Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland
Part 12
Mickie's kennis van het leven en de gewoonten van vogels, insekten en visschen is werkelijk benijdbaar. Teekens en geluiden, die door blanken in het geheel niet worden waargenomen, zijn vol beteekenis voor hem. Natuurlijk zal hij, zoolang hij dit scherpe waarnemingsvermogen nog niet bezat, wel dikwijls honger hebben geleden. Hij hoort het krabben van een loophoen in de wildernis tusschen dorre blaren op grooten afstand, en een rimpeling aan het einde van een rif waarschuwt hem dat een haai of koningsvisch bezig is een baardvisch de baai in te jagen, waar hij hem gemakkelijk zal kunnen spietsen. Hij hoort het ritselen van een iguana [33] in het gras, als de blanke niets hoegenaamd verneemt en hij weet wanneer de reuzenkrabben onder de mangroven wandelen.
Hij is betrouwbaar en gedienstig, verder een bekwaam boomerangwerper, een scherpschutter met de nulla-nulla en hij eet al wat maar binnen zijn bereik komt. Ik heb hem lang gekend en hoop van harte dat het hem nooit moge ontbreken aan tabak en rum.
TOM EN ZIJN VROUWEN.
Tom is drie maal getrouwd geweest, hij heeft tenminste drie vrouwen gehad. Een paar maanden geleden had hij er twee tegelijk en droeg de gevolgen daarvan met berusting. Van de bruid zijner jeugd verhaalt de historie niets, want Tom zelf is de eenige levende tijdgenoot en hij draagt zijn verdriet altijd in stilte.
Toen hij weer vrijgezel was had hij een avontuur met Dolly, de bekoorlijke jonge vrouw van Charley. Tom had juist voor zes maanden geteekend voor een tocht met een bêche-de-mer-schoener. Dolly lonkte hem zoo verleidelijk toe, dat Charley raasde van woede, maar Tom, altijd koel en gesloten, liet niets merken. Hij vroeg een voorschot van zijn kapitein, kocht, met wat andere prullen, een buitengewoon opzichtige japon, spreidde al dit fraais behoorlijk ten toon en bracht het daarop aan boord van den schoener, die den volgenden morgen zou afzeilen. 's Avonds ontvluchtte Dolly het kamp en het gezelschap van den rookenden Charley en klom, naakt, druipend, maar met begeerige oogen, tegen het schip op, waar Tom haar met het schitterende uitzet verwachtte. Den volgenden dag zocht Charley haar tevergeefs langs het strand. Een oude, versleten jurk--zijn bruidsgeschenk--was het eenige dat hij, op een klip ongeveer een mijl van de ankerplaats van den schoener, van haar vond.
Deze schaking heeft jaren geleden plaats gegrepen, maar Charley haat Tom tot op dezen dag.
Nelly, zijn tegenwoordige vrouw, wier geboortegrond grenst aan de tegenover liggende kust, kon, toen Tom haar in een eerlijk en mannelijk tweegevecht van haar eersten echtgenoot veroverde, zijn taal niet spreken. Hun stammen, ofschoon nauwelijks twee mijlen van elkaar verwijderd, hadden geheel verschillende woorden voor dezelfde voorwerpen en eerst in hun huwelijksleven leerden Tom en Nelly elkaar verstaan. Een paar voorbeelden van deze spraakverwarring:
Tom Nelly
Zon Wee-yee Car-rie Maan Yil-can Car-cal-oon Hemel Aln-pun Moogah-car-boon Eiland Cul-qua-yah Moan-mitte Zee Mutta Yoo-moo Water Cam-moo Pan-nahr Man Mah-al Yer-rah Vrouw Rit-tee Ee-bee Kind Eee-bee Koo-jal Hoofd Poo-you Oom-poo Regen Yucan Yucan
Ethnologen vinden misschien nog stof tot nadenken in het feit dat Tom en Nelly uitzonderingen vormen op den regel, dat de totems der Australische negers in het algemeen betrekking hebben op een of ander voedsel en dat individuen met gelijksoortige totems niet met elkaar huwen. Tom's totem-naam, "Kitalbarra" is ontleend aan een rots op een eilandje zuidoostelijk van Dunk-eiland. "Oongle-bi," Nelly's peet, is een rots op een der toppen van het vastland. Toch werd door niemand deze gelijksoortigheid van totem opgeworpen als een beletsel voor het tweegevecht waarin Tom zijn vrouw door kracht van wapenen won.
