Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland

Part 13

Chapter 131,820 wordsPublic domain

Mickie en Jinny hadden een streepje voor bij hun meesteres en werden daardoor wel eens familiaar. Eens kwam er bezoek, een oude vriendin met haar beide dochters, een blonde en een brunette. Het contrast tusschen de twee meisjes scheen Mickie sterk te verbazen en hij nam de eerste gelegenheid waar om bij zijn meesteres een vertrouwelijke informatie in te winnen. "Dat tweeling zuster?" vroeg hij. "Ja Mickie." "Zelfde moeder?" "Natuurlijk Mickie." En Mickie, zonder eenige aarzeling: "Zelfde vader?"

LAURA.

Laura was een ondeugend kind. En evenals Topsy [34] erkende zij haar ondeugendheid, maar deed nooit eenige moeite zich te verbeteren. Er was een aanzienlijke hoeveelheid melk verdwenen uit een emmer en haar meesteres vroeg haar: "Heb je van de melk gedronken, Laura?" "Nee Missis, mij niet drink hem." Maar de dikke snor van room boven haar lip verklapte haar. Laura diende in een rustig huis, zonder kinderen en waar weinig vaatwerk te wasschen viel. Niet ver daar vandaan was het Staatsweeshuis en iederen dag kwamen de weezen twee aan twee op weg naar school aan haar voorbij. Eens zeide zij, met afwezigen blik naar den optocht kijkend: "Missis, mij niet graag wasschen vaat voor dat kerels."--Laura werd geregeld naar de zondagschool gezonden, waar zij zich steeds ingetogen en zedig gedroeg en door haar natuurlijke geslepenheid talrijke kaartjes voor goed gedrag verdiende. Eens werd zij er betrapt op het volgende gebed: "Och Mister God, maak missis sterk vrouw, maak missis goed vrouw."--Zij was ziek en haar meesteres drong er op aan dat zij wonderolie zou innemen, wat zij weigerde te doen. Eindelijk dreigde haar meesteres: "Goed Laura, als je geen medicijn wilt innemen ga ik naar den doctor." En zij: "Nee, nee, missis, mij zelf doodgaan."

ZIJN DAGELIJKSCH BROOD.

De regeering van Queensland vervult met veel plichtsbesef de taak de kussens van het stervende ras op te schudden. Langs de kust zijn talrijke zendingsstations opgericht waar den negers uit den omtrek door tucht en veel godsdienst geleerd wordt voor zich zelf te zorgen. Het werk staat onder oppertoezicht van een ervaren ambtenaar, den "Hoofdbeschermer der Inboorlingen," die mij een verhaal deed dat licht werpt in meer dan eene richting.

Een welgedane neger die een paar maanden geleden verplaatst was naar een zendingsstation heelemaal uit de buurt, kwam zich aanmelden bij het hoofdkantoor en beantwoordde de voorloopige vragen van den Beschermer zoo schijnheilig mogelijk. Nadat hij vertrouwen had weten te winnen werden hem nog enkele bijzonderheden gevraagd.

"Behoor je niet bij het station op Fraser-eiland?"

"Ja, mij ben daar."

"Waarom blijf je daar dan niet, het is er toch goed?"

"Nee, niet goed."

"Je krijgt er volop eten en van alles."

Deze opmerking veroorzaakte een langgerekten uitroep van afkeuring en walging. "N-a-hr! Vragen wel veel, niet krijg hem. Al morgen spreek tegen dat groot kerel-baas (met een hemelwaartsche hoofdbeweging) geven mij dagelijksch brood. Etenstijd zeg hem geven mij dagelijksch brood. Nog keer bij thee zeg hem dat groot kerel-baas geven mij dagelijksch brood."

"En krijg je 't dan niet?"

"N-a-hr! Niet krijg hem. Krijgen koren (op den grond spuwend) net als paard."

Maïs-koeken, met gebed, vormden op dit station het standaardvoedsel.

LETTERLIJK WAAR.

Een neger van meer dan gewone intelligentie was uitgezonden om twee vaten met water te vullen. Met een zelfvoldaan gelaat kwam hij vertellen: "Mij klaar."

Zijn baas ging kijken en kwam tot de ontdekking dat de neger een der vaten in het andere gezet had.

EEN TOOVERMIDDEL DAT NIET WERKTE.

In haar eerste begeestering voor het Christendom nam Lucie onbevoegd bezit van een gouden kruis. Zij ging er mee naar een afgelegen plek aan den oever der rivier, hing het aan een koord om haar hals en verbeeldde zich dat het een toovermiddel was dat haar in een blanke vrouw zou veranderen. Vierentwintig uur van geduldige verwachting gingen voorbij zonder dat er de minste verandering in Lucie's uiterlijk plaats greep. Zij verloor dus haar geloof in den gouden talisman en ruilde hem bij een Maleischen bakker in tegen koekjes. Brave Christenen beschuldigden daarop Lucie van diefstal en den bakker van heling. Lucie werd vrijgesproken, maar de heiden ging de gevangenis in.

