Chapter 7
De boschfasant komt oorspronkelijk in Klein-Azië in 't wild voor, werd bij de oude volken als huisvogel gehouden, en wordt ook bij ons nog als zoodanig aangekweekt; echter heeft men hem in vele streken laten verwilderen; en zoo is hij dan ook in Nederland een gezocht wild.--Oorspronkelijk leven in ons land slechts drie hoendersoorten: korhoen, patrijs en kwartel. Alleen de laatste is een trekvogel. Fasanten, korhoenders, patrijzen en kwartels behooren tot het wild. Er wordt veel jacht op gemaakt.
Orde Waadvogels.
De Waadvogels zoeken dierlijk voedsel aan de oevers van zoete wateren, aan de zeekust of op vochtige landerijen (vochtige weiden en akkers, veenstreken, moerassen); zij zijn diensvolgens er op ingericht om door 't water te waden: het loopbeen is lang en even als het onderste gedeelte van de scheen geheel onbevederd en met horenplaatjes bekleed. In de vlucht trekken de waadvogels de pooten niet tegen het lichaam, zooals de vogels der tot hiertoe behandelde orden doen, maar zij strekken ze in de volle lengte naar achteren uit. De jongen der ooievaars en reigers zijn bij de geboorte kaal en blind; die der meeste andere waadvogels zijn bij de geboorte bevederd en hebben de oogen open.--Die soorten, welke aan het strand leven, eten visschen, slakjes, schelp- en schaaldieren, enz.; die, welke op vochtige akkers en weiden zich ophouden, zijn door 't eten van insekten en slakken voor den landbouw nuttig.
Het behoeft geene verwondering te wekken, dat ons land met zijn strand, zijne rivieren, meren, veenplassen en kanalen en zijne lage landstreken, die gedurig onder water staan, rijk is aan waadvogels. Zelfs komen hier te lande soorten voor, die in andere deelen van West-Europa hoogst zeldzaam zijn of er in 't geheel niet worden aangetroffen. (Lepelaar; roode reiger).
Tot de waadvogels worden o. a. gebracht: de kraanvogel (zie bl. 94, onderste regel);--de waterhoenders, die zich aan den waterkant ophouden, en welker nest in 't water drijft (hiertoe wordt ook de meerkoet gerekend);--de kwartelkoning of spriet, die tegelijk met de kwartels hier komt en van hier vertrekt;--de goudplevier en de kievit, die op onze bouw- en weilanden tot de nuttigste vogels behooren;--de snippen, o. a. de houtsnip, die in 't najaar zich hier te lande een tijdlang ophoudt, en waarop dan veel jacht wordt gemaakt;--de wulpen, met een' langen, aan 't vooreinde neerwaarts gebogen bek;--de kemphaan, bekend om de gevechten, die de alsdan fraai gevederde mannetjes in 't voorjaar met elkaar hebben;--de strandloopers;--de ruiters, waartoe de tureluur behoort, op vochtige weiden zeer nuttig;--de algemeen bekende ooievaar;--de voor de vischteelt en de vischvangst zoo schadelijke reiger en de in ons land langzamerhand zeldzamer wordende roerdomp.
Orde Zwemvogels.
De vogels dezer orde bezitten allen zwemvermogen; overigens verschillen de onderscheiden soorten zeer veel van elkaar. Zij hebben een dicht gevederte, dat vettig wordt gehouden door het vocht, 't welk de stuitklier afscheidt. Bij velen zijn de pooten ver naar achteren geplaatst; in ieder geval worden deze ledematen bij 't vliegen naar achteren uitgestoken en niet tegen 't lichaam getrokken.--Er zijn zwemvogels, bij welke ieder der drie naar voren gerichte teenen door een' afzonderlijken huidzoom omgeven is (gelobde zwemvoeten, fig. 101, rechts),--andere, bij welke alleen de drie voorste teenen door een vlies aan elkander verbonden zijn, terwijl de naar achteren gerichte teen klein is of ontbreekt (gewone zwemvoeten: fig. 101, links); weer andere, bij welke alle teenen recht of schuins naar voren gericht zijn en door een zwemvlies aan elkaar verbonden (roeivoeten: fig. 101, in 't midden).