Toen wij op het eiland kwamen vluchtte Nelly als een schuwe slang de wildernis in en bleef er een paar dagen verstopt. Zij was woest achterdochtig, vuil en onhebbelijk; een echte wilde. Maar nu legt zij elken morgen het vuur aan, kneedt het brood, bereidt de pap, zet koffie, voert de kippen, wascht de vaat, schrobt de vloeren, kortom doet alle huiselijk werk. Zij is ijverig en vroolijk en rookt aan één stuk uit een met blik versierde pijp. Van een twistzieke feeks is zij een zachtmoedige vredestichtster geworden, altijd gereed de fouten van anderen te vergoelijken en zich voor hen op te offeren. Nooit is zij gelukkiger dan wanneer zij aan haar werk is, behalve dan op Zondagochtend, wanneer zij in een fonkelnieuwe japon kan paradeeren, terwijl de rookkronkels van haar pijp opstijgen van onder een hoed welks tinten den hemel bij zonsondergang beschamen.
Tom is in zijn booze buien gruwelijk wreed, maar dit verandert niets aan Nelly's toewijding voor den man wiens bescherming zij eens aanvaarde. Haar ijdelheid verleidde haar eens om in de hut met haar mooien hoed te pronken. Tom, die nota bene zelf steeds de opzichtigste hemden draagt, kon dit niet velen en verbrandde den hoed en haar overigen opschik. Nelly liet zich niet onbetuigd en Tom wierp haar daarop, toen zij met groote, fonkelende oogen voor hem stond, ten koste van een paar verbrande vingers een handvol gloeiende asch in het gezicht. Van Tom's standpunt bezien was deze daad een van die meesterlijke zetten die alleen flinke kerels op het juiste oogenblik ten uitvoer weten te brengen. Maar Nelly was wekenlang--bijna voor altijd--haar gezicht kwijt en haar geheele huid was verbrand. Toch droeg zij haar wreede straf zonder een klacht te doen hooren en wist Tom later door allerlei concessies tot meerdere toegevendheid tegenover haar ijdelheid te brengen.
Nelly heeft meer dergelijke wreedheden te verduren gehad en dikwijls genoeg heeft zij zich de haren in vertwijfeling uitgerukt, maar Tom is altijd haar heer en meester gebleven en op zijn manier houdt hij veel van haar.
Het zwaarste wat Nelly te dragen kreeg was de aanwezigheid van Tom's derde vrouw "Kleine Jinny."
Er kwam bericht uit Lucinda-point dat Tom's halfbroer (een geheel denkbeeldige bloedverwantschap) gestorven was en een jonge weduwe had nagelaten. Volgens Tom's uitleg der huwelijksgebruiken, was hij de rechtmatige erfgenaam van deze nalatenschap en hij vroeg verlof om haar te gaan halen. Gewezen op het feit dat hij reeds een vrouw had, verklaarde hij onomwonden in Nelly's tegenwoordigheid dat: "zij niet goed," maar de andere "wel goed kerel." Tom kreeg zijn verlof en toog er op uit met geld op zak en voorzien met dekens, sieraden--waaronder Nelly's beste jurk en hoed--een paar fraai beschilderde dilly-manden, een boomerang, twee zwarte palmhouten speren, een groot houten zwaard, een in rood en wit versierd schild en een fonkelnieuwe tomahawk.
Zoo vertrok Tom, met Nelly's beste wenschen en vol hoop en verwachting; in twee weken zou hij terug zijn.
Twee maanden gingen voorbij en op een goeden avond kwam een havelooze, smerige vogelverschrikker van een neger, ongeschoren, zonder deken, zonder hoed en zelfs zonder pijp over de verschansing van de stoomboot klimmen en zonk in ons bootje zonder een woord te spreken. Het was Tom.
Bij stukjes en beetjes verhaalde hij eindelijk zijn lotgevallen. Hij was te Lucinda aangekomen, had de kleine Jinny door zijn persoonlijke bekoorlijkheden, gesteund door Nelly's uitgelezen garderobe, weten te winnen, maar had, toen hij voor haar moest vechten, de nederlaag geleden. Er ontbrak een driehoekig stuk aan zijn oor en op zijn arm droeg hij het litteeken van een speerwond. Hij had moeten vluchten met achterlating van al zijn bezittingen.
