Beginselen der dierkunde

Chapter 6

Chapter 63,642 wordsPublic domain

De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het "gewei" vormen, alleen bij 't mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens--zoolang het hert in wasdom blijft toenemen--te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.--In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het groote edelhert en de kleine ree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.--Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijk door het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.--Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor het damhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.--

De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.

KLASSE II. VOGELS.

Vogels zijn warmbloedige Gewervelde dieren, die met veeren bedekt zijn, en die eieren leggen, welke zij door hunne lichaamswarmte tot verdere ontwikkeling brengen ("uitbroeden").

De vogels zijn voor de voortbeweging in de lucht ingericht. Dit blijkt vooreerst uit den bouw der voorste ledematen, welke tot vleugels vervormd zijn. Men onderscheidt aan zoo'n vleugel in 't algemeen dezelfde deelen als aan den arm van den mensch. Men zie fig. 70, waar vooreerst het opperarmbeen (H), de ellepijp en het spaakbeen zich duidelijk laten onderscheiden. Het spaakbeen (fig. 71, s) kan hier niet om de ellepijp (ep) draaien; en aan het laatstgenoemde been zijn de "kleine slagpennen" (fig. 71, II) van de vleugels bevestigd. De hand bestaat, behalve uit de kleine handwortelbeenderen (fig. 70, W), uit twee lange middelhandsbeenderen (m), waaraan twee vingers (Z, z) zijn bevestigd, en uit een kleiner middelhandsbeentje (t), waaraan al of niet een kleine beenige duim, maar in ieder geval een "duimvleugeltje" (fig. 71, d.vl) bevestigd is. De groote slagpennen (fig. 71, I) zijn aan de groote middelhandsbeenderen (fig. 71, mh) en de vingers (v) vastgehecht. Zoo vormen beenderen en slagpennen te zamen een' vleugel, die bij zijne beweging door de lucht veel weerstand kan ontmoeten, tengevolge waarvan de terugdruk van de lucht den vogel in de gewenschte richting voortbeweegt.

De vogel moet bij 't vliegen niet slechts maken dat hij vooruit komt; maar hij moet bovenal maken dat hij niet daalt, hetgeen zonder de bewegingen der vleugels, tengevolge van de zwaartekracht het geval zou zijn. Daarvoor zouden de vleugels naar beneden moeten worden geslagen, evenals voor de voorwaartsche beweging een achterwaartsche slag noodig is. De vleugelslag wordt dus gewoonlijk naar achteren en tegelijk naar beneden gericht; ja, als de vogel eenmaal eene zekere snelheid in de voorwaartsche richting heeft verkregen, dan richten de slagen zich bijkans geheel naar beneden, daar de voorwaartsche snelheid tengevolge van den geringen weerstand der lucht niet spoedig wordt uitgeput.

Het is voor een' vogel een groot voordeel, dat zijn soortelijk gewicht gering is, m. a. w. dat hij bij een' betrekkelijk grooten omvang een betrekkelijk gering gewicht heeft. Een gering soortelijk gewicht nu wordt verkregen vooreerst door de dikke laag veeren, die den omvang van een' vogel betrekkelijk groot maakt, terwijl toch veeren licht zijn. Ten tweede zijn de beenderen van den vogel bijkans alle hol, en niet--zooals de inwendig holle beenderen der zoogdieren--met merg, maar met lucht gevuld. Ten derde bevinden zich overal in 't lichaam, tusschen de verschillende organen, dunwandige blaasjes, die met lucht kunnen worden gevuld en aldus worden opgeblazen. Daardoor wordt de omvang van den vogel, wanneer hij wil gaan vliegen, vergroot, terwijl het gewicht niet van belang toeneemt. De vulling der luchtzakken grijpt op de volgende wijze plaats: de lucht komt door de luchtpijp in de longen, vandaar in de aangrenzende luchtzakken, die weer met verdere luchtzakken, ook met holten in de beenderen, samenhangen.

Ook is het voor 't vliegen van 't hoogste belang, dat het groote borstbeen (fig. 70, S) van een' zeer sterk vooruitstekenden kam voorzien is; daaraan hechten zich de vliegspieren vast, die te dik zijn om aan een plat borstbeen (als bij de zoogdieren) bevestigd te wezen. Ook geeft de kam op het borstbeen aan den geheelen vóórkant van 't lichaam des vogels den vorm van een' kiel, die gemakkelijk de lucht doorsnijdt.