Tot de zwemvogels behooren o. a. de familie der eendachtigen, die der meeuwen, der duikers en der roeipootigen.
De eendachtigen hebben gewone zwemvoeten; hun snavel is aan den rand met horenachtige dwarsplaatjes bezet (fig. 102), waardoor de spijzen (ten deele dierlijk voedsel, ten deele wortels en groene plantendeelen) eenigszins kunnen worden verbrijzeld. De eendachtigen vliegen vrij goed.--Hiertoe behooren zwanen, ganzen, eenden. De wilde ganzen komen hier in den herfst en den winter, en vreten gras, wintergraan- en winterkoolzaadplanten; ook aardappelen, wortelen, koolrapen en knollen, wanneer deze bij hare komst nog op 't land te vinden zijn. Ook vernielen zij de te velde staande wintergewassen, doordat zij ze plat treden.--De wilde eenden worden eveneens schadelijk.--Tamme ganzen en tamme eenden worden in vele rassen aangefokt.
De meeuwachtigen (fig. 104) hebben gewone zwemvoeten en tamelijk lange pooten, die voor waden geschikt zijn. Lange, spitse vleugels; zijdelings samengedrukte snavel.--Deze vogels broeden in grootere of kleinere troepen aan de kust (zilvermeeuw, mantelmeeuw, stern, zeezwaluw), enkele soorten aan de oevers van meren, plassen en rivieren (kapmeeuw). Zij voeden zich met visschen, wormen, schelpdieren, enz.; sommige met muizen en insekten.
Duikers hebben korte vleugels; hunne pooten zijn zeer ver naar achteren geplaatst; sommige soorten (fuut, fig. 101, rechts) hebben gelobde zwemvoeten.
Roeipootigen hebben roeipooten (fig. 101, midden in). (schollevaar.)
KLASSE III. KRUIPENDE DIEREN OF REPTIELEN.
De dieren, die tot deze klasse behooren, zijn koudbloedig, ten gevolge van de vermenging van het slagaderlijke bloed der linker harthelft met het aderlijke bloed der rechter harthelft. (Vgl. bl. 40). Terwijl zij in dit opzicht met de volgende klasse (die der Amphibiën) overeenstemmen, verschillen zij ervan o. a. doordat zij niet als dezen eene naakte huid hebben, maar met schubben of schilden bedekt zijn.--Zij doorloopen ook geene gedaanteverwisseling, zooals de Amphibiën doen. Het reptielenei is ongeveer als het vogelei gebouwd; echter is de schaal niet zoo hard en broos, maar meer buigzaam, doordat er geen kalk in is afgezet. Het ei wordt òf door de zonnewarmte, òf door de in mest of rottende bladeren zich ontwikkelende warmte uitgebroed. Ook zijn er Kruipende dieren, die hunne eieren in 't lichaam houden tot het oogenblik dat de jongen worden geboren (adder).
Tot de Reptielen brengt men de volgende orden: krokodillen, schildpadden, hagedissen, slangen. Tot de eerste twee orden behooren geene inlandsche vertegenwoordigers.
Hagedissen hebben voor 't meerendeel 4 pooten; zij hebben oogleden en uitwendige gehooropeningen; zij bezitten een borstbeen en alleen aan de voorste rompwervels ribben. Zij kunnen hunnen bek niet zoo wijd openen als de slangen.--Inlandsch zijn eenige soorten van hagedissen (fig. 105) en de pootlooze hazelworm (fig. 106).