Tom vergeet niets en nooit geeft hij een plan op; hij is even volhardend als een mestkever. En zoo kwam hij na een paar maanden, toen hij weer wat geld gespaard had, opnieuw verlof vragen. Voor de tweede maal plunderde hij Nelly's kleerenkast en welgeschoren en glimlachend ondernam hij opnieuw den tocht. Twee weken later liet hij zijn jonge derde vrouw met al haar bagage in de boot afzakken; hij had in het gevecht overwonnen.
Arme Nelly. Zij ontving Kleine Jinny met uitbundige vriendelijkheid en Jinny schonk haar een jurk en een besten hoed. Een paar dagen lang was het leven in het kamp idyllisch. Toen namen zij Nelly de geschenken weer af en zetten haar de hut uit. Zij bouwde een afzonderlijke woning van gras en gebogen takken en daarin zat ze te huilen en te razen van jalouzie.
Tom vertroetelde en ranselde Kleine Jinny afwisselend. En zij verdiende allebei, want zij was, voor een negerin, trotsch en hooghartig en kon zoo giftig zijn als een schorpioen. Tom's hand is zwaar en als hij haar in toorn tegen Jinny ophief, had zij heel wat te lijden. Maar ook zij leed in stilte en iedere tuchtiging scheen haar aanhankelijkheid jegens haar gebieder te vergrooten.
Ofschoon zij van beschaving niet het flauwste begrip had, deed zij in ijdelheid en koketterie voor geen Europeesche vrouw onder en haar hoogste streven was zich als een "dame" voor te doen. Arbeid was haar te min. Zij bezat een soort kleedingstuk met twee pijpen en haar heele levenswandel was één poging om zich een dergelijk bezit ook waardig te gedragen. Tot op zekere hoogte slaagde zij hierin. Haar pasjes waren klein en elegant en zij luierde haar dagen op vrij artistieke wijze door. Een waterkan was veel te zwaar voor haar, een dame met het tweepijpig kleedingstuk. Zij zat liever in de schaduw van een mangoboom onder voorwendsel wat te tuinieren. Maar het liefst wandelde zij, natuurlijk met Tom, onder de baloghia's, met niets aan dan haar onderbroek. Eigenlijk had zij een ideaal leven; zij had volop te eten, zooveel tabak als zij maar wilde en kreeg alleen slaag als haar schorpioenachtige eigenschappen haar weer eens de baas werden.
Onlangs kwam Tom vertellen dat Kleine Jinny ziek was, "bij de maag." Ziek zijn was voor haar iets heel gewoons, een zeer welkom voorwendsel om eens een heelen dag in het zand te liggen rooken en zich haar eten te laten aandragen. Daarom nam aanvankelijk niemand haar ziekte ernstig op, maar toen Tom 's middags te vijf uur thuis kwam was zij er slecht aan toe en kwam hij dadelijk onze hulp inroepen. Wij gingen onmiddellijk met alle medicynen die ons volgens Tom's diagnose toepasselijk leken, maar vonden haar blijkbaar stervende. Onder Tom's kastijdingen had zij nooit een zucht geslaakt en ook nu kreunde zij maar zwakjes, terwijl Tom haar vreemd gezwollen lichaam met zware hand masseerde om den "doode kerel, dezelfde als duvel-duvel," die naar zijn meening de eenige oorzaak van Jinny's ziekte was, naar buiten te persen.
Maar de duvel-duvel liet zich niet verdrijven. Wij deden al ons best met brandewijn en warm flanel, legden voortdurend nieuwe compressen aan, maar niets baatte. Zelfs Nelly, die nu nog maar een zeer ondergeschikte rol speelde en zooveel van Jinny te lijden had, hurkte nu naast haar stervende mededingster om haar koude handen te wrijven en haar wangen te verwarmen. En met aandoenlijke zorg trachtte zij, in nabootsing van onze compressen, Jinny's wangen en voorhoofd te warmen met de gladde, olie-achtige, boven het vuur gehouden bladeren van de "Raroo." Zoolang er leven is, is er nog hoop, dacht Nelly en onafgebroken ging zij door met de scherp-riekende bladen te verhitten en er de handen, die haar zoo dikwijls boosaardig hadden geslagen, mee te wrijven, steeds droevig zuchtend. Ondertusschen bleef Tom maar masseeren. Zijn theorie was, en is nog, dat een of ander man, die Jinny op Hinchinbrook gekend moest hebben, gestorven was en dat nu zijn geest, "als duvel-duvel" in Jinny's maag zat.
Maar hoe wij ons allen ook uitsloofden, toen de zon den donkerblauwen bergrug aan de overzijde had bereikt, had kleine Jinny haar laatste zucht uitgeblazen.
