Beginselen der dierkunde

Chapter 8

Chapter 83,455 wordsPublic domain

De tijd, welken een insekt met volkomen gedaanteverwisseling in den poptoestand doorbrengt, duurt op verre na niet altijd even lang. Van het groote koolwitje (fig. 119) komen alle jaren twee opvolgende geslachten (generatiën) voor; de eerste generatie doorleeft den winter in den poptoestand, van de andere vindt men de poppen in den zomer. Terwijl nu het insekt der wintergeneratie ongeveer een half jaar in den poptoestand doorbrengt, duurt deze toestand bij de zomergeneratie nog geen maand. Hooge temperatuur bespoedigt de ontwikkeling.

Ofschoon een insekt in den poptoestand geene spijs opneemt, ademt het toch en verbruikt het aldus voortdurend stof, echter slechts eene geringe hoeveelheid, daar het dier zich slechts weinig beweegt (zie bl. 26). Vanwaar krijgt nu de pop haar voedsel, om dit verlies aan stof te dekken? In den larvetoestand neemt het insekt veel meer voedsel op dan het voor zijnen groei noodig heeft. Uit dit overschot vormen zich de reservestoffen, die in het zoogenoemde "vetlichaam" der larve worden afgezet. Gedurende den poptoestand worden deze reservestoffen gebruikt om de ademhaling te onderhouden. Daarom weegt eene pop onmiddellijk nadat zij uit de rups is ontstaan, meer dan eene pop, die binnenkort in vlinder zal veranderen.

De larven en poppen zijn bij de onderscheiden insektensoorten zeer verschillend van vorm. Men onderscheidt de larven in: rupsen, ware larven en maden. De maden (fig. 123, b, c) zijn pootloos en hebben geen' duidelijk zichtbaren, met eene harde huid bekleeden kop. De ware larven hebben wèl een' harden kop, die van de overige deelen van den romp duidelijk te onderscheiden is; sommige larven hebben borstpooten (fig. 121), andere niet (fig. 128). Achterlijfspooten echter bezitten zij niet, hoogstens aan 't uiteinde van 't achterlijf een paar ongelede lichaamsaanhangselen. De rupsen (fig. 114, 120, a) hebben een' duidelijk zichtbaren, harden kop, 3 paar gelede borstpooten en een verschillend aantal ongelede achterlijfspooten. Men onderscheidt ware rupsen, die later in vlinders veranderen, en bastaardrupsen, die de jeugdtoestand van bladwespen zijn. De laatsten (fig. 124) hebben een' kogelronden kop en bezitten 6-8 paar achterlijfspooten; bij de eersten (fig. 119, 120, a) is de kop plat en bedraagt het aantal achterlijfspooten 2-5. De gang der rupsen staat in nauw verband met het aantal achterlijfspooten. Is dit aantal vrij groot en zijn dus verreweg de meeste lichaamsleden van pooten voorzien, dan blijft het geheele lichaam gedurende de beweging tamelijk wèl gestrekt. Bevinden zich echter alleen aan het achtereinde des lichaams achterlijfspooten, dan is het gansche middenlichaam pootloos en de voortbeweging geschiedt dan door dit pootlooze lichaamsdeel sterk te krommen. Dit is 't geval bij de zoogenoemde "spanrupsen", die slechts 2 paar achterlijfspooten bezitten (fig. 144, c).

De poppen zijn òf door eene huid omgeven, die den omtrek der afzonderlijke lichaamsdeelen slechts onduidelijk doet doorschemeren (fig. 119, 120, c); òf zij hebben eene huidbekleeding, die ieder lichaamsdeel (ook de vleugels, pooten, sprieten, monddeelen en oogen) afzonderlijk omgeeft (fig. 121). De eersten noemt men bedekte, de laatsten onbedekte poppen.--Vele poppen zijn naakt (fig. 119, 121); andere zijn omgeven door eene cocon (fig. 120, b) of door de larvehuid (fig. 123, d). 't Laatste is het geval met de poppen van vele vliegen: als de made verpopt, blijft de huid van deze in samengeschrompelden toestand om de pop heen zitten. Eene cocon bestaat uit spinsel, 't welk als eene vloeistof in de spinklieren der larve zich vormt, door eene opening in de onderlip naar buiten treedt, vervolgens in draden wordt getrokken en vast wordt. Vele rupsen gebruiken haar spinvermogen niet slechts om eene cocon te maken, maar ook om nesten te vervaardigen of om eenen draad te spinnen, waaraan zij zich laten zakken.