ANTI-CLIMAX.

Een neger werd eens gevraagd of hij niet meende dat Jimmy Governor (een beruchte bandiet, die het de politie van Nieuw-Zuid-Wales erg lastig gemaakt had) behoorde te worden opgehangen.

"Nee, niet hang hem, hangen te goed."

"Wat zou je dan willen?"

"Mij? Mij stomp hem neus!"

JE PIJP OF JE LEVEN.

Een planter, die te voet met zijn zwarten bediende reisde, kwam aan een rivier die hij moest overzwemmen. De baas beval "Steenkool," na hem de bagage te hebben toevertrouwd, naast hem te blijven zwemmen. Halfweegs, juist op het oogenblik toen de baas begon te vinden dat het toch vrij gewaagd was een gezwollen rivier, met zooveel boomknoesten onder water over te steken, zeide Steenkool langs zijn neus weg: "Stel jij verdrinken, uit. Baas mij dan geven jouw pijp?" In één seconde alle mogelijkheden overziende, antwoordde de baas: "Nee, jij ben krijg pijp als ik aan overkant." De hulp van den neger was nu verzekerd en afdoende.

DE GERECHTSZITTING.

Dick, een neger met een niet geheel smetteloos verleden, stond terecht voor een ernstig vergrijp. Toen hij later tot zijn vrije heuvels teruggekeerd was, placht hij op een zonderlinge wijze een voorstelling der gerechtszitting te geven. Op een open veldje zette hij een stuk hout overeind dat den rechter voorstelde, "groot kerel-meester," een kleiner blok verbeeldde den griffier, twaalf andere de juryleden, drie de advokaten en een groot blok tusschen twee andere in was Dick zelf tusschen zijn bewakers. Na deze voorbereidingen stak hij van wal met zijn beschrijving van het geding.

"Groot kerel-meester, hij ben zeggen: Dick, jij hoor mij? Jij schuldig--jij niet-schuldig?"

Mij ben zeggen: "schuldig."

Op dit punt van zijn verhaal gekomen brak Dick onveranderlijk in zulke lachstuipen uit dat hij onmogelijk verder kon. Hij heeft het dikwijls geprobeerd, maar zijn pogingen eindigden steeds in een zoo uitbundige vroolijkheid dat al zijn toehoorders er door werden meegesleept en iedereen moest erkennen dat zijn veroordeeling de meest vermakelijke gebeurtenis in zijn geheele leven geweest was.

HET PARADIJS.

Het geloof aan het "generzijds" schijnt bij de negers erg van persoonlijken smaak en voorkeur af te hangen. Sommigen gelooven in het geheel niet aan een voortbestaan na den dood. Anderen verzekeren dat zij na een lange en pleizierige reis in een heerlijk land komen, waar zij hun verwanten weer ontmoeten en waar allen, goeden zoowel als slechten, gelukkig zijn.

Een neger werd eens gevraagd of werkelijk allen naar het zelfde paradijs gingen, waarbij hem er op werd gewezen dat hij een goed mensch was en een zeker ander kampbewoner een erkend slecht.

"Ja", antwoordde hij. "Allen zelfde reis met mij. Goede reis, volle suikerzak, heel veel eieren, veel wallaby vlak bij, hoef niet zoeken, vang hem vlak bij. Mij gaan lange weg, mij komen in beter land. Vader van mij daar zitten, hij krijgen twee mooie jonge kerel-vrouw. Waarachtig, goeie vrouwen. Hij zeggen: hallo, jij kom ook? Jij zitten hier allemaal. Twee kerels-goeie-vrouwen voor jou."

Dit was het paradijs.

INHOUD.

EERSTE DEEL: MIJN TROPISCH EILAND.

Eerste Hoofdstuk:

Het domein van den strandvonder De aankomst Ons eiland Onze satellieten en buren De nederzetting

Tweede Hoofdstuk:

Strandvonderij Tropische bedrijven De fauna van het eiland

Derde Hoofdstuk:

Vogels en hun rechten Een fuga aan den dageraad Het loophoen Een branie Vlammende oogen Fier en grootmoedig De witte muskaatduif De Australische kolibri Vogels als seizoenkonders

Vierde Hoofdstuk:

De Koraaltuin Wonderlijke visschen De zeeschorpioen Burra-ree Vierduizend tegelijk Een mededinger van de oester Haaien Schildpadden De hedendaagsche meermin Bêche-de-mer

Vijfde Hoofdstuk:

Een vlinderdroom De bedrogen slang Avontuur met een krokodil

Zesde Hoofdstuk:

Een veroveraar Een grootmoordenaar Sluipmoordenaars

Zevende Hoofdstuk:

De vliegenvorst Een tragedie in geel Goed in hun rol Mieren De bruidsvlucht

TWEEDE DEEL: STEENTIJD-MENSCHEN.