De romp van den vogel is zeer stijf, hetgeen van nut is om gedurende de vlucht het evenwicht in de lucht te bewaren. Deze stijfheid van den romp is 't gevolg 1º. hiervan, dat de lendenwervels en de heiligbeenwervels tot één onbewegelijk stuk (het lendenheiligbeen; zie fig. 72) vereenigd zijn, waaraan weer de zeer lange heupbeenderen stijf vastgegroeid zijn, 2º. van de omstandigheid, dat het ruggedeelte van elke rib een uitsteeksel draagt, 't welk over dat van de volgende rib heen ligt (fig. 70); daardoor is beweging der ribben slechts in ééne richting mogelijk.

Deze stijfheid van den romp zou den vogels erg hinderlijk zijn o.a. bij het opnemen van voedsel, ware het niet dat de hals, tengevolge van het groote getal halswervels, zeer bewegelijk was. Dat getal bedraagt minstens 12, het kan (bij de zwanen) zelfs 22 zijn.

De achterste (benedenste) ledematen gelijken veel meer dan de voorste (bovenste) op die der zoogdieren. (Vgl. fig. 70). 't Dijbeen is in den romp verborgen; het kuitbeen is klein en soms met het scheenbeen vergroeid. Bij den jongen vogel, lang vóór hij uit het ei geboren wordt, kan men--evenals bij de zoogdieren--twee rijen voetwortelbeenderen, en verder middelvoetsbeenderen en teenen onderscheiden. Maar reeds gedurende de ontwikkeling van het jong binnen het ei, vergroeit de eerste rij voetwortelbeenderen met het ondereinde van het scheenbeen, terwijl de tweede rij met de middelvoetsbeenderen tot één beenstuk (het zoogenoemde "loopbeen") vergroeit, 't welk evenals de teenen met horenplaatjes bekleed is.--Het aantal teenen bedraagt hoogstens vier; de naar achteren gerichte teen echter kan zeer klein zijn en ook geheel ontbreken. De Afrikaansche struisvogel heeft slechts twee teenen. De achterste teen der vogels bestaat uit twee kootjes, de volgende uit drie, de derde uit vier, de vierde uit vijf. Toch is dikwijls de derde teen de langste.

De vogels hebben geen tanden. Hun boven- en onderkaak zijn met eene horenlaag bedekt, die aan den rand tandvormige uitsteekseltjes kan hebben. De met eene horenlaag bekleede kaken vormen te zamen den "snavel".

Het darmkanaal is kort; dit kan dan ook het geval zijn want de vogels eten òf dierlijke spijs òf zaden; slechts bij uitzondering gebruiken zij spijzen, die slechts weinig voedende stof bevatten (groene kruiden). Aan den slokdarm vindt men een zakvormig aanhangsel, den "krop", waarin de vertering reeds begint; hierin ook bergen de vogels het voedsel, dat zij voor hunne jongen bijééngaren. De maag bestaat uit twee afdeelingen: eene kliermaag en eene spier- of kauwmaag. De eerste bevat in haren wand kliertjes, die een verterend vocht afscheiden; de laatste heeft zeer dikke spierwanden en eene bekleeding met eene sterk geribde horenlaag. Door het tegen elkaar drukken en langs elkaar wrijven der wanden worden graankorrels, enz. verbrijzeld. De steentjes, die de vogels inslikken, en die nooit in de spiermaag gemist worden, ondersteunen de werking van dit orgaan. De vogels hebben twee blinde darmen.--De endeldarm eindigt in eene verwijding, de "cloaca" (= riool) genoemd, waarin ook de uitvoerbuizen der nieren alsmede die der voortplantingsorganen uitmonden.

Het ei van een' vogel bestaat vooreerst uit eene verschillend gekleurde kalkschaal (fig. 73, e), waarin zeer fijne openingen zijn, door welke de lucht kan binnendringen, die het jong voor zijne ademhaling noodig heeft. Tegen de schaal ligt aan de binnenzijde een vlies, terwijl het eiwit ook door een vlies is omgeven. Deze beide vliezen (d) liggen tegen elkaar aan en vormen a. h. w. één vlies, het schaalvlies; op ééne plaats echter wijken zij van elkaar en vormen aldus de luchtkamer (f). Deze kan zich aan verschillende zijden van het ei bevinden, alnaar de positie, waarin het ei ligt. In het eiwit (b, b') vindt men twee inééngedraaide strengen (c, c'), welke de binnenzijde van het schaalvlies verbinden met het dunne vliesje, dat den dooier omgeeft. Deze laatste vertoont aan zijne oppervlakte een wit vlekje, de zoogen. "kiemschijf" (h), die de aanleg van den jongen vogel is. Van deze kiemschijf breidt zich naar binnen in den dooier eene witte massa uit, die aan haar uiteinde tot een bolvormig lichaampje opzwelt. Deze slijmige witte massa, die bij 't koken van het ei niet gemakkelijk stolt, wordt de witte dooier genoemd, terwijl het overige van den dooier, 't welk geel of roodachtig van kleur is, de gele dooier (a) heet.

