Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland

Part 11

Chapter 113,805 wordsPublic domain

De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassende maan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.

Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: "zij vingen visch met de horens van ossen." De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.

Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.

Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.

Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren der Acacia holcocarpa en zonder twijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in 't gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.

In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.

WILDE DYNAMIET.

Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.

Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: "Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet." En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: "Niet blanke man's dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien."

Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. "Dat kerel wilde dynamiet," zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in een geïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.

Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als "Paggarra" en aan den plantkundige als Derris scandens.

Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der "Koie-yan" (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.

DE LEGENDE VAN EEN GROT.

Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er van is het antwoord onveranderlijk: "Oud man, hij ben gezien hem," en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: "Mij denk, dat oud man humbug."

Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, "de duvel-duvel zelf," met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer "op de top daar bij Hinchinbrook." Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheid der legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. "Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood."

Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van "Coo-bee co-tan-you," hetgeen beteekent "grot der vallende ster," ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.

Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.

EEN ZIELVOLLE DANS.

Van de vele corrobboree's [31] die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai, ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.

De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.

De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.

Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.

De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaarde prestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk "in de stilte verstierven" stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.

DE OORSPRONG VAN HET ZUIDERKRUIS.

Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.

"Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: "Broeder, waar nu?" "Lang weg, zwem verder, broeder." Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter."

TWEEDE HOOFDSTUK.

GEORGE.

George is in het minst niet bijgeloovig. Alles heeft zijn begrijpelijke oorzaak. Zoo komt bijvoorbeeld de regen uit een grooten bak, ergens daarboven. Wanneer men hem vraagt of hij gelooft in den "duvel-duvel," voor wien de negers van het vastland zoo bang zijn, dat slechts weinigen zich in het donker wagen, antwoordt hij met een brutalen lach: "Mij nooit zien hem. Stel mij hem zien, mij hem steek overhoop." George zelf is dus niet in staat den booze te beschrijven, maar van hooren zeggen weet hij toch te vertellen, dat hij drie oogen heeft, twee op de gewone plaats en een in het achterhoofd.

Maar al heeft George geen greintje ontzag voor den duvel-duvel, een des te vaster geloof heeft hij in het bestaan van wat hij noemt "Grond-Vrouwen" in de buurt van Cooktown. Zijn kennismaking met deze geheimzinnige onderaardsche sirenen beschrijft hij aldus:

"Beetje buiten Cooktown kamp van grondvrouwen. Mij en Sargen gaan zien groote corrobboree, waarachtig. Paar vrouwen komen uit hol in grond. Als naar beneden gaan, grond sluit van zelf, als venster. Waarachtig, mij bang, mij rillen. Eén goed kerel-mooie-vrouw kom boven. Sargen zegt "Jij gaan corrobboree dansen voor dat kerel-vrouw." Mij zegt: "Wij naar huis gaan, mij bang, wij naar stad, dit geen goed plaats." Sargen beetje lachen, hij zeggen: "Nee, jij niet bang zijn, jij dansen voor dat kerel-vrouw, goeie, mooie vrouw." Mij gaan er heen; mij voelen bang, mij voelen koud van binnen, veel te bang, waarachtig. Voelen aan dat kerel-vrouw, heel koud. Dat vrouw zeggen: "Waar jij vandaan?" Mij zeggen "Van stad." Dat vrouw zeggen: "Waar jij naar zoeken?" Mij zeggen: "Mij zoeken stier, weggeloopen van kudde." Mij dansen een beetje voor dat vrouw, niet veel; te bang. Toen dat vrouw naar beneden, grond boven dicht. Heelen dag beneden. Kom boven alleen nacht. Kunnen niet komen bij zon, dan dood gaan, allemaal te zacht."

De negers bij Cooktown gebruiken volgens George een veel lichter jachtspeer dan hier in gebruik is. In plaats van een dunnen tak (bij voorkeur van roode mangrove) geduldig in het vuur rechtgebogen en gehard, neemt George daarom den stengel van een grasboom (Xanthorrhea arborea) die, 8 à 10 voet lang, zoo recht en licht is als een billartkeu. In een holte aan het dikker einde bevestigt hij één stalen punt van 18 duim lang en een kwart duim dik, of wel drie stukken Nr. 8 ijzerdraad met de drie gescherpte punten lichtelijk uiteen gebogen.