Eerste Hoofdstuk:

Een ondergaand ras Schildpadvangst Weer-verstoorders Een diner Zwarte kunst Briefstokken Parelmoer-vischhoeken Wilde dynamiet De legende van een grot Een zielvolle dans De oorsprong van het Zuiderkruis

Tweede Hoofdstuk:

George Yab-oo-Ragoo, alias Mickie Tom en zijn vrouwen

Derde Hoofdstuk:

Communisme De duvel-duvel Kleeding Broer en zuster De regenboog Een zwemrecord De donderfabriek Het orakel Een zwarte dégénéré Alles voor een naam Pijnlijk kruisverhoor Laura Zijn dagelijksch brood Letterlijk waar Een toovermiddel dat niet werkte Anti-Klimax Je pijp of je leven De gerechtszitting Het paradijs

AANTEEKENINGEN

[1] Mangrove of wortelboom (Rhizophora mangle), een boom met luchtwortels, die langs de tropische kusten groeit. Zie beschrijving in deel I, zesde hoofdstuk, onder "Een veroveraar."

[2] Dugong (Halicore dugong), een planten-etend zoogdier van 10 tot 20 voet lang, dat leeft in baaien en inhammen van de Indische zeeën en waarvan het vleesch als voedsel zeer wordt gewaardeerd. Zie beschrijving deel I, vierde hoofdstuk, onder "De hedendaagsche meermin."

[3] Hibiscus, planten met groote, schitterende bloemen, behoorende tot de Malvacaeën.

[4] Dapahboom of Indische koraalstruik, een boom met vuurroode bloemen. (Engelsch: Flametree, vlamboom).

[5] Magnolia umbrella en M. tripetale. De 12 tot 15 duim lange en 5 tot 6 duim breede bladeren van den laatste loopen naar beide uiteinden smal toe en zijn in een cirkel aan het eind der takken geplaatst, vandaar de Engelsche naam: umbrellatree, parapluboom.

[6] Baloghia lucida, een Euphorbiacae die bij insnijding een bloedrood sap afscheidt (Engelsch: bloodwood, bloedhout).

[7] Careya Australis (Engelsch: cockatoo-apple-tree, kakatoe-appelboom).

[8] Melaleuca, beteekent zwart en wit. Witte boom, zilverboom, of Cajapoetboom (Maleisch: Caju Puti, d. i. witte boom). Een soort myrtacae met trossen van zittende gele, purpere of karmozijnroode bloemen.

[9] Gingee, inlandsche naam voor Diplantera tetraphylla, vierbladige diplantera.

[10] Drongo, vogels tot het geslacht Dicrurus behoorend.

[11] Schoolhoutboom (Alstonia scholaris). Engelsch: Milkwood, melkhout, wegens een melkachtige afscheiding.

[12] Eupomatia laurina, Engelsch: bean-tree, boonenboom.

[13] Hoya, ook wel genoemd porceleinbloem.

[14] Godsdienstig feest (dans en maaltijd) bij de Australische inboorlingen.

[15] Litchee (Nephelium), boom met zeer smakelijke vruchten van vier centimeter doorsnee.

[16] Bungalow, huis van één verdieping in de tropen.

[17] Artamus, spitsvogels, zwaluwspreeuwen, zwaluwklauwieren of boschzwaluwen.

[18] Copra, uitgeperste kokosnoot.

[19] Bêche-de-mer, zeeslak of Trepang (Holothuria edulis) een Chineesche delicatesse. Zie beschrijving in Deel I, vierde hoofdstuk.

[20] Rozenobel: oude Engelsche gouden munt. Moidore (moeda d'ouro) Portugeesche gouden munt.

[21] Wallaby, naam voor middelgroote en kleine Kangoeroe's.

[22] Bandikoet, buideldas.

[23] Nulla-nulla, werpstok.

[24] Pitta, ook grondlijster of prachtlijster genoemd.

[25] Manucodia's, groep vogels behoorend tot of nauw verwant aan de paradijsvogels.

[26] Engelsch: Balloon-fish, ballonvisch.

[27] Neolithische tijdperk: een voorhistorisch tijdperk, waarin wapenen en werktuigen van gepolijsten steen gebruikt werden.

[28] Vandaar de Engelsche naam: sucker, zuiger.

[29] Mierenleeuw (Myrmelion), een insekt behoorende tot de Neuroptera waarvan de larve trechtervormige valkuilen maakt in zand en stof, op den bodem waarvan het zich verbergt. Zoodra een mier of ander insekt in den kuil valt komt zij te voorschijn om het te verslinden.

[30] Boschjesman, kolonist in het Australisch binnenland.

[31] Corrobboree, godsdienstige bijeenkomst met dansen en feestmaal der Australische inboorlingen.

[32] Dilly-mand; gevlochten inlandsche mand voor 't inzamelen van vruchten en wortels.

[33] Iguana, soort hagedis.

[34] Figuur uit "De Negerhut."