Niet alle deelen van het ei worden in hetzelfde orgaan van den vogel gevormd. In de buikholte vindt men den eierstok, waar de dooiers ontstaan, die men daarin dan ook, bijv. bij eene leggende kip, in grooten getale kan aantreffen, en wel van de grootte van een' speldeknop af tot die van een' volwassen dooier toe. Van den eierstok loopt in vele bochten en windingen eene buis naar de cloaca, die men den eileider noemt. Terwijl nu de dooier, steeds om zijne as draaiend, zich door dezen eileider voortbeweegt, scheidt de wand van dit laatstgenoemde orgaan het eiwit eromheen af; dicht bij de cloaca heeft de eileider eene verwijding, waar zich schaalvlies en kalkschaal vormen.

Zal een vogelei tot verdere ontwikkeling geraken, m. a. w. zal zich uit de kiemschijf een jonge vogel vormen, dan is noodig dat het ei een' tijd lang aan eene temperatuur van ongeveer 40° C. wordt blootgesteld. Men kan deze temperatuur kunstmatig verschaffen, door de eieren in zoogenoemde "broedmachines" te leggen; maar in den natuurstaat wordt de noodzakelijke verhoogde temperatuur gegeven door het lichaam van den ouden vogel, die zijne borst en zijnen buik tegen de eieren drukt. In den tijd van het "broeden" grijpt eene sterkere bloedstrooming dan gewoonlijk naar de huid van deze lichaamsdeelen of naar bepaalde plekken ervan plaats, waardoor de bedoelde lichaamsdeelen warmer worden. Bij sommige vogelsoorten broedt alleen het wijfje (kip), bij de struisvogels alleen het mannetje; bij vele vogelsoorten wisselen mannetje en wijfje elkander in 't broeden af. De broedtijd, die noodig is om de eieren tot geheele ontwikkeling te brengen, zóó dat de jonge vogel te voorschijn komt, is bij onderscheiden vogelsoorten niet gelijk, bijv. bij den kanarievogel 13 dagen, bij de kip 3 weken. Enkele vogels zijn er (onder de inlandsche soorten alleen de koekoek), die hunne eieren in het nest van andere vogelsoorten leggen, en die het uitbroeden zoowel als de zorg voor de jongen aan dezen overlaten. Zulke vogels leggen hunne eieren met groote tusschenpoozen; zij leggen elk ei in een afzonderlijk nest.

Er zijn vogelsoorten, welker jongen, zoodra ze uit het ei te voorschijn komen, bevederd zijn, de oogen open hebben en zelven hun voedsel opnemen (eenden, kippen); andere, welker jongen bij de geboorte kaal zijn en blind, en een' tijd lang door de ouden worden gevoed (musch, spreeuw, valk, duif).

In 't algemeen maken de vogels een nest, waarin ze hunne eieren leggen en uitbroeden. Bij sommige soorten (meeuw, kievit) wordt slechts eene kleine uitholling in het zand of in den grond gemaakt en worden de omgevende planten eenigszins uit elkaar gebogen. Andere broeden in den grond in reeds voorhanden gaten (bergeend, in verlaten konijnenholen) of in door henzelven vervaardigde gaten (oeverzwaluw). Weer anderen maken nesten uit stukjes klei, die zij met speeksel aan elkaar hechten (boerenzwaluw, huiszwaluw); ook zijn er, die het nest hoofdzakelijk van takjes maken, maar daartusschen voor de stevigheid klei brengen (lijster, ekster). Vele vogels maken hunne nesten uitsluitend uit plantendeelen, 't zij uit grootere takken (houtduif), of uit kleinere twijgjes en bladeren (rietzanger, leeuwrik), soms hoofdzakelijk uit mos (vink). Ook de vorm der vogelnesten is al naar de vogelsoort zeer verschillend.

