Beginselen der dierkunde

Chapter 9

Chapter 93,368 wordsPublic domain

Familie spinners (fig. 142, 120). Plomp, zeer behaard. Sprieten bij de mannetjes van kamvormige aanhangselen voorzien; bij de wijfjes ontbreken deze aanhangselen of zij zijn klein. Hoewel de vleugels bij de meeste soorten vrij groot zijn, vliegen alleen de mannetjes flink. De wijfjes verwijderen zich doorgaans niet ver van de plaats, waar zij uit de pop zijn gekomen. Zij leggen dus de eieren dicht bij elkaar: veelal in hoopen tegen boomstammen aan of in reten van de schors, de ringelrupsvlinder in een' ring rondom een twijgje (fig. 142).--De rupsen, die bij vele soorten behaard zijn, leven dus in den aanvang in elkaars nabijheid; dikwijls spinnen zij een nest, waarin zij òf altijd (processierups) òf gedurende het eerste gedeelte van haar leven (ringelrups, bastaardsatijnvlinder) blijven.--De rupsen van de meeste soorten spinnen eene cocon, waarbinnen zij verpoppen (zijderups, ringelrups, bastaardsatijnvlinder); anderen spinnen slechts een weefsel van draden, tusschen welke de pop duidelijk zichtbaar is (nonvlinder, plakker). Voor hout- en ooftboomteelt zijn vele soorten schadelijk, voor den akkerbouw geen enkele soort.--

Familie uilen (fig. 143). Een stevig, maar slank, glad behaard lichaam. Vleugels flink ontwikkeld, vooral de voorvleugels niet bijzonder breed. De uilen vliegen snel, dikwijls over dag, hoewel zij slechts bij nacht hare eieren leggen; verreweg de meeste soorten doen dit aan kruidachtige gewassen, en zij leggen meestal ieder eitje afzonderlijk.--Rupsen gewoonlijk onbehaard. Poppen doorgaans in den grond; geene cocon.--Vele soorten zijn voor den akkerbouw en den tuinbouw schadelijk (kooluil, grasrups, aardrups, gammarups), slechts enkele nadeelig voor de houtteelt (gestreepte dennenrups).--

Familie spanrupsvlinders (fig. 144). Vlinders slank en dun van lijf, met groote, breede vleugels. Veelal traag. Van enkele soorten hebben de wijfjes geene (fig. 144, b) of slechts zeer kleine, voor 't vliegen onbruikbare vleugels. Gelijken op dagvlinders; maar nooit knotsvormige sprieten.--De rupsen zijn "spanrupsen" (zie bl. 138). Tot deze familie behooren de bessenspanrups en de voor de ooftboomteelt zoo schadelijke wintervlinders (fig. 144).--

Familie bladrollers (fig. 145). Kleine vlindertjes met goed ontwikkelde vleugels. De rupsen leven in inééngerolde bladeren (van dáár de naam!), in 't inwendige van vruchten (de rups in de "wormstekige" appelen en die in de "wormstekige" pruimen) of van twijgen (dennenlotrups).--

Familie motten (fig. 146). Zeer kleine vlindertjes met zeer smalle vleugeltjes, door een' franjezoom omgeven. Sommige soorten voeden zich met bladeren ("spinselmotten" in appelboomen en meidorens); anderen leven van gezolderd graan (korenmot); weer anderen van haren (kleer- en tapijtmotten) en andere doode zelfstandigheden.

Orde Halfvleugeligen.

De monddeelen zijn tot steken en zuigen ingericht; zij vormen alles te zamen een' zuigsnuit. Deze (fig. 147) bestaat uit een' geleden koker (onderlip), waarbinnen twee paar stekels gelegen zijn (de bovenkaken en de onderkaken), die aan hun uiteinde van tandjes zijn voorzien, met behulp van welke een gaatje in een plantendeel of in de huid van een insekt wordt gemaakt. Ook de bovenlip is in de lengte gegroeid.--Bij vele soorten van halfvleugeligen (land- en waterwantsen) zijn de voorvleugels voor een gedeelte leerachtig en taai, terwijl de buitenrand ervan evenals de achtervleugels vliezig is (fig. 148). Bij andere soorten (gevleugelde bladluizen, fig. 149) zijn voor- en achtervleugels beiden vliezig en van weinig nerven voorzien. Sommige soorten (weegluis, ongevleugelde bladluizen) hebben in 't geheel geene vleugels.--Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl. 134).

