Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland
Part 10
Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong's geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.
Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: "dat kerel-visch niet goed nu," onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een "Kummaorie" besloten.
Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert. In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.
WEER-VERSTOORDERS.
In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschreven aan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.
Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty's geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.
Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.
Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)--een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is--door een jongen man. Wanneer een jonge man van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: "alle wolken vallen naar beneden." Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen en levend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. "Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten." De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.
Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het "die kerel daar achter de bergen" of "een ander daar bij Hinchinbrook." Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.
Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.
EEN DINER.
De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zij zelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.
Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar het vasteland of een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.
Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:
Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d'oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door "echte" schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens "ge-kummaoried," met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluiden van zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, "van die stof waarvan droomen gemaakt zijn" zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.
Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.
Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van den Pandanus odoratissimus.
Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelende Ximenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes van Eugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.
En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de "Moo-jee" (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de "Can-kee" (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden van de chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.
ZWARTE KUNST.
Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de "Lagere Richting" zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.
WANDSCHILDERINGEN
Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte "ontbrekende schakel" is in de keten der menschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.
Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der "Hoogere Richting." Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat "oude menschen" er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke "oude menschen" met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.
Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco's zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten top aan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion) [29]; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.
Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.
Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco's niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekere symmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.
Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.
Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.
De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken "dat droomen tot daden wekt."
BRIEF-STOKKEN.
Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai--300 mijlen noordelijk--ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie's gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.
"Hallo, mister, goeden dag."
"Goeden dag," antwoordde ik. "Kom je van dien kotter?"
"Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief."
"Neen, Mickie is op de Palm-eilanden."
En Mattie, geheel terneer geslagen: "Bosoen gaf dat brief voor Mickie." En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.
De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.
Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.
Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?
Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. "Voor wie is dat, George?" vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hij eindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: "Voor Charlie."
Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.
"En wat staat er dan wel in?"
Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: "J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby."
Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.
"Vertelt hij niets méér?"
Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: "Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen."
Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.
Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman [30] die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokken hopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.
PARELMOER-VISCHHOEKEN.
In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude "keuken" aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: "Dat waren mislukkingen." Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.