Nelly's zuchten veranderden nu in een geweeklaag, waarin de andere leden van het kamp instemden, een doordringend gekrijsch dat twee dagen aanhield. Daarmee vermengde zich het diepe, droevige, maar niet onharmonieuze gebrom van den treurenden man. Twee dagen zong men zoo den lof der doode, hurkend rond haar met een deken bedekte lijk. Daarna begroeven zij haar in het zwarte zand der rookerige hut waarin zij had geleefd en daar rust zij nu bij de overlevenden.
Tom heeft den rouw van zijn stam aangenomen: Gedurende een paar jaar zal hij een zekeren visch, die in verband staat met Jinny's inlandschen naam, niet eten. Door niets wil hij aan haar herinnerd worden. Den dag na haar begrafenis was hij van zons op- tot ondergang bezig alle voetsporen die Jinny had achtergelaten, uit te wisschen. Al wat hem een droeve herinnering kon brengen aan het arme schepsel waarvoor hij dat gevoel gekoesterd had dat bij wilden de plaats der liefde inneemt, moest verdwijnen.
DERDE HOOFDSTUK.
COMMUNISME.
Australische negers worden wel eens voor socialisten en zelfs communisten gehouden. Zeker is het, dat zij een afkeer hebben van rijkdom en hierin misschien met sommige socialisten overeenstemmen en dat hun gewoonten communistische trekken vertoonen. Maar dat zij ook deze ten eigen bate weten aan te wenden, kan uit het volgende staaltje blijken:
Toen een naburige plantage werd gevestigd, stonden er in het stuk wildernis, waar het huis gebouwd zou worden, verscheidene prachtige Eupomatia's. Juist zou een dezer worden gekapt, toen een oude neger, het hoofd van een kamp in de nabijheid, door een tolk liet aanzeggen, dat voedseldragende boomen niet mochten worden geveld. De kolonisten, die graag op goeden voet wilden blijven met de omringende inboorlingen, kwamen ten slotte met den oude overeen dat zij al de boomen op het terrein zouden koopen. Den volgenden dag echter kwam een tweede neger aanzetten, bewerende dat hij evenveel recht op de boomen had en ook betaald moest worden. Om de vriendschap aan te houden kreeg ook hij zijn geld. Een derde kwam met denzelfden eisch en ook deze werd tevreden gesteld. Weer een dag later kwam een jonge man vertellen dat niemand eenig persoonlijk recht op de boomen had, maar dat zij aan den geheelen stam gezamenlijk behoorden en dat hij door den verkoop door zijn voorgangers niets van zijn eigen aanspraak op de vruchten der boomen had verloren. Ook deze jonge man werd afgekocht, maar nu verklaarden de kolonisten toch beslist en onherroepelijk dat zij niemand meer iets zouden betalen.
DE DUVEL-DUVEL.
De beschrijvingen die de negers geven van den duvel-duvel komen meestal daarin overeen dat zij hem handen toekennen, voorzien van haken of scherpe punten. Een intelligente neger van het Kaap-York-schiereiland verhaalde mij eens hoe zijn baas hem, om hem gerust te stellen, had beloofd den duvel-duvel te zullen doodschieten als hij het hem lastig maakte. Maar "niemand kan schieten dat kerel, baas, al 't zelfde als rook" zeide hij. Hij vertelde dat de duvel-duvel armen had als wingerdranken en midden in 't gebergte huisde. "Stel zwarte kerel hem hooren zing, dan stil zijn, vertellen medicijnman. Dat gooien wookoo (briefstok) tusschen struiken naar noorden, zuiden, westen, oosten. Dan zitten klein beetje. Neger maken groot kerel-vuur, hij niet slapen, hij altijd uitkijken.--Oud man mij dikwijls vertellen van duvel-duvel; hij ben weghalen oud man en oud vrouw voor lang tijd. Hij nooit terug zien. Hij vinden alleen klein beetje vel aan wingerd. Oud man ben vertellen soms duvel-duvel zingen als groot kerel-wind; hij hem zien als rook. Mij hem niet zien. Mij hem hooren eens, mij toen bijna klein kind."
Een andere neger gaf een geheel andere beschrijving. "Groot kerel. Heelemaal als dood man. Alles been, geen meer vleesch." Vurige oogen voltooiden dit beeld.
KLEEDING.