Men onderscheidt de klasse der Insekten in de volgende orden: 1. Kevers of Schildvleugeligen, 2. Rechtvleugeligen, 3. Gaas- of Netvleugeligen, 4. Vliesvleugeligen, 5. Vlinders of Schubvleugeligen, 6. Halfvleugeligen, 7. Blaaspooten, 8. Vliegen en Muggen of Tweevleugeligen, 9. Vlooien, 10. Luizen, 11. Spring- en Franjestaarten.

Orde Schildvleugeligen of Kevers.

Bijtende monddeelen (bl. 131). Een groot voorborststuk, dat met het middenborststuk zeer bewegelijk verbonden is. De voorvleugels vervormd tot harde "dekschilden", die in den rusttoestand alleen den kop, het voorborststuk, een klein driehoekig stukje van het middenborstuk (het "schildje") en soms het uiteinde van 't achterlijf onbedekt laten. De achtervleugels, die tot vliegen dienen, zijn in den rusttoestand onder de dekschilden samengevouwen.--Gedaanteverwisseling volkomen. Larven met harden kop, met of zonder borstpooten. Poppen onbedekt.

Van de talrijke familiën noem ik de volgende.

Loopkevers (fig. 125): slank met lange, dunne pooten, draadvormige sprieten, krachtige kaken.

Zij loopen snel, vliegen meestal slecht of in 't geheel niet. Larven langwerpig. Volwassen kevers en larven houden zich op en in den grond op, en leven, met zeldzame uitzonderingen, van andere insekten. Over 't geheel nuttig.--

Kortschildkevers: langwerpig, smal. Korte dekschilden, die het geheele achterlijf onbedekt laten. De larven gelijken veel op die der loopkevers. Volwassen kevers en larven voeden zich met levende insekten of met rottende organische zelfstandigheden.--

Knotssprietigen hebben sprieten, welker laatste leden dikker zijn dan de eerste leden. Hiertoe behooren o. a. de aaskevers en doodgravers, die èn als volwassen dier èn als larve van doode dieren leven; de doodgravers begraven de krengen in den grond, alvorens er hunne eieren in te leggen. Enkele soorten van aaskevers worden èn als kever èn als larve wel eens schadelijk op bietenakkers. Tot de knotssprietigen behooren verder: de koolzaadglanskever, het frambozenkevertje, het bietenkevertje.--

Bladsprietigen (fig. 126) zijn plompe kevers. Van hunne sprieten zijn de laatste 3-7 leden plat, bladvormig verbreed; zij vormen te zamen een knotsje. De larven ("engerlingen", fig. 121) zijn dik, krom gebogen; zij hebben borstpooten; zij leven in den grond, in vermolmd hout of in mest.--Hiertoe behooren o. a. de meikever en het rozenkevertje; ook de mestkevers en het vliegend hert.--

Kniptorren zijn langwerpig, overal ongeveer even breed, met een zeer lang voorborststuk. De sprieten bestaan uit leden, die ongeveer driehoekig zijn ("zaagvormige sprieten"). Op den rug liggende, springen zij hoog op. Dit doen zij als volgt (fig. 127). Eerst buigt het dier zich zoodanig, dat kop en voorborststuk naar boven-, midden- en achterborststuk en achterlijf naar beneden gebogen zijn. Daarna licht het de neergebogen einden van 't lichaam weer op, waarbij de aanvankelijk omhoog gebogen verbindingsplaats tusschen voor- en middenborststuk met kracht op den grond komt, zoodat de tor door hare eigen veerkracht hoog opspringt. De buikzijde van het voorborststuk heeft aan het achtereinde een uitsteeksel, dat juist past in eene groeve, die in 't middenborststuk aanwezig is. Ligt de tor op den rug en buigt zij het midden van haar lichaam naar boven, dan drijft zij dat uitsteeksel uit de groeve; buigt zij het midden van het lichaam weer naar beneden, dan komt het uitsteeksel weer in de groeve terug.--De larven der kniptorren ("ritnaalden", "koperwormen") zijn dun, langwerpig, hard van huid, geelbruin van kleur, met korte borstpooten en een paar ongelede uitsteeksels aan 't laatste lid van het achterlijf.--Van sommige kniptorsoorten leeft de ritnaald van humus; andere ritnaalden echter zijn zeer schadelijk aan graan en vele andere kultuurgewassen.--