Gelijk men weet, noemt men de gezamenlijke in een land voorkomende diersoorten de fauna van dit land, zooals men de gezamenlijke plantensoorten zijne flora noemt. Nu is het bij de zoogdieren gemakkelijk te zeggen, welke soorten tot onze fauna behooren, welke niet; bij dieren echter, die zich zoo snel en over zoo groote afstanden bewegen als de vogels, gaat dit niet altijd zoo gemakkelijk. Het kan voorkomen, dat soorten, die eigenlijk in geheel andere streken thuis behooren, door stormen naar ons land worden gedreven. Wij noemen dan zulke soorten dwaalgasten van ons land (roséspreeuw uit Azië).--Maar ook de vogels, welke niet a. h. w. toevallig hier komen, blijven nog niet juist gedurende 't geheele jaar in ons land. Die soorten, welke winter en zomer blijven in de nabijheid van de plaats, waar zij geboren en getogen zijn, noemt men standvogels (huismusch, ringmusch, geelgors). Andere soorten blijven weliswaar ook winter en zomer in deze streken, maar zwerven in den winter over grootere uitgestrektheden rond, om hun voedsel te zoeken. Men noemt ze zwerfvogels (meezen, spechten, boomkruipers). Zij trekken niet op vaste tijden van de eene streek naar de andere, ook niet in bepaalde richtingen: hun zwerven wordt bloot bepaald door 't gebrek aan voedsel in zekere streek. Is dus ergens een' heelen winter lang voedsel genoeg, dan gedraagt zich een zwerfvogel als standvogel. Op hunne tochten naar eene andere streek voegen zich dikwijls verschillende soorten van zwerfvogels tot grootere groepen bij elkaar.--Niet aldus doen de trekvogels. Deze onderscheiden zich van de zwerfvogels doordat zij op gezette tijden en langs bepaalde wegen wegtrekken, in hoofdzaak in de richting N. Z. en Z. N. Voorbeelden zijn de ooievaars en zwaluwen, die, elk najaar ongeveer op den zelfden tijd, bijkans op denzelfden datum, naar Zuidelijker streken trekken, om in 't voorjaar, insgelijks op een' tamelijk vaststaanden tijd, weer terug te keeren naar het land, waar zij nestelen. Zonder twijfel is het trekken voor deze vogels eene nuttige eigenschap; immers zij zouden hier te lande in den winter het voedsel niet kunnen vinden, 't welk zij noodig hebben. Maar terwijl de zwerfvogels eerst wegtrekken als er gebrek aan voedsel ontstaan is, verhuizen de trekvogels gewoonlijk reeds van te voren; en zij komen soms terug op een' tijd, waarin het voedsel nog zeer schaars is. Behoefte aan spijs is dus niet de rechtstreeksche drijfveer van het trekken. Ook trekvogels, die in kooien worden gehouden, vertoonen in de eerste jaren van hunne gevangenschap, tegen den tijd, waarop hunne soortgenooten vertrekken, de grootste onrust, en dat niettegenstaande de warmtegraad der omgeving naar hunnen zin is en zij aan voedsel geen gebrek hebben.--Zwaluwen en ooievaar zijn voorbeelden van trekvogels, die hier te lande broeden; men noemt hen broedgasten. Andere trekvogels, die hier den winter doorbrengen en in andere streken broeden, noemt men wintergasten (koperwieklijster, bonte kraai). Ook zijn er trekvogels, die ten Noorden van ons land broeden en ten Zuiden daarvan den winter doorbrengen; deze noemt men doortrekkers. De trekvogels houden zich onderweg natuurlijk hier en daar op om te rusten en om voedsel op te nemen. Zoo slaan alle trekvogels, die zich uit Europa naar Afrika begeven, vóór zij de Middellandsche Zee oversteken, in 't Zuiden van Spanje, van Italië of 't Balkanschiereiland, of op een der Grieksche eilanden neer. Van de kraanvogels, die in Noordelijk Europa broeden en in Noordelijk Afrika overwinteren, slaan soms kleinere of grootere troepen op onze Geldersche of Brabantsche heiden neer, waar zij zich intusschen soms niet langer dan een' dag ophouden. Andere trekvogels, die uit 't Noorden komen, blijven in 't najaar eenige weken lang in onze streken, zwerven er soms rond en gaan eerst tegen den winter naar 't Zuiden (houtsnip; sommige lijsters en leeuwriken).