Slangen (fig. 107, 108) hebben geen pooten, geen oogleden noch uitwendige gehooropeningen, geen borstbeen, ribben aan alle wervels; zij kunnen door eene bijzondere inrichting den muil zeer wijd openen en aldus veel grooter dieren als spijs opnemen dan men zou verwachten.--Inlandsch zijn: 1º. de niet vergiftige ringslang (blauwachtig grijs met zwart en wit gevlekten buik; een zwarte en een witte band om den hals), die op 't land en in 't water leeft, 2º. de evenmin vergiftige gladde slang (bruin met zwarte vlekken), 3º. de giftige adder (fig. 108). Deze laatste heeft een' breeden, aan 't vooreinde stompen kop,--een lichaam, dat bij den staart plotseling smaller wordt,--eene groengrijze of bruinachtige kleur, en over den rug een' zwarten zigzagband of eene reeks van zwarte ruitvormige vlekken. Lengte 1/2 M. De beide haakvormige giftanden zitten vóór in de bovenkaak; bij het openen van den muil veranderen zij van stand en komen loodrecht op de bovenkaak te staan. Zij zijn doorboord door een kanaal, dat van de gifklier komt, zoodat het vergif onmiddellijk in de beide door de tandjes gemaakte wonden geraakt. De beet van de adder is gevaarlijk en kan doodelijk zijn. Het vergif werkt echter alleen nadeelig, wanneer het in het bloed wordt uitgestort; niet wanneer het in den darm komt.--Ofschoon de adder nut doet door 't verslinden van vele veldmuizen, moet zij wegens het gevaar, dat zij voor den mensch oplevert, zooveel mogelijk worden uitgeroeid.
KLASSE IV. AMPHIBIËN.
De Amphibiën zijn koudbloedig, en wel om dezelfde reden als de Kruipende dieren (bl. 41). Huid naakt, vochtig, veelal slijmig; door haar heen neemt het bloed zuurstof uit de lucht op, en, hoewel er ook andere ademhalingsorganen aanwezig zijn, treedt dus ook de huid mee in dienst van de ademhaling.--De Amphibiën doorloopen eene gedaanteverwisseling; d. i. reeds vóór de jongen den vorm hebben aangenomen, dien de volwassen dieren hebben, verlaten zij het ei, nemen zelven hun voedsel op en leiden aldus een zelfstandig leven. Als voorbeeld wil ik hier de gedaanteverwisseling van den bruinen of landkikvorsch bespreken (fig. 109). Het ei bestaat uit eene donkere massa, zoo groot ongeveer als een bakerspeldeknop, omgeven door een' dunnen wand. Maar zoodra de eieren in 't water komen, neemt hun wand eene groote hoeveelheid water op en neemt daarbij een' veel grooteren omvang aan (a); zoodat de door éénen kikvorsch gelegde eieren met elkander eene massa "kikkerdril" vormen, dubbel zoo groot als de kikvorsch zelf. De donker gekleurde inhoud van 't ei, aanvankelijk rolrond, wordt langwerpig (b); en weldra ontstaat daaruit een larfje, dat zich door den eiwand heenwerkt en zich in 't water begeeft. Aan dit larfje (c), dat spoedig den vorm van een vischje krijgt (d), vindt men eenigszins vertakte huiduitstulpingen, door welke heen zich een stroom begeeft van bloed, hetwelk uit het omgevende water zuurstof opneemt. De bedoelde huiduitstulpingen noemt men kieuwen; en daar zij niet, als bij de visschen, alleen door eene kieuwspleet met de omgeving in verbinding staan, maar uitwendig gezeten zijn, noemt men ze uitwendige kieuwen. Weldra vormt zich een huidzoom (d), die vooral den staart omgeeft, zoodat een ware "roeistaart" wordt gevormd. Intusschen ontstaan inwendige kieuwen, terwijl de uitwendige verdwijnen. Dan zijn de larfjes ("donderpadjes") geheel vischvormig. Spoedig ontstaan ook de ledematen; eerst de achtersten (e), een' heelen tijd later de voorsten (f). Terwijl nu de longen gevormd worden, vernauwen zich de kieuwspleten, die zich later geheel sluiten;--de staart wordt kleiner, terwijl kop en romp snel in omvang toenemen. Weldra verlaat nu ook het dier, dat reeds geheel op een' kleinen kikvorsch gelijkt, het water (g), en spoedig verdwijnt nu de staart geheel en al (h).--In hoofdzaken komt de gedaanteverwisseling (metamorphose) van alle Amphibiën met die van den kikvorsch overeen.--De dieren dezer klasse begeven zich, met weinige uitzonderingen, in 't voorjaar in 't water om zich voort te planten; hoewel zij in de overige deelen des jaars op 't land leven, vindt men ze toch zonder uitzondering slechts op vochtige plaatsen.