Snuittorren (fig. 128) hebben een snuitvormig verlengstuk aan den kop, aan welks uiteinde de kaken staan. Met deze snuit boren zij gaten in stengels, takken, bloemen, vruchten en andere plantendeelen, soms om voedende stoffen daaruit op te nemen, soms om een gat te maken, waarin zij een ei leggen. De sprieten zijn bij vele soorten knievormig gebogen (fig. 128) en aan den snuit ingeplant. De snuittorren vliegen zelden, nooit anders dan in den paartijd. Er zijn echter soorten, die niet kunnen vliegen, daar de dekschilden met elkaar vergroeid zijn. Larven (fig. 128) pootloos, eenigszins gebogen.--Vele schadelijke soorten, als: erwtenkever, boonenkever, bladrandkever, appelbloesemkever, dennensnuittorren, graanklander.--

Schorskevers zijn nauw aan de snuittorren verwant; de kop is vrij dik en eenigszins verlengd, zonder dat deze verlenging veel dunner is dan de kop zelf. De sprieten eindigen in een knopje.--De larven gelijken veel op die der snuitkevers.--De moederkever boort een gat door de schors en bast des booms tot aan het spint en graaft van dáár uit een of meer gangen ("moedergangen"), aan weerskanten waarvan zij hare eieren legt. De larven graven "larvengangen", welke voor 't meerendeel loodrecht op de moedergang staan, en die steeds wijder worden, naarmate de larve groeit. Aan 't einde van den gang verpopt de larve; en later boort zich de jonge kever door bast en schors heen naar buiten. Door het graven van kevers en larven wordt de verbinding tusschen bast en hout verbroken, bast en teeltweefsel grootendeels vernield. Verscheiden soorten zijn voor de houtteelt zeer schadelijk: dennenscheerder, iepenspintkever, enz.--

Boktorren hebben zeer lange sprieten, die zij veelal naar achteren gebogen dragen, als een bok zijne horens. De pootlooze larven leven in 't hout. Sommige soorten (o. a. de populierboktor) zijn schadelijk.--

Goudhaantjes of bladkevers (fig. 130) zijn gedrongen van vorm, aan de rugzijde bol. De larven leven voor 't meerendeel buiten op de bladeren van dezelfde gewassen, waarvan ook de kevers vreten; enkele soorten leven inwendig in plantendeelen; zij hebben drie paar pooten. Vele goudhaantjes hebben schitterende metaalkleuren. Tot deze familie behooren o. a. lelietorretje, aspergekevertje, elzenhaantje, Coloradokever, schildpadtorren, ook de springende aardvlooien.--

Lievenheersbeestjes (fig. 131) zijn half bolvormig. De larven gelijken veel op die der goudhaantjes, maar hebben langere pooten. Zij eten, evenals de volwassen kevers, bladluizen.

Orde Rechtvleugeligen.

Monddeelen bijtend. Voorvleugels leerachtig; achtervleugels vliezig, in den rusttoestand onder de voorvleugels waaiervormig inééngeplooid (fig. 132). Gedaanteverwisseling onvolkomen (bl. 134).--Men onderscheidt loopende en springende rechtvleugeligen.

Tot de loopende rechtvleugeligen behooren oorwormen en kakkerlakken (o. a. de gewone keukenkakkerlak of bakkerstor);--tot de springende rechtvleugeligen: de veldsprinkhanen (zonder sabelvormige legboor), de sabelsprinkhanen (met eene sabelvormige legboor bij de wijfjes), de krekels (rolrond of plat van lichaam, terwijl de twee vorige familiën meer hoog dan breed van lichaam zijn). Tot de veldsprinkhanen behooren de meesten der kleine sprinkhaantjes, welke op weilanden zoo algemeen zijn, maar ook de beruchte treksprinkhanen;--tot de krekels o. a. de huiskrekel (kriek, iem) en de zoo schadelijke veenmol (fig. 132).

Orde Gaas- of Netvleugeligen.

Monddeelen bijtend. Voor- en achtervleugels veel op elkaar gelijkend, met een sterk vertakt net van nerven (fig. 133). Gedaanteverwisseling onvolkomen of volkomen (bl. 134).

Eene onvolledige gedaanteverwisseling hebben: de in warmere streken levende termieten; de haften en glazenmakers, welker larven in 't water leven (fig. 133). De volwassen glazenmakers dooden insekten, waaronder vele schadelijke;--de termieten zijn door hunne vernielzucht zeer bekend.