Tot de halfvleugeligen behooren o. a. de weegluis, de frambozenwants (die op kersen, aalbessen, frambozen leeft en aan deze vruchten haren afschuwelijken reuk meedeelt), verschillende soorten van waterwantsen (als de waterschorpioen, het bootsmannetje en de waterloopers); eindelijk de bladluizen en de schildluizen.--

De bladluizen (fig. 149) hebben lange sprieten, dunne pooten en een' langen, dunnen zuigsnuit. Bij de zelfde soort vindt men gevleugelde en ongevleugelde exemplaren. In den herfst zijn er mannelijke en vrouwelijke dieren; de laatsten leggen vóór den winter de eieren, welke bestemd zijn om te overwinteren. De bladluizen, die in 't volgende voorjaar uit deze eieren te voorschijn komen, zijn allen wijfjes, die echter zonder voorafgaande bevruchting jongen ter wereld brengen, welke reeds dadelijk na de geboorte de kiemen van eene nieuwe generatie in zich bevatten. Het aantal jongen, door één wijfje ter wereld gebracht, en het aantal in één jaar elkander opvolgende geslachten is bij verschillende soorten zeer ongelijk. Er zijn soorten, bij welke een wijfje 80 tot 100 jongen voortbrengt, terwijl per jaar 9 tot 12 of meer generatiën elkaar opvolgen. In den herfst zijn er weer mannetjes en eierleggende wijfjes.--Daar de bladluizen gedurende haar gansche leven plantensappen zuigen, kunnen zij door haar buitengewoon sterk voortplantingsvermogen zeer schadelijk worden. Terwijl zij uit stengels en bladeren de sappen opzuigen, welke deze anders zelven voor den groei en de bloem- en vruchtvorming zouden hebben gebruikt, brengen zij hare jongen voort, die in de onmiddellijke nabijheid der moeder den zuigsnuit in het zelfde plantendeel inboren, en spoedig zelven beginnen zich voort te planten. Op deze wijze ontstaan bladluiskoloniën, die dikwijls uit honderden stuks bestaan. Een op deze wijze aangetast plantendeel schrompelt inéén; maar nu zouden ook de daarop zittende bladluizen sterven; vóór 't echter zoover is gekomen, zijn verscheiden exemplaren verhuisd. De derde generatie nl. bestaat gewoonlijk niet alleen uit ongevleugelde bladluizen, maar ten deele ook uit exemplaren, die na eenige vervellingen te hebben doorloopen, vleugels hebben gekregen; deze vliegen weg, zetten zich op eene andere plant neer en worden daar de stammoeders van nieuwe koloniën. Ook latere generatiën bestaan deels uit gevleugelde, deels uit ongevleugelde exemplaren.--Zoowel doordat de bladluizen vele vijanden hebben (spreeuwen, musschen, grasmusschen, enz., lievenheersbeestjes en hunne larven, gaasvlieglarven, zweegvlieglarven), als doordat zij door wind en regen soms in massa's gedood worden, komen zij slechts nu en dan, bepaaldelijk in droge zomers, in zóó groote scharen voor, dat zij de door haar bewoonde gewassen zoodanig beschadigen, dat de oogst er erg onder lijdt. Niet slechts door saponttrekking schaden zij den planten; ook doordat zij uit de aarsopening eene suikerhoudende, klevende vloeistof ("honigdauw") van zich geven, welke, als zij in kleine druppels op bladeren neervalt, een gedeelte van de huidmondjes der bladeren sluit en aldus de werkzaamheid van deze vermindert. Ook hechten zich op de met honigdauw bedekte plantendeelen gemakkelijk sporen van zwammen vast, welke door de lucht werden voortbewogen; zoo kan de honigdauw de voorlooper zijn van "roetdauw", "het zwart" en van andere door zwammen veroorzaakte plantenziekten.--