Van de ongeveer 240 vogelsoorten, die tot onze fauna behooren, zijn dus sommigen standvogels, anderen zwerfvogels, weer anderen trekvogels; en deze laatsten verdeelt men in broedgasten, doortrekkers en wintergasten. De dwaalgasten rekenen wij niet tot onze fauna.--

Tusschen de verschillende vogels bestaan op verre na niet zoo belangrijke, ingrijpende verschillen als tusschen de onderscheiden zoogdieren. Men onderscheidt gewoonlijk de volgende orden: 1. Roofvogels, 2. Klimvogels, 3. Zangvogels, 4. Duiven, 5. Hoendervogels, 6. Waadvogels, 7. Zwemvogels, 8 Struisvogelachtigen. De inlandsche vogels behooren tot de eerste 7 orden.

Orde Roofvogels.

Krachtige snavel met haakvormig omgebogen bovenkaak, aan den wortel met eene huid ("washuid") bedekt. Krachtige pooten met groote, kromme klauwen. Flink ontwikkelde vleugels. Gezicht zeer scherp. De roofvogels nestelen op boomen, gebouwen of rotsen; 't nest bestaat uit takjes en twijgen; de voortplanting is niet sterk. Zij leven in paren.--Men onderscheidt Dagroofvogels en Nachtroofvogels of Uilen. De laatsten slapen over dag, en gaan tegen den avond op roof uit. Met de nachtelijke leefwijze staan in verband zoowel de groote oogen als het zachte gevederte, waardoor de vleugelslag geen geruisch maakt. De kop is van voren plat; om de oogen zijn kleine veertjes straalsgewijs geplaatst. De bevedering der pooten zet zich tot op de teenen voort.--De Dagroofvogels hebben een' zijdelings samengedrukten kop, minder groote oogen, steviger veeren.

Tot de Dagroofvogels behooren o.a. de koningsarend, de sperwer, de havik, de valken, de buizerden;--gieren komen in ons land niet voor.--Tot de Nachtroofvogels behooren o.a. de kerkuil, de steenuil, de ooruil.--Torenvalk, gewone buizerd en alle inlandsche uilen zijn zeer nuttig door 't dooden van veldmuizen en andere kleine knaagdieren. Vele andere roofvogels, zooals sperwer, havik en slechtvalk, zijn schadelijk door het dooden van insektenetende zangvogeltjes, van pluimgedierte, enz.

Orde Klimvogels.

Twee teenen naar voren en twee naar achteren gericht. Overigens zeer verschillend. Koekoek, spechten, papegaaien behooren er toe; de laatsten alleen in de tropen.

De koekoek is nuttig als verdelger van vele rupsen, hoewel hij het aantal kleinere insektenetende vogels eenigszins vermindert; want van een broedsel, waarbij een koekoeksei is gelegd, komt niets terecht.

Orde Zangvogels.

Drie teenen naar voren, één naar achteren. Men voegt eigenlijk in deze orde bijéén alle vogels, die niet best in eene der andere orden kunnen worden opgenomen. De naam "zangvogels" is in letterlijken zin volstrekt niet op allen toepasselijk. (kraaien!)

Men onderscheidt naar den vorm van den snavel:

dunsnaveligen: boomkruiper (fig. 81), boomklever, hop (fig. 82);

tandsnaveligen: met eene omgebogen punt aan den snavel; hiertoe behooren de klauwieren (klapekster, fig. 83);

diksnaveligen, die èn plantaardig en dierlijk voedsel gebruiken; hiertoe behooren: raaf, zwarte kraai, bonte kraai, roek (fig. 84), torenkauw, ekster, Vlaamsche gaai,--spreeuw (fig. 86);

priemsnaveligen: lijsters, wielewaal,--kwikstaarten,--nachtegaal, roodborstje, roodstaartje, hofzangers (fig. 85), rietzangers, grasmusschen,--winterkoninkje (fig. 87),--goudhaantjes (fig. 89);

kegelsnaveligen: meezen (fig. 91, 92);--leeuweriken (fig. 88);-- musschen (fig. 90), vink, putter, kneu;

spleetsnaveligen: zwaluwachtigen (o.a. huis-, boeren-, en oeverzwaluw; gierzwaluw, geitenmelker of nachtzwaluw; fig. 93, 94).