Tot deze klasse behooren de volgende inlandsche soorten: de bruine of landkikvorsch (fig. 109, A), de groene of waterkikvorsch (B), de boomkikvorsch, de padden, ook de land- en watersalamanders.--Kikvorschen en padden bezitten in den volwassen toestand geen' staart, en vrij lange pooten; de salamanders hebben in den volwassen toestand wèl een' staart en betrekkelijk korte pooten. De salamanders (fig. 110) zijn eenigszins hagedisvormig, maar verschillen van de hagedissen doordat zij niet met schubben bedekt zijn.--Kikvorschen en padden eten vele insekten en slakken; zij vangen hunne prooi door het plotseling uitwerpen van hunne slijmige tong (fig. 109, A), waaraan het dier, dat zij willen vangen, vastkleeft; zij trekken daarna de tong weer in en slaan die in den mond om. Zij doen als insektenverdelgers zeer veel nut. Daarom is het zeer te bejammeren, dat bij ons te lande niet wordt tegengegaan de kikvorschmoord op groote schaal, die soms vooral in het Zuiden van Nederland wordt uitgeoefend door personen, die kikkerbilletjes aan de Parijsche restaurants willen leveren.--Padden, die zich onder 't loof der aardbezieplanten ophouden, worden vaak met een wantrouwend oog aangezien; terwijl toch de pad geene stukken van de aardbeien afvreet, maar juist de slakken verdelgt, die dit doen.
KLASSE V. VISSCHEN.
Visschen zijn koudbloedige dieren, die hun geheele leven lang door kieuwen ademen. Het hart bestaat uit slechts ééne kamer en ééne voorkamer (zie blz. 37, 38). De kop sluit zich onmiddellijk aan den romp aan, zoodat een hals ontbreekt (fig. 111). De visschen bewegen zich hoofdzakelijk met den staart, aan welks uiteinde de staartvin geplaatst is. Met de rugvin (-vinnen) en de achter de aarsopening gezeten aarsvin ligt deze laatste in het middenvlak van den visch, terwijl de aan den schedel bevestigde borstvinnen zoowel als de buikvinnen "parige" lichaamsaanhangselen zijn, die zich min of meer met het twee paar ledematen der overige Gewervelde dieren laten vergelijken.--Het skelet der meeste visschen (snoek, baars, karper, paling, schol) bestaat uit been; bij eenige vischsoorten (haai, rog) is het kraakbeenig.--De huid is bij verreweg de meeste visschen met schubben bedekt.
HOOFDAFDEELING II. GELEDE DIEREN.