De schildluizen zijn alleen in hare eerste jeugd in het bezit van pootjes, en dus in staat zich te verplaatsen. Weldra zuigen de larfjes zich met haren snuit aan een' twijg, een' tak of een' stam, bij uitzondering ook wel aan een blad of eene vrucht, vast. Dan ondergaan zij eene vervelling, waarbij zij hare pooten verliezen; ook wordt doorgaans haar lichaam aan den rugkant met een schild bedekt, dat bij sommige soorten als eene vervorming van de huid moet worden beschouwd, bij de meeste soorten echter uit eene waslaag bestaat, welke de huid afzondert. Het mannetje ontwikkelt zich onder zoo'n schild tot een van pooten en meestal ook van één paar vleugels voorzien diertje, dat zich in den volwassen staat over grootere of kleinere afstanden voortbeweegt. Het wijfje blijft haar geheele leven lang pootloos en onder het schild verscholen; als het gestorven is, blijft het schild de eieren bedekken, waardoor deze tegen winterkoude en regen beschut zijn. De mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes. Voor den eigenlijken landbouw hebben de schildluizen geen beteekenis, maar op houtachtige gewassen en struiken (ooftboomen, wijnstok) vindt men vele schadelijke soorten.

Orde Blaaspooten.

Zeer kleine insekten met een' eigenaardigen kaaktoestel, waarmee zij de opperhuid van bladeren en bloemdeelen verwonden en deze deelen tevens uitzuigen.--De vier smalle vleugels hebben lange franje aan de randen; de voorvleugels zijn harder dan de achtervleugels. De uiteinden der pootjes dragen geene klauwen, maar blaasjes, die als zuignappen dienst doen.--Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl. 134).--In sommige jaren vermeerdert zich de eene of andere soort zeer sterk; dan vliegen zij--vooral op zeer warme dagen--in grooten getale in zwermen rond.--Verschillende soorten zijn er bekend, die aan graanbloesems, aan jonge boonenplanten, aan vlasplanten, enz. schadelijk zijn.

Orde Tweevleugeligen.

Monddeelen in de lengte gegroeid, òf alleen tot zuigen (kamervlieg, vleeschvlieg, horzels, parasietvliegen) òf tot steken en zuigen (steekmuggen, dazen) ingericht.--Alleen de voorvleugels zijn ontwikkeld, de achtervleugels zijn gewoonlijk door een paar kleine, kolfvormige lichaampjes vervangen (fig. 151).--Gedaanteverwisseling volkomen (bl. 134). Larven altijd pootloos; de meesten hebben geen' duidelijk zichtbaren kop (maden); maar de kopdragende larven van de insekten dezer orde hebben bijtende monddeelen. Deze laatsten veranderen in bedekte poppen (bl. 138); de koplooze maden verpoppen binnen hare eigen larvenhuid.

Familie der muggen (fig. 151). Lange, dunne sprieten; lange, dunne pooten; lichaam slank en dun. Van sommige soorten (steekmuggen, krieuwelmugjes) steken de wijfjes mensch en vee; de mannetjes zuigen geen bloed maar slechts dauw of andere druppeltjes vocht, welke zich op planten bevinden. Van andere soorten steken noch de wijfjes noch de mannetjes (galmuggen, langpootmuggen). Van de zoo lastige steek- en krieuwelmuggen leven de larven in stilstaand water; vandaar dat zij in vochtige jaren en in laaggelegen, slecht afwaterende streken 't meest voorkomen.--Van de langpootmuggen leven de grauwe larven ("emelten" of "grauwe wormen") òf in halfvergane organische stoffen òf op bouw- en weiland, van de wortels van grassen en granen. De soorten, welke 't laatste doen, zijn schadelijk (fig. 151.)--Galmuggen zijn klein, de meeste soorten slechts 1 à 3 mM. lang; de vleugels zijn vrij breed, behaard, de pooten en sprieten lang; de laatsten bestaan uit een zeer groot aantal leedjes, die op hun midden behaard zijn. Het wijfje heeft eene legboor, waarmee zij hare eitjes in plantendeelen legt. Doorgaans ontstaat op de plaats, waar het eitje gelegd is, eene opzwelling van het plantendeel: soms een ware gal (beukengalmug), soms eene zeer kleine opzwelling, gepaard met abnormalen groei der aangrenzende deelen. Tot de schadelijke galmuggen behooren o. a. de gele tarwegalmug, de Hessische mug, de erwten- en de koolzaadgalmug.--