De ouders van onze tamme negers droegen niet alleen nooit kleeren, maar wisten nauwelijks wat kleeren waren. Ter beschutting hadden zij ze niet noodig. Dekens of zakken uit de binnenschors van een bijzonder soort vijgenboom (Ficus ehretioides) waren de eenige bedekking die zij kenden en nog niet eens ieder bezat zulk een vijgenboom-deken. Bij slecht weer hurkten zij in hun hutten. En daar zij geen kwaad dachten, was ook ter wille van het fatsoen kleeding overbodig. Maar tegenwoordig gaan de negers algemeen gekleed, tendeele als een concessie aan de schijnheiligheid der blanken, en voor een nog grooter deel uit ijdelheid. De negers op ons eiland zijn dol op kleeren; hoe schitterender en opzichtiger hoe mooier.
Maar als zij Zondags een wandeling maken legt de heele troep, zoodra zij uit het gezicht zijn, de statiekleeren af, want voor een wandeltocht is het geliefkoosde costuum nog steeds dat van de vorige generatie. En na dan den geheelen dag in heilige onschuld te hebben doorgebracht, keeren zij 's avonds, opnieuw aangedirkt in hun ongebruikte plunje, weer naar huis.
BROER EN ZUSTER.
Wanneer zij grooter worden, nemen de broers tegenover hun zuster een zoo teruggetrokken houding aan, dat zij veel op afschuw gelijkt. Een man zal niets eten wat door zijn zuster werd gekookt, noch iets aanraken dat zij in de hand gehad heeft. Hoe minachtender en strenger hij haar behandelt hoe gepaster het is. Eens bracht Nelly's broeder een bezoek aan het eiland en ter eere van dit feest kookte zij op ons keukenfornuis een geweldige pudding. Toen zij haar dampend en geurig in het kamp bracht, vroeg Billy onmiddellijk wie haar gemaakt had. Nelly, die niet wilde dat Billy zich zelf van zijn aandeel zou berooven, antwoordde "Missis." Billy at nu naar hartelust, zonder er nadeelige gevolgen van te ondervinden, terwijl Nelly, die niettegenstaande zijn officieelen afkeer van haar toch dol op haar broer is, gelukkig glimlachte om haar vroom bedrog.
DE REGENBOOG.
Een van de boeiendste kindersprookjes vertelt dat op de plaatsen waar de regenboog de aarde raakt een zak met goud en schitterende edelsteenen ligt. Onder de negers van Noord-Queensland is bijna precies hetzelfde sprookje in omloop. "Muhr-amalee" zeide een neger tegen mij, wijzend op een regenboog die uit het eiland Bedarra scheen te ontspringen. "Dat kerel niet goed. Heet, branden. In mijn land te veel. Komen uit van grond, buigen over, gaan laag. Stel mij dicht bij komen en hem dood maken met speer, dan weg loopen en zitten. Dan terug komen, vinden massa rood steenen, geel steenen. Vullen heelemaal dillymand. Oud man ben hem vertellen. Mij niet gaan dicht bij Muhr-amalee. Mij te bang."
EEN ZWEMRECORD.
In volharding bij het afstand-zwemmen en in het gemak waarmede zij verschillende dingen in het water verrichten, zijn de negers langs de kust van Noord-Queensland haast ongeëvenaard. Bij de minste aanleiding ondernemen zij waagstukken die bewijzen, dat zij zich in diep water evenzeer thuis voelen als op het vaste land en ontwikkelen daarbij een kracht en uithoudingsvermogen die buitengewoon zijn. De negers die in dienst zijn op Bêche-de-mer-booten worden ten naaste bij amphibieën. Sommigen grijpen, al duikend de visschen op den bodem der zee tot een hoopje bijeen, totdat hun armen zoo vol zijn dat zij alleen nog maar met de schouders kunnen schokken, om zich voort te bewegen naar het bootje dat hen wacht.
Tijdens een cycloon in de Prinses-Charlotte-baai kwam een der overlevenden na bijna 24 uur gezwommen te hebben aan de kust. Hij verklaarde dat allen in de boot, tot wier bemanning hij behoorde, waren verdronken, "afgeloopen" en dat de zee hem had meegesleept naar den Barrier. Hij had lang gezwommen, was toen moe geworden en gaan slapen. Het grootste deel van dien verschrikkelijken nacht had hij slapende gezwommen. 's-Morgens sloeg de wind om en dreef hem naar de kust. Bij deze zelfde gelegenheid hebben andere negers vijftien en twintig uur gezwommen, maar Dick was de eenige die er tusschendoor nog had geslapen en geheel frisch aan land kwam.