Het lichaam der Gelede dieren is tweezijdig symmetrisch, en bestaat uit een bij de verschillende soorten zeer ongelijk aantal achter elkaar gelegen leden (fig. 112). Wel zijn deze leden oorspronkelijk alle aan elkaar gelijk; maar gedurende de ontwikkeling van het dier treden de onderscheiden leden in dienst van verschillende verrichtingen, en zoo ontstaat er soms een zeer groot onderscheid. (Vergel. bijv. de in fig. 113, 1 afgebeelde sluipwesp met den vorm, dien dit dier in zijn eerste jeugd heeft: 2). Dikwijls vergroeien verschillende leden met elkander, en dan vertoont het lichaam eene indeeling in enkele lichaamsafdeelingen (insekten); of zelfs alle leden versmelten tot één geheel (mijten). In 't laatstbedoelde geval kan men nog slechts aan de gelede pooten zien, dat men met een Geleed dier te doen heeft. Wel behooren ook tot de wormen (3e Hoofdafdeeling van het Dierenrijk) dieren, welke uit leden bestaan (bijv. de regenworm); maar deze wormen hebben òf geene òf slechts kleine, ongelede pootjes; nooit gelede pooten, zooals de Gelede dieren bezitten. Slechts in hunne eerste jeugd kunnen de insekten pootloos zijn (fig. 113, 2) of ongelede lichaamsaanhangselen hebben (de achterste pooten van eene rups: fig. 114).--De kop der Gelede dieren bezit verschillende op elkaar volgende paren kaken, die zich van links naar rechts en van rechts naar links, heen en weer, bewegen.--De lichaamsbekleeding bestaat bij de volwassen Gelede dieren uit eene huid met harde pantserstukken; slechts bij de eerste ontwikkelingstoestanden ("larven") is de huid van verschillende soorten meer zacht.--De Gelede dieren hebben geen inwendig skelet; de spieren zijn aan de uitwendige huid bevestigd.--De centrale deelen van het zenuwstelsel (bl. 19) liggen bij de Gelede dieren bijkans alle aan de buikzijde. In den kop ligt de "hersenknoop", dit is eene knoopvormige, boven den slokdarm gelegen zenuwmassa, van waaruit zenuwen naar de oogen en de sprieten zich begeven. Verder vindt men aan de buikzijde des diers de zoogenoemde "buikzenuwstreng", die beneden het darmkanaal zich uitstrekt en uit verschillende zenuwknoopen (fig. 115, z) bestaat, welke door zenuwdraden aan elkander verbonden zijn. Er is geene afzonderlijke lichaamsholte voor de centrale deelen van het zenuwstelsel. De ademhalingsorganen zijn bij eenige Gelede dieren (Schaaldieren, zooals kreeften en krabben) kieuwen; de Insekten en Duizendpooten ademen door luchtbuizen of tracheeën (zie beneden), en ook de Spinachtigen bezitten meer of minder gewijzigde luchtbuizen.--In hoofdzaken is de bouw van het luchtbuizenstelsel het volgende: aan iederen kant van het lichaam bevindt zich eene reeks luchtgaten (fig. 115, lb), door welke de lucht in de luchtbuizen wordt binnengevoerd. Deze laatsten vertakken zich herhaaldelijk, zoodat zij ten slotte zich in zeer fijne huisjes splitsen, welke de verschillende organen omspinnen. De lucht wordt aldus naar alle deelen des lichaams heengevoerd. In fig. 114 zijn de luchtgaten van eene rups, in fig. 113, 2 die van eene sluipwesplarve duidelijk zichtbaar.
Tot de Gelede dieren behooren vier klassen: die der Insekten, Duizendpooten, Spinachtigen en Schaaldieren.
KLASSE I. INSEKTEN OF GEKORVEN DIEREN.
Ademhaling door luchtbuizen (zie boven).--De leden zijn tot drie lichaamsafdeelingen vereenigd: kop, borststuk en achterlijf (fig. 116). Aan den kop, die de oogen, de voelhorens of sprieten en de kaken draagt, laten zich de verschillende leden, die hem samenstellen, niet meer onderscheiden. Het borststuk bestaat uit drie leden (fig. 116, B1, B2, B3), van welke het eerste ('t voorborststuk) een paar pooten, en het tweede ('t middenborststuk) zoowel als het derde ('t achterborststuk) een paar pooten en een paar vleugels draagt. Het achterlijf bestaat niet bij alle insekten uit een gelijk getal leden; er zijn aan dit lichaamsdeel geene pooten bevestigd.--De bovenvermelde drie lichaamsafdeelingen verrichten verschillende functiën: de kop dient vooral voor de gewaarwording en de spijsopneming, het borststuk voor de beweging; het achterlijf bevat hoofdzakelijk de organen voor voeding en voortplanting.