De familie der dazen of bremsen bestaat uit groote of middelmatig groote vliegen met een stevig gebouwd lichaam, een' flink gebouwden kop, een plat achterlijf en stevige pooten. De wijfjes zuigen bloed en worden door hare steken lastig voor mensch en dier. De larven leven in den grond en zijn onschadelijk.--Paardendaas, runderdaas, regendaas, goudoogdaas.--

De familie der roofvliegen zijn meer slank en dun dan de dazen, met welke zij overigens den stevigen bouw en de flinke pooten gemeen hebben. Zij dooden vele insekten, die zij uitzuigen; den mensch en de huisdieren laten zij met rust.--

Familie zweefvliegen. Stevig gebouwd, vrij breed. Meerendeels levendig gekleurd, met zwarte en gele banden op het achterlijf. Zij houden zich soms een' tijd lang op eene bepaalde plaats in de lucht staande of zwevende, waarbij zij de vleugels zeer snel op en neer slaan. De larven van enkele soorten leven in bollen van planten (uienzweefvlieg, narcisvlieg); die van andere soorten in vuil water ("gootmaden"); de meesten echter leven op bladeren te midden van bladluizen, die zij uitzuigen.--

Ware vliegen hebben een' zuigsnuit, niet geschikt om te steken. In hoofdzaken komen zij met de zwarte kamervlieg in bouw overeen. Behalve deze laatste, welker made in mest leeft, behooren tot deze familie: de blauwe bromvlieg en de vleeschvlieg, welker maden in gekookt of rauw vleesch leven,--de schapenvlieg, die als made in de huid en in de daaronder gelegen deelen van 't schaap parasiteert,--de bloemvliegen, welker maden òf in mest òf in planten leven (bijv. koolvlieg, uienvlieg, bietenvlieg),--de groenoogen, die als made in grasachtige gewassen parasiteeren (halmvlieg, fritvlieg),--de parasietvliegen, welker maden zich in levende rupsen ontwikkelen, en die in de huishouding der natuur dezelfde rol spelen als de sluipwespen (zie bl. 153),--de horzels (fig. 123), die als made in de maag of den darm (paardenhorzel), in de neusholte (schapenhorzel) of onder de huid (runderhorzel) van verschillende dieren parasiteeren.--

Luisvliegen. Lichaam plat; huid leerachtig, taai. Kromgebogen voorpooten, geschikt voor 't klauteren in de haren van de dieren, waarop zij parasitisch leven en welker bloed zij zuigen. Sommige soorten (paardenluisvlieg) hebben twee vleugels; andere zijn ongevleugeld en lijken dan zeer veel op luizen (de zoogenaamde "schapenluis" of "schapenteek", die eigenlijk schapenluisvlieg moet worden genoemd, daar er bovendien eene ware schapenluis en eene ware schapenteek bestaan). Niet slechts komt bij de luisvliegen de made reeds binnen het moederlichaam uit het ei te voorschijn (dit is ook bij enkele andere insekten 't geval, o. a. bij de schapenhorzel en bij de grauwe vleeschvlieg!); maar de enkele made, die tot ontwikkeling komt, wordt volwassen geboren en verpopt onmiddellijk na hare geboorte. Terwijl de meeste insekten slechts éénmaal zich voortplanten en daarna sterven, herhaalt zich de voortplanting bij de luisvliegen. Telkens verlaat zoo'n insekt, om eene made ter wereld te brengen, het dier, waarop het leeft; de made wordt dan in eene reet tusschen planken, in een gaatje in den grond of op eene andere beschutte plaats geboren.

Orde Vlooien.

Ongevleugeld. In de lengte gegroeide monddeelen, geschikt om te steken en bloed te zuigen. Geen vleugels. Springpooten. Eene volkomen gedaanteverwisseling (bl. 134): larve met een' duidelijken kop, maar pootloos; pop onbedekt. De larve van de gewone menschenvloo leeft in de reten van den vloer of op eene andere verscholen plaats. De vlooien zijn tijdelijke parasieten.