Eene volledige gedaanteverwisseling doorloopen: de gaasvliegen, de schorpioenvliegen, de kokerjuffers. De gaasvliegen bezitten in den toestand van larve een paar zeer groote, doorboorde kaken, waarmee zij een ander insekt (meestal eene bladluis) aangrijpen, terwijl zij de lichaamssappen door de openingen in de kaken heen opslurpen. (Nuttig.) Tot de familie der gaasvliegen behoort ook de mierenleeuw (fig. 134), die als larve in een trechtervormig kuiltje in 't zand leeft, en verschillende insekten uitzuigt, welke in dit kuiltje vallen (vooral mieren).--De schorpioenvliegen dooden in de vlucht vele insekten.--De kokerjuffers leven als larven in 't water, en wel in kokertjes, die zij uit plantendeelen, stukjes steen of schelpen samenstellen.

Orde Vliesvleugeligen.

Bovenlip en bovenkaken niet verlengd (bl. 131), de laatsten tot bijten ingericht. Onderkaken en onderlip in de lengte gegroeid, bij sommige soorten een' soort van snuit vormend, geschikt om honig uit de bloesems te zuigen (fig. 135). Zijn deze laatstbedoelde monddeelen minder sterk verlengd, dan kunnen zij in ieder geval dienen voor 't oplikken van lichaamssappen uit aangebeten dieren (mieren) of uit plantendeelen (wespen). De bovenkaken dienen om te bijten: 't zij om houtdeelen stuk te maken, die voor 't bouwen der nesten worden gebruikt (wespen), 't zij om eene opening te maken in dieren of plantendeelen, waaruit zij daarna vocht oplikken (mieren, wespen), 't zij om bloemdeelen door te bijten, om aldus bij de honigbakjes te komen (brombijen).--Vleugels alle vier vliezig, met weinig of zeer weinig nerven.--Gedaanteverwisseling volkomen (bl. 134). Larven bij vele familiën madevormig, bij de bladwespen rupsvormig (bastaardrupsen).

Het wijfje bezit eene legboor, die van zeer verschillenden bouw kan zijn, en die bij onderscheiden soorten (graafwespen) niet slechts voor het eierleggen maar ook voor verdediging dient; bij andere soorten dient zij slechts voor 't laatsbedoelde werk, en vindt het eierleggen plaats door de anale opening (bijen, wespen). De tot steekorgaan vervormde legboor wordt "angel" genoemd.--De bij andere insekten in 't achterlijf aanwezige klieren, welke eene kleverige zelfstandigheid afscheiden, die tot vasthechting der eieren aan bladeren, enz. dient, zijn bij de angeldragende vliesvleugeligen tot giftklieren vervormd.

Vele vliesvleugeligen (alle graaf-, sluip-, gal-, bladwespen, ook vele soorten van bijen en wespen) leven alleen; anderen (alle mieren, vele bijen en wespen) vormen staten, welke soms uit duizenden individu's bestaan. In deze staten grijpt altijd eene verdeeling van den arbeid plaats in zoover, dat men naast de mannelijke en vrouwelijke voortplantingsdieren, die uitsluitend voor de voortplanting dienen, steeds onvruchtbare werkdieren of arbeidsters vindt: vrouwelijke individu's met voortplantingsorganen, die niet tot volkomen ontwikkeling zijn geraakt. Deze arbeidsters bouwen de woningen, kweeken de larven op en verdedigen den staat tegen den aanval van vreemde dieren; zij zijn dan ook in veel grooter aantal in elken staat aanwezig dan de voortplantingsindividu's.--

Familie der bijen. Zeer verlengde ondertong kaken en onderlip, waarmee honig uit de bloemen wordt gezogen. Lichaam plomper en meer behaard dan dat van de wespen. De pootlooze larven worden met stuifmeel of met een mengsel van stuifmeel en honig gevoed. Voor 't vasthouden van het in de bloesems verzamelde stuifmeel dienen o. a. bij honigbijen en hommels de zeer verbreede scheenen der achterpooten en het eerste, bijzonder groote, lid van den voet dezer ledematen; vele andere bijen dragen aan den onderkant van het achterlijf stuifmeel mee.--De in staten levende bijen maken hare nesten van was (dat aan de buikzijde van de werkbijen in schilfers zich afscheidt), van zandkorrels, hout of deelen van bladeren.