De verdiensten van dit wapen maakten herhaaldelijk een onderwerp van debat uit, waarbij de Dunk-eilanders hun zwaarder speren verdedigden. Bij een van die gelegenheden verhaalde George, ten bewijze van de voortreffelijkheid van zijn model, de volgende geschiedenis:

"Dit kerel-speer alles doodmaken. Kangoeroe's, wallaby's, visschen, hem doodmaken allemaal. Hem gaat recht door lange kangoeroe. Eens mij hem zien raken kerel-neger. Broer van mij, sterke kerel dat, Billy. Eens wij jagen achter kangoeroe. Billy dicht er bij, mij gaan zitten op rots. Ander kerel dicht bij, hij zitten, wij niet zien kerel. Mij opeens zien kleine kerel-wallaby. Mij fluiten mijn broer; hier wallaby, stil! Mijn broer opstaan, gooien zijn speer, missen wallaby, raken dat ander kerel, hier. Dat hard schreeuwen; mijn broer bang. Hij zingen, "Billy, waarvoor mij doodsteken?" Billy wegloopen. Dat kerel schreeuwen: "Billy, trek speer uit." Billy wegloopen; mij stil zitten blijf; mij hoor dat kerel zingen, zingen, hard zingen. Kan niet loopen. Mij stil weggaan, mij terug komen van ander kant. Mij veel vrouwen zien, mij roepen: "Hier, kerel ben getroffen speer, bijna dood." Komen allemaal waar kerel ligt zingen. Dragen hem in kamp, kunnen speer niet uitkrijgen, speer met haak. Alle tijd dat kerel zingen: "Trek speer uit." Toen Billy terug, hij heel bedroefd. Hij zeggen: "Mij wil niet jou doodsteek, mij jagen wallaby, mij niet zien jou." Dat kerel zeggen: "Allright Billy, jij goed vrind van mij." Drie dagen dat speer blijven zitten. Mij terugkomen in kamp. Mij zeggen: "Mij denken jij al dood." Hij zeggen: "Mij niet dood nog, mij voelen heel goed, trek speer uit." Toen oud man hard trekken. Kan niet uit krijgen. Oud man zeggen: "Wij hem uitsnijden." Halen mes, scherp, snijden, snijden, snijden. Drie sterke kerels trekken speer, hard allemaal. Trekken veel vleesch aan dat haak. Dat kerel zingen, kan niet inhouden. Twee weken dood. Vrouwen hem niet begraven. Wat denk je? Snijden vleesch van been, doen vleesch in schors, doen witte verf op schors, binden dicht en hangen op in dilly-mand [32] Waarachtig. Pfff! Later hem ruiken stink."

In het algemeen praalde George niet met zijn beschaving, maar van tijd tot tijd moest hij toch eens laten zien wat hij kon. Eens toonde hij mij twee velletjes papier, op elk waarvan een paar golvende lijnen geteekend waren.

"U schrijven precies dat manier?" vroeg hij.

"Neen, ik schrijf anders," antwoordde ik.

"Dit makkelijk, mij altijd schrijven zoo."

"Wel, en wàt staat er dan?"

George werd plotseling ernstig en staarde een paar minuten in de diepste concentratie op de papiertjes. Eindelijk verklaarde hij:

"Dit kerel-brief zeggen: Coleman-rivier, Coen-rivier, Doodpaard-kreek, Moord-rivier, Kennedy-rivier, Laura-rivier."

Het waren de namen van enkele rivieren noordelijk van Cooktown, George's geboorteplaats. Op het andere velletje stonden volgens hem de namen van de naburige eilanden. Als ik de papiertjes omkeerde, las George ze even vlot; als ik ze met elkaar verwisselde, het deed er niets toe, George las de eilanden af van de lijst der rivieren en omgekeerd. Maar hij bewaarde de velletjes als groote schatten en al zijn kameraden hadden diepen eerbied voor zijn buitengewone kunde.

YAB-OO--RAGOO, ALIAS MICKIE.

Hij zei dat hij Mickie heette, en dat hij een Ier was, en dat hij geboren was op het groote Palm-eiland veertig mijl zuidelijker. Hij heeft geen uiterlijke bekoorlijkheden, zijn gelaat is zijn ongeluk. Ofschoon hij zich met trots op zijn Iersche nationaliteit beroept, geeft hij toe dat zijn moeder "daar, aan de overkant" woonde en zijn geheele persoonlijkheid, of wat er onder de kunstlooze laag houtskool en vet nog van te herkennen valt, vertoont geen enkel kenmerk van het Celtische ras. Maar hij heeft gevoel voor humor en is, naar hij zelf zegt, niet afkeerig van ruzie, zoodat zijn aangenomen naam en natie toch niet zoo heel ongepast lijken. Een laag, overstekend voorhoofd, scherpe zwarte oogen, een breede platte neus, een zeer groote mond, dunne en ongekamde baard, een fiere snor en een kop met haar die in vroeger dagen misschien uit een massa kroesende krullen bestond, maar nu niets meer vertoonde dan wat uitgeplozen kwasten en onregelmatige pluimpjes. Alles bij elkaar een zeer afstootend uiterlijk. Maar toch een rechtgeaarde inboorling in alle opzichten, een die altijd de lichte zijde van het leven ziet, behalve wanneer hij een aanval heeft van neuralgie en hij door aangezichtspijn gekweld wordt.