Vele Zangvogels doen als verdelgers van schadelijke insekten, slakken, enz. groot nut.

Boomkruiper en boomklever reinigen in den winter de stammen der boomen van insektenpoppen en insekteneieren; meezen, goudhaantjes en winterkoninkjes zoeken overwinterende insekten en insekteneieren van twijgen en knoppen af.--Natuurlijk doen de insektenetende vogels, welke hier alleen des zomers zijn, minder nut dan die, welke ook des winters hier overblijven. Toch moeten vooral de nachtegaal, het roodborstje, het roodstaartje, de hofzangers, de kwikstaarten en piepers als hoogst nuttig worden beschouwd. Ook de onderscheiden lijstersoorten, van welke de merel hier den winter overblijft, doen veel nut. De spreeuw, die in den winter slechts voor zeer korten tijd wegtrekt, moge soms door 't rooven van kersen, aalbessen, druiven en zachte peren zeer aanmerkelijke schade veroorzaken,--het nut dat deze vogel teweegbrengt, is veel grooter. In scharen van honderden trekken de spreeuwen, vooral in den nazomer en het najaar, de velden af en reinigen ze van slakken, rupsen en bladluizen, enz.--Van de verschillende soorten van kraaien is de roek van de meeste beteekenis, omdat hij doorgaans in zoo groot aantal voorkomt. De kraaien eten weliswaar veel engerlingen (meikeverlarven), emelten, aardrupsen, enz., die zij uit den grond halen, alsook veel rupsen en volwassen meikevers, die zij van de boomen zoeken; maar zij halen ook veel pas gekiemd zaad (graan, erwten, boonen) uit den grond en graankorrels uit de aren. Daardoor en door 't rooven van vele vogeleieren doen zij kwaad.--De musschen (huismusch en ringmusch) doen als insekteneters zeer zeker ook nut; maar dit wordt zonder twijfel overtroffen door het kwaad, dat zij op onze graanvelden aanrichten.

Orde Duiven.

Krachtige, eenigszins gedrongen lichaamsbouw. Vleugels lang en spits. Snavel aan de basis met een vliesje bedekt; kraakbeenschubben over de neusgaten (fig. 95). Drie teenen naar voren, ééne naar achteren; de teenen niet (als bij de hoendervogels) door een vliesje verbonden.--De duiven leven in paren en bouwen kunstlooze nesten van twijgen. Zij voeden zich en ook hunne jongen uitsluitend met plantaardige spijs. Zij worden dikwijls schadelijk door 't eten van graankorrels, erwten, wikken, koolzaad- en boekweitkorrels, enz. Toch doen zij ook nut door 't eten van de zaden van herik, krodde en andere onkruiden.

In ons land komen in 't wild voor: de houtduif of ringduif en de tortel.

De rotsduif, die als standvogel in de landen rondom de Middellandsche Zee, als trekvogel op de rotsachtige kusten van Schotland, de Faroër enz., nestelt, is de stammoeder van onze huisduifrassen. De in ons land veelvuldig voorkomende zoogenoemde "wilde" duiven zijn eigenlijk verwilderde huisduiven. Zij broeden op torens en aan andere groote gebouwen, in ruïnes, enz.

Orde Hoendervogels.

Een stevig, gedrongen lichaam. Kop klein, bij vele soorten met kale, verschillend gekleurde plekken, met vleezige kammen of lellen, of met eene kuif van veeren. Het vooreinde van den bovensnavel grijpt over den ondersnavel heen.--Vleugels kort, afgerond; vlucht dientengevolge eenigszins zwaar.--Pooten stevig. Achterteen gewoonlijk hooger dan de voorteenen aan het loopbeen ingeplant, en kleiner dan deze. Voorteenen aan hare basis door een kort vliesje verbonden. De mannetjes van vele soorten hebben aan het loopbeen eene spoor.--De hoendervogels houden zich gewoonlijk op den grond op, waar zij hun voedsel zoeken, dat uit zaden, bessen, groene plantendeelen, insekten, wormen en slakken bestaat.

Tot deze orde behooren de volgende huisvogels:

de onderscheiden rassen van kippen, misschien van verschillende stamvormen afkomstig, die men echter in ieder geval in Voor- en Achter-Indië en in Neerl. Indië moet zoeken;

de kalkoen, uit Amerika afkomstig;

het parelhoen of de "poule pintade", uit Afrika;

de pauw, uit Midden-Azië.