DE DONDERFABRIEK.
Een neger, die wel eens in een industriestad geweest was, vroeg, bij het hooren van een geweldigen donderslag: "Hoe maak hem dat lawaai, baas? Hij hebben groot wiel?"
Andere negers, die niet zooveel ervaring van machinegeraas hebben, schrijven den donder aan een geheimzinnige oorzaak toe en weten, schoon met eenig voorbehoud, precies de plaats aan te geven waar hij gemaakt wordt. Een bergstroom op het vastland heeft in een zachte, roode rots een ronde grot uitgehold. Dit hol is de plaatselijke donderfabriek en de negers hangen er vischhoeken boven aan wingerdslingers, om zoodoende de jonge dondertjes te vangen voor zij groot en gevaarlijk worden.
HET ORAKEL.
Waarzegging uit de ingewanden van dieren wordt in sommige gedeelten van Noord-Queensland door de negers beoefend. Bij de Johnstone-rivier stierf eens plotseling een jonge vrouw. Onmiddellijk togen nu de jonge mannen uit het kamp ter jacht en kwamen met een wallaby terug. De ingewanden werden er uit genomen en een oude vrouw--de Atropos van het kamp--liet ze in strengen van een halve meter lengte tusschen haar vingers glijden, waarbij zij tegelijkertijd den naam van een naburigen stam uitsprak. Hiermede was deze stam overtuigend aangewezen als de bron der betoovering, die de ontijdige dood der vrouw had veroorzaakt en natuurlijk volgde behoorlijke wraakneming.
EEN ZWARTE DÉGÉNÉRÉ.
In een distrikt aan de Beneden-Murray (tusschen Nieuw-Zuid-Wales en Victoria) stierven eens vlak na elkaar een groot aantal negers onder hevige krampen. Ongeveer dertig waren er reeds bezweken, toen een oude Duitsche doctor, die beurtelings de verschillende nederzettingen aan de rivier bezocht, in het bewuste kamp kwam en bij een vrouw, die juist door de ziekte was aangegrepen, strychninevergiftiging constateerde. Het geval scheen een onoplosbaar raadsel en een paar blanken namen op zich het kamp te bewaken. Eindelijk kreeg de oude doctor verdacht op een neger, die bijzonder plezier scheen te scheppen in het lijden der stervende vrouw. Hij kwam telkens kijken, lachte dan, ging weer heen, kwam na een poosje weer terug en herhaalde bij elken krampaanval in zich zelf: "Waarachtig, dat flink trappen, dat kerel." Iemand herinnerde zich nu dat hij dezen zelfden neger eens haast een stuip van 't lachen had zien krijgen, toen hij op het station een hond met strychnine zag afmaken. Hij werd nagegaan en nu bleek dat hij in een stukje huid van een buidelrat, dat hij in een ouden hoed bewaarde, een voorraad strychnine verborg, die hij uit den winkel aan het station had gestolen. Ter verantwoording geroepen bekende hij met de meeste vrijmoedigheid zijn schuld en kon klaarblijkelijk maar niet begrijpen dat hij iets verkeerds gedaan had. De eenige reden waarom hij zijn geheim zoo lang verzwegen had was, dat hij al het plezier er van voor zich alleen wou houden. De andere negers vatten de zaak heel anders op, omringden hem en bewerkten hem met hun speren tot hij stierf. Tot zijn laatste oogenblik toonde Tommy niets anders dan verbazing over het feit dat zijn kameraden zijn onschuldig grapje zoo gewichtig opnamen.
ALLES VOOR EEN NAAM.
Voor de negers is een naam een heel ding. Zoodra een kind geboren is, is het eerste verzoek: "Jij zet hem (of maak hem) naam op dat kerel." Komt een vreemde in het kamp, een "myall," dan is het eerste wat hij noodig heeft een naam en vóór hij dien heeft is hij even verschopt als een hond zonder eigenaar. Alles kan dienen, van "Adam" tot "Yellow-belly" of "Belle-vue." Op zijn nieuwen naam is hij dan even trotsch als een blanke jongen op zijn eerste lange broek en al heel gauw is hij zijn oorspronkelijken naam vergeten. "Hoe is je naam in je eigen land?" vroeg ik eens aan een pienteren neger en het antwoord was: "Ben verloren hem, ben verloren. Baas bewaren hem op papier."
PIJNLIJK KRUISVERHOOR.