Orde Luizen.

Lichaam plat, ongevleugeld. Monddeelen op een snuitvormig aanhangsel gezeten; de monddeelen zelve echter zijn zuigend (ware luizen, die bloed zuigen) of bijtend (vacht- of haarluizen, die stukjes haar of huidschilfers eten). De luizen hebben kleine enkelvoudige oogjes of zijn geheel blind. Voorpooten gekromd, geschikt om ermee door haren te klauteren. Geene gedaanteverwisseling.

Orde Spring- en Franjestaarten.

Kleine, ongevleugelde, met schubbetjes of haartjes bedekte insekten, met bijtende monddeelen. Geene gedaanteverwisseling. Aan het uiteinde van 't achterlijf òf draadvormige aanhangselen (franjestaarten) òf een gaffelvormig verdeelde staart, die langs de buikzijde van het lichaam naar voren wordt gestoken en voor 't springen gebruikt wordt (springstaarten).--Tot de franjestaarten behoort o. a. de suikergast; tot de springstaarten behooren de geslachten Podura, Smynthurus, enz.

KLASSE II. DUIZENDPOOTACHTIGEN.

Deze ademen door luchtbuizen (bl. 129). Het lichaam bestaat uit een' kop en een groot aantal aan elkaar gelijke leden, die allen ledematen bezitten (fig. 112 op bl. 127). Één paar sprieten.--Men onderscheidt: 1º. de eigenlijke duizendpooten, die aan elk lichaamslid één paar pooten hebben, en die in 't bezit zijn van monddeelen, welke voor roof geschikt zijn, 2º. de millioenpooten met twee paar pooten aan ieder lichaamslid, en monddeelen, die geschikt zijn voor 't eten van humusachtige zelfstandigheden en van plantendeelen. Tot de millioenpooten behooren de zoogenaamde "oprollers", die zich gaarne spiraalvormig inéénrollen. Sommige soorten van oprollers eten kiemende zaden (bietenzaad, erwten) of saprijke plantendeelen (aardappelen, knollen, wortelen).

KLASSE III. SPINACHTIGEN.

De spinachtigen ademen--voorzoover zij behalve de huid nog afzonderlijke ademhalingsorganen hebben--door tracheeën of door zoogenoemde "longzakken", die slechts eene wijziging van tracheeën zijn. Het lichaam bestaat hoogstens (zooals bij de ware spinnen) uit twee lichaamsafdeelingen, welke ieder voor zich ongeleed zijn: kopborststuk en achterlijf (fig. 154). Terwijl het laatste lichaamsdeel geene ledematen heeft, bezit het eerste als aanhangselen de vergift uitstortende monddeelen, alsmede 4 paar pooten.

Er zijn echter ook spinachtigen (de mijten, fig. 155), bij welke ook 't kopborststuk en 't achterlijf nog weer tot één ongeleed lichaam vereenigd zijn, zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten als een Geleed dier te herkennen is (zie bl. 127).

Tot de spinachtigen behooren o. a. de volgende orden: ware spinnen, schorpioenen, langpootspinnen of hooiwagens, mijten.

De ware spinnen zijn, voorzoover zij òf rustig in hare web zittende òf de prooi achtervolgende, schadelijke of lastige insekten vangen, eenigszins nuttig.

Tot de mijten behooren o. a. de kaasmijt, die op harde soorten van kaas bij duizenden kan voorkomen, en de kaas in een poeder verandert,--de meelmijt, die zich sterk vermeerdert in meel, dat op eene warme, vochtige plaats bewaard wordt,--de schurftmijten, waarvan verschillende soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte kunnen veroorzaken,--de teken, die gewoonlijk op den grond leven, maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen, om van deze op honden, schapen, runderen, enz., ook wel op den mensch, over te gaan, waaraan zij zich vast hechten, en dien zij bloed afzuigen.

KLASSE IV. SCHAALDIEREN.

De schaaldieren ademen door kieuwen; de meesten leven dan ook in het water, en de landschaaldieren (sommige pissebedden) houden zich steeds op eenigszins vochtige plaatsen op. Huid hard en dik, met kalkafzetting. Twee paar sprieten.--Voorbeelden: kreeften, krabben, pissebedden.