Mickie is erg trotsch op zijn welgeconditioneerde eega "Jinny" of "Missus Michael," zooals hij haar in een dartele bui pleegt te noemen en Jinny beantwoordt zijn eerbiedige genegenheid door er voor te zorgen dat de dilly-zak die voor provisiekamer dient, steeds goed gevuld is met yamwortel, noten, en oesters, terwijl Mickie zelf verantwoordelijk is voor de visch--in zee bij laag water gespietst--de loophoen-eieren en de ivoorwitte insektenpoppen, waarvan de negers leven als er geen blanke in de buurt is. Als de Voorzienigheid hen echter een blanke zendt, weten zij meel, thee, suiker, aardappelen, vleesch en allerlei wild, van kakatoe's tot vliegende honden, te waardeeren.

Eens werd Mickie gevraagd hoe hij toch aan zulk een juweel van een vrouw gekomen was en het antwoord luidde: "Oom hebben hem gegeven." Er had geen huwelijksplechtigheid plaats gehad. Er was haar geen tand uitgeslagen, noch een bedwelmende slag op het hoofd toegediend met een nulla-nulla. Zij hadden geen mais-pudding gegeten van één bord, noch samen brandy gedronken. De ooren der bruid waren niet door den bruidegom doorboord, noch haar handen door hem samen gebonden. Ook hadden zij elkaar niet wederkeerig met bloed besmeerd en werden zij niet met grastouwen aan elkaar geketend. "Oom hebben hem gegeven," doodeenvoudig. Maar toen zij eenmaal in zijn bezit was had Mickie er toch prijs op gesteld haar tot zijn welbewezen eigendom te stempelen, opdat er nooit eenigen twijfel aan zijn goed recht kon ontstaan. En hij merkte haar met een fraaien stralenkrans van litteekens, elk drie duim lang en een halve duim breed, over haar armen en schouders. Het paar heeft een meisje dat eerst onlangs, na een lang verblijf onder de blanken, in den boezem van het gezin is teruggekeerd. Het is een beetje lastig, dat "Minnie" haar moedertaal bijna geheel vergeten is en met haar eigen ouders Engelsch moet brabbelen. Volgens Mickie zal het wel een jaar duren eer zij weer spreken kan. Ondertusschen wordt er zorgvuldig aan haar opvoeding gewerkt. Zij zal leeren op het eerste gezicht de bijzondere soort van rottend hout te onderscheiden, waarin de verrukkelijke witte poppen zitten, zij zal leeren dat de noot van de Sucade-palm in stroomend water gelegd moet worden eer zij "goed-kerel" wordt; hoe zij den kern tot meel moet stampen en hoe zij het deeg tot een worstvormige koek moet bakken. Zij zal leeren op de klippen naar zwartlippige oesters en mossels te zoeken, zonder haar voetzolen te verwonden. Zij zal dilly-manden leeren vlechten en tenslotte zal zij leeren rooken.

Mickie is bijgeloovig. Na donker zal hij zich geen voet buiten het kamp wagen zonder een brandende toorts van boomschors mee te nemen om den duvel-duvel te verschrikken. Hij weet wel niet wat de duvel-duvel is of hoe deze mystieke booze geest er zou kunnen uitzien, maar hij weet toch wel dat "dat kerel zitten tusschen struiken" en dat hij heeft "lange kerel-nagel aan zijn hand." En daarom neemt hij maar liever zijn schorsfakkel mee.

Mickie's voorstellingen van het hiernamaals zijn niet erg duidelijk. "Stel mij gaan dood, mij gaan naar hemel. Later springen in ander kerel." Hij is er niet zeker van of hij ooit in een blanke zal varen, maar dat laat hem eigenlijk koud. Een anderen keer is hij minder fantastisch. "Stel mij gaan dood; goeien dag, uit, niet komen terug. Massa kerel op Palm-eiland dood gaan. Hij nooit komen terug."

Bij daglicht kent hij geen vrees. Hij heeft ook niets te vreezen; zijn vijanden zijn dood en vergiftige slangen of gevaarlijke dieren komen op het eiland niet voor.

Hij zal nooit verzuimen waar hij maar kan poppen in te zamelen die, evenals de volwassen kevers worden verslonden, na in de heete asch te zijn gebakken. Als bij het uithakken van een pop er een beschadigd wordt, verslindt hij het kronkelend insekt rauw, met de huichelachtige uitvlucht: "Mij ben snijden dat kerel." In de asch gebakken hebben de poppen den smaak van kokosnoot en de "blanke" kwam dikwijls mee eten.