Bijkans alle insekten hebben in den volwassen toestand aan iederen kant des kops een "samengesteld" oog, d. i. een oog, 't welk uit een groot aantal (tot 10.000) kleine oogjes is samengesteld. Bovendien vindt men bij verschillende insekten nog enkele "enkelvoudige" oogen boven op den kop.--De sprieten bestaan uit leden; overigens zijn zij bij de onderscheiden insekten zeer ongelijk; zij dienen voor het tastgevoel.--De monddeelen bestaan uit drie paar kaken, van welke het eerste paar (de bovenkaken, fig. 117, Bov.k.) en het tweede paar (de onderkaken, O.k.) zich vrij naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen, terwijl de kaken van het derde paar aan elkaar tot een stuk vergroeid zijn, 't welk de "onderlip" (O.l)] heet. Eene voortzetting van de huidbekleeding des kops (de "bovenlip", Bl.) steekt meer of min als een afdak over de drie bovengenoemde paren kaken uit. Bij de insekten, welke vaste spijs opnemen en deze verscheuren of fijn kauwen, zijn de kaken kort en scherp; men noemt ze "bijtende monddeelen". Bij die, welke vloeibare spijs (bloed, plantensappen) opnemen, zijn zij zeer in de lengte gegroeid en tot likken, zuigen of steken ingericht (verlengde monddeelen).
De pooten der insekten (fig. 118) bestaan uit onderscheiden deelen, die grootendeels genoemd zijn naar de deelen van een' zoogdierpoot; toch is natuurlijk de overeenkomst tusschen de ledematen van insekten en zoogdieren niet dan geheel oppervlakkig. Men onderscheidt dan aan een' insektenpoot de volgende deelen: 1º. het gewoonlijk zeer korte heuplid, 2º. den insgelijks zeer korten dijring, 3º. de langwerpige dij, 4º. de aan haar uiteinde met bewegelijke stekeltjes bezette scheen, 5º. den uit 3 tot 5 leedjes bestaanden voet. Het laatste lid van den voet is van klauwen, soms van zuignapjes voorzien.--De vleugels (fig. 116) zijn eigenlijk huiduitbreidingen, welke uit twee lagen bestaan. Tusschen de bovenste en de onderste huidplaat van den vleugel bevinden zich luchtbuizen. In den eersten tijd, dat het insekt vleugels heeft (in den poptoestand), zijn deze inééngeplooid; maar door het inpersen van lucht in de luchtbuizen der vleugels zetten zich, bij het pas uit de pop gekomen insekt, de luchtbuizen en daarmee de vleugels uit, en dat wel in korten tijd. Daarna zet zich zeer spoedig eene vaste zelfstandigheid om de grootsten der luchtbuizen af; op deze wijze worden de laatsten tot "aderen" of "nerven", welke den vleugels stevigheid verleenen. Bij de kevers zijn de voorvleugels geheel en al hard en meer tot bescherming van de achtervleugels en van het teere achterlijf, dan tot vliegen geschikt. Bij vele insekten is één paar vleugels in den rusttoestand samengevouwen; dit kan met de voorvleugels (bijv. bij de wespen) of met de achtervleugels (bijv. met de kevers en sprinkhanen) 't geval zijn.