HOOFDAFDEELING III. WORMEN.

Wormen zijn tweezijdig-symmetrische (bl. 32) dieren, die als buitenste bekleeding een' huidspierzak hebben. Onder de opperhuid namenlijk, die niet verhard is, bevindt zich eene laag, welke niet uitsluitend uit de leerhuid bestaat, maar aan welker samenstelling steeds spiervezels deelnemen, die aan de binnenzijde van de huid zijn gelegen. De wormen bewegen zich voort door de verschillende afdeelingen van den aldus gevormden huidspierzak samen te trekken en weer te ontspannen.

Bij sommige wormen werken tot deze voortbeweging ook pootjes mee, bij anderen niet; maar in elk geval spelen deze pootjes, welke altijd ongeleed zijn, daarbij eene ondergeschikte rol. Sommige wormen bezitten zuignappen, waarmee zij zich vastzuigen, en het lichaam bijtrekkend, zich voortbewegen.--Er zijn gelede wormen (regenworm, lintwormen) en ongelede (spoelwormen, leverbot). Bij de gelede wormen is de graad van zelfstandigheid der leden zeer verschillend. Bij vele lintwormen kan men ieder lid als een zelfstandig dier beschouwen; want ieder lid leidt een' tijd lang een zelfstandig leven. Zóó groot is de zelfstandigheid der leden van een' regenworm niet; deze leden blijven altijd een geheel uitmaken.--Tot de Wormen behooren verscheiden, zeer uitéénloopende groepen. Ik vermeld slechts de klassen der ringwormen, spoelwormen en platwormen.

Klasse Ringwormen.

Gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes, welke langere of kortere borsteltjes dragen; echter kunnen ook de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in groeven. Dit laatste is 't geval bij de regenwormen, bij welke alleen bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn. De regenwormen zijn hermaphrodiet; d. i. men vindt mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bij één en 't zelfde individu. De regenwormen komen hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor, althans niet op zeer armen zandgrond en in leem. Nu en dan komen zij met hunne gangen aan de oppervlakte, om de stoffen, welke onverteerd uit de door hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn overgebleven, in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven. De gangen loopen meestal scheef, bij uitzondering ook wel recht naar beneden in den grond, tot op eene diepte van 2 1/2 Meter en meer. Zij eindigen in eene verwijding, waarin de worm ineengerold, den winter doorbrengt, nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van bladeren, takjes, stroo of papier heeft dichtgestopt.--De regenworm voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen, welke zich in humusrijken grond bevinden; maar hij neemt ook bladeren van kool, uien en andere planten, vooral van kiemplantjes (in 't bijzonder die van bieten) op. Hij trekt deze plantendeelen ongeveer 5 cM. diep in zijne gangen, en bevochtigt ze daar met eene zure, door hem uitgescheiden vloeistof, waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden opgenomen. Wèl doen de regenwormen, doordat zij aldus kiemplanten vernielen, eenige schade, maar gewoonlijk zeer plaatselijk. In ieder geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut, dat zij teweeg brengen door het graven van hunne gangen. Daardoor toch kan de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen, wat voor het plantenleven van het hoogste gewicht is. Nog op andere wijze worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig, vooral door hun groot getal. Darwin heeft uitgerekend dat in vele streken elk jaar op iedere Hektare gronds een gewicht van 25000 Kgr. aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de diepte naar de oppervlakte wordt gebracht; zoodat de geheele aan de oppervlakte liggende, humus bevattende laag in weinige jaren hunnen darm gepasseerd heeft. Zij praepareeren aldus op uitstekende wijze den bodem voor den plantengroei, daar zij de verschillende deelen er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen. Zij brengen alle steentjes naar beneden, want zij brengen de door hen opgeworpen aardhoopjes naar boven; en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes, die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren. Zij mengen, evenals de tuinman, de bovendeelen goed dooréén, en zij begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden, de voorwerpen, welke aan de oppervlakte mochten liggen (beenderen, schelpen, doode dieren, bladeren), uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt.

Klasse Spoelwormen.