Bij de bestuiving van vele gewassen spelen de bijen eene gewichtige rol. Zie hierover het deeltje over Plantkunde.

De honigbij zal elders uitvoeriger worden behandeld.--

Familie der wespen. Monddeelen als bij de bijen. Ook angeldragend. Slank, weinig of niet behaard. Voorvleugels in den rusttoestand overlangs opgevouwen.

De in staten levende wespen maken hare nesten uit eene soort van papier, hetwelk zij bereiden door hout- of bastdeelen fijn te kauwen. De werkwespen zoowel als de mannetjes sterven tegen den winter; alleen de bevruchte koninginnen overwinteren, en wel onder mos, in holle boomen en op andere verscholen plaatsen. In 't voorjaar begint iedere koningin met den bouw van een nest; tevens legt zij eieren en voedt zij de larven. Eerst later in 't jaar wordt zij bij den nestbouw en bij het voederen der larven bijgestaan door de intusschen uitgekomen werkwespen. (Bij de bijen overwinteren ook de arbeidsters, en sterven tegen den winter alleen de mannetjes).

Vele wespen maken hare nesten in den grond; de landbouwer loopt kans, dat hij zulke nesten bij 't ploegen vernielt en dat hij en zijn paard dan door honderden wespen worden aangevallen. Vele wespensteken tegelijk kunnen doodelijk werken. (Middelen: afkoelende stoffen als geschaafde wortels of appels, koolbladeren;--inwrijven met salmiak;--een compres met loodazijn).--

Familie graafwespen. Sommige soorten lijken zeer veel op gewone wespen; maar zij hebben de voorvleugels niet overlangs samengevouwen. De graafwespen vormen geene staten. Het wijfje graaft een gat in den grond, waarin zij een ei legt. Daarbij begraaft zij een insekt, 't welk tot voeding dient voor de te voorschijn komende larve. Opdat het te begraven insekt geen weerstand biede, maar ook niet in rotting overga, brengt de graafwesp het vooraf in een' toestand, waarin het geene willekeurige bewegingen kan uitvoeren. Tot dit doel steken de meeste soorten het gevangen insekt met den angel in 't lichaam en verwonden daarbij de zenuwknoopen (zie bl. 129); daardoor wordt het wel niet gedood, maar toch zoo goed als onbewegelijk.--Sommige graafwespen begraven rupsen (de rupsendooder), anderen snuittorren (de snuittordooder), weer anderen vliegen (de vliegendooder). Dat aldus vele soorten nuttig zijn, behoeft geen nader betoog (fig. 137).--

Familie mieren. Zeer groote bovenkaken; onderkaken en onderlip niet snuitvormig verlengd. Arbeidsters ongevleugeld; de mannetjes en vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Achterlijf met het borststuk verbonden door een steeltje. Alle vrouwelijke mieren, ook de arbeidsters, hebben giftklieren; sommige soorten hebben een' angel en steken op de wijze der bijen en wespen. Andere soorten echter missen den angel (bijv. de roode boschmier); deze bijten den vijand met de bovenkaken eene opening in de huid, krommen vervolgens het achterlijf en spuiten het vergift in de wonde.

Alle soorten van mieren vormen staten. Gedurende 't grootste gedeelte des jaars vindt men in een mierennest slechts arbeidsters, larven en poppen; de voortplantingsdieren verschijnen in den zomer, en zijn vóór de intrede van het koude jaargetijde weer verdwenen. Op een' zonnigen dag vliegen zij in grooten getale uit. De bevruchte wijfjes laten zich op den bodem vallen en verliezen de vleugels, 't zij dat zij ze zich zelven uittrekken of dat zij haar worden uitgetrokken door de arbeidsters, welke hen naar haar nest meenemen, waar het eierleggen begint. De poppen van vele soorten zijn in eene cocon besloten; deze ingesponnen poppen worden dikwijls onder den naam van "miereneieren" als vogelvoer gebruikt.--De mierennesten bestaan uit dennenaalden of kleine takjes (roode boschmier), of zij worden in het inwendige van boomstammen (houtmieren) of in den grond (weidemier) aangelegd.

