagsten tak van den Moretonbaai-esch vol hongerige jongen zit is zijn drukte belachelijk. In gewone omstandigheden vindt hij het beetje voedsel dat hij noodig heeft zonder veel moeite, maar wanneer hij een gezin te verzorgen heeft, moet hij er druk naar zoeken op alle mogelijke plaatsen. Zich vastklemmend aan de schors van de Baloghia, den staart als een waaier uitgespreid tot steun, onderzoekt hij zorgvuldig iedere holte en vliegt ieder oogenblik naar den esch terug met stukjes gekrulde schors waarin kevers, poppen of spinnen huizen.