Het achterlijf draagt slechts bij de rupsen en bij enkele andere insekten in den nog onvolwassen toestand bewegingswerktuigen, welke echter niet geleed zijn; zij zijn dus ongelede "achterlijfspooten", in tegenstelling met de gelede "borstpooten" (fig. 114). Bij de volwassen insekten vindt men soms draadvormige (veenmol) of tangvormige (oorworm) aanhangselen aan het laatste lid van 't achterlijf; ook draagt het achterlijf eene legboor bij zulke insekten, welke hunne eieren in een bepaald voorwerp (den grond, hout, bladeren, andere dieren) leggen.--
De meeste insekten hebben een zeer sterk voortplantingsvermogen. Enkele soorten (vleeschvlieg, schapenluisvlieg) brengen levende jongen ter wereld, maar verreweg de meesten leggen eieren. Uit deze eieren komen in enkele gevallen dieren te voorschijn, die reeds volkomen op hunne ouders gelijken (luizen); verreweg de meeste insekten echter ontwikkelen zich met gedaanteverwisseling of metamorphose; d. i. zij treden reeds in hunnen allereersten ontwikkelingstoestand zelfstandig op en zorgen dan reeds zelven voor hun voedsel. Daardoor behoeft het ei niet (zooals bij de vogels en kruipende dieren) groote hoeveelheden voedende stoffen te bevatten; de eieren kunnen dus veel kleiner zijn, en er kunnen tegelijk meer van worden voortgebracht. De gedaanteverwisseling maakt dus dat de voortplanting sterker kan zijn dan anders mogelijk zou wezen. Het meerendeel der insekten, zwakke diersoorten als zij zijn en zeer gevoelig voor minder gunstige uitwendige invloeden, moet zich dan ook wel sterk voortplanten; deden zij dit niet, dan zouden zij spoedig uitsterven. Maar de sterke vermeerdering is dan ook weer, als de uitwendige omstandigheden eens bij uitzondering niet ongunstig zijn, oorzaak van dat verschijnen in massa's, 't welk bij vele insekten voorkomt (rupsen, sprinkhanen), en dat bij plantenetende soorten maar al te vaak groote schade aan onze gewassen berokkent.
Men onderscheidt twee soorten van gedaanteverwisseling: de volkomene en de onvolkomene. Volkomen noemt men haar als het insekt eenen poptoestand doorleeft, d. i. eenen toestand, waarin het geen voedsel opneemt en zich gewoonlijk weinig beweegt;--onvolkomen noemt men de metamorphose, wanneer zoodanige poptoestand niet wordt doorleefd, en het insekt dus alleen bij de verschillende vervellingen langzamerhand eenigszins van gedaante verandert.--Het woord "vervelling" dien ik hier nog nader te verklaren. De huidbekleeding der Gelede dieren bestaat uit harde stukken, die zich niet kunnen uitzetten. Aan het einde van eene bepaalde levensperiode worden de harde lagen der huid afgestroopt, en het insekt komt voor den dag met eene teere huid, die voor uitzetting vatbaar is en dus aan den groei geen hindernis in den weg legt. Langzamerhand wordt ook deze nieuwe huid weer harder.
Bij de insekten met onvolkomen gedaanteverwisseling verandert de vorm van het insekt bij iedere vervelling eenigszins, en wordt hij telkens meer aan dien van het volwassen insekt gelijk; bij de voorlaatste vervelling komen kleine "vleugelstompjes", of liever "vleugelscheeden" (fig. 133, in het water, links) te voorschijn, binnen welke de vleugels zelve in samengeplooiden toestand zich vormen. Ook de legboor van de vrouwelijke insekten komt eerst bij de vóórlaatste vervelling als volledig ontwikkeld orgaan te voorschijn. Reeds in de eerste levensperiode gelijkt het insekt, dat eene onvolledige gedaanteverwisseling doorleeft, betrekkelijk veel op het volwassen dier; veel meer dan bij die insekten 't geval is, welke eene volkomen gedaanteverwisseling doorloopen. (Zie fig. 122).