Door het omwoelen van den bodem worden sommige soorten schadelijk; andere soorten echter doen nut door het dooden van rupsen en andere schadelijke insekten. De mieren houden veel van allerlei zoete stoffen; vooral likken zij gaarne het zoete vocht op, dat de bladluizen uit hare aarsopening afscheiden. Zij strijken de bladluizen met hare sprieten over het achterlijf om de afzondering van dit vocht te bevorderen. Het gebeurt zelfs dat de mieren ze naar plantendeelen overbrengen, waar ze het best gedijen en dat zij ze, telkens wanneer deze plantendeelen uitgezogen zijn en beginnen te verslappen, weer naar andere plantendeelen transporteeren. Soms houden zij de bladluizen in onderaardsche nesten, waar deze aan plan ten wortels zuigen.--

Familie sluipwespen. De sluipwespen leggen hare eieren in larven of poppen van insekten; hare larven leven daar van het reservevoedsel, 't welk deze in haar lichaam hebben opgehoopt (zie bl. 136); eerst wanneer zij bijkans volwassen zijn en op 't punt van te verpoppen, verlaten zij het insekt, waarin zij huisden,--of wel zij verpoppen binnen dit insekt en komen later als volwassen sluipwesp naar buiten. In ieder geval veroorzaken zij den dood van het door hen bewoonde insekt.--Van sommige soorten leeft ééne larve, van anderen verscheiden larven in ééne insektenlarve of ééne pop. Fig. 138, A geeft eene afbeelding van eene koolrups, waaruit eene menigte sluipwesplarven naar buiten kruipen, die buiten de rups zich in eene geelachtige cocon inspinnen. De sluipwesp, welke daaruit later te voorschijn komt, is in C afgebeeld.--Eene sluipwespsoort kan slechts dàn zich sterk vermeerderen, wanneer het insekt, waarin zij woekert, in groot getal aanwezig is. Sluipwespen kunnen er dus niet veel toe bijdragen, eene insektenplaag te voorkomen, maar wèl om haar te doen ophouden.--

Familie bladwespen. Lichaamsbouw gedrongen; het nooit zeer lange achterlijf begint niet, als bij de tot dusver behandelde vliesvleugeligen, met een smal gedeelte: het "dunne middeltje" der wespen ontbreekt. De legboor, die als zij niet wordt gebruikt, in het achterlijf is ingetrokken, heeft den vorm van eene zaag; zij dient om a. h. w. putjes in bladeren of andere plantendeelen te zagen, in welke de eieren worden gelegd. De larven zijn "bastaardrupsen" (zie bl. 138); deze dieren, die als gewone rupsen bladeren eten, buigen in rust gaarne haar lichaam C-vormig inéén; sommigen heffen, als zij worden verontrust, plotseling haar achterlijf omhoog en buigen het over den kop heen naar voren.--Als de bastaardrupsen volwassen zijn, spinnen zij zich, 't zij aan de planten, waarop zij leefden, 't zij in den grond, eene ovale cocon.--Voorbeelden: knollenbladwesp, bessenbladwesp (fig. 124), dennenbladwesp.

Orde Vlinders of Schubvleugeligen.

Monddeelen zuigend. Terwijl de verdere kaken zeer klein zijn gebleven, zijn de twee onderkaken zeer in de lengte gegroeid en vormen deze met elkaar eene spiraalvormig inéénrolbare buis, die "roltong" wordt genoemd (fig. 139, g), en waarmee honig uit de bloesems wordt opgenomen (fig. 140). De vleugels zijn alle vier vliezig en met eigenaardige schubbetjes (fig. 141), bezet, die oorzaak zijn van de soms zeer sprekende, soms meer doffe kleuren.--Gedaanteverwisseling volkomen (bl. 134). De larven zijn rupsen (zie bl. 137), de poppen zijn bedekt (bl. 138).--

Familie dagvlinders (fig. 119). Lichaam slank en dun. Vleugels breed, in den rusttoestand omhoog geslagen, zoodat hunne rugvlakten tegen elkaar komen. Sprieten aan hun uiteinde knotsvormig verdikt.--De rupsen van de meeste soorten zijn weinig behaard; enkele met harde dorentjes bekleed.--Poppen naakt, hoekig.--Voorbeelden: Koolwitjes (fig. 119), koninginnepage, dagpauwoog.--

Familie pijlstaartvlinders of avondvlinders (fig. 140). Lichaam forsch maar niet plomp. Vleugels lang en smal.--Rupsen onbehaard, doorgaans een horen op het laatste lid van 't achterlijf "pijlstaartrupsen", fig. 114).--Verpopping in den grond; geene cocon. Voorbeelden: dennenpijlstaart, doodshoofduil.--