Chapter 5
Men verwarre de waterrat (fig. 54) niet met de bruine rat (fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens "waterrat" wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels, aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1 1/2 dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men "vreetwolf" of "aardwolf" noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.
De veldmuis (fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in 't midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert, is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in 't midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.
Familie der eekhorens.
De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Het gewone eekhorentje (roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. 't Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)
Orde Eenhoevigen.
Deze orde bevat slechts ééne familie: die der paardachtigen, tot welke paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel, enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen hoef (bl. 12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van "pijp" geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes, die men "griffelbeentjes" noemt (fig. 30), en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels).
De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een' planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.
De snijtanden hebben een' heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand onderscheidt zich van een' menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan onbeperkt is (zie bl. 49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt; 2o. doordat het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt, zich ook over 't glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat, uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten, dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in 't midden eene opening, omgeven door 1o. een' ring cement, 2o. een' ring glazuur, 3o. het tandbeen, 4o. een' ring glazuur en 5o. een' ring cement. De holte is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld, welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen.
Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt, kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.
De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wij geven den paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.
Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet bekend. Men ziet dikwijls den tarpan, die in groote troepen de Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als een wild dan wel als een verwilderd paard moet worden beschouwd. Verwilderde paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland, in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa's ("Cimmarones" en "Mustangs").--Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden: Oostersche of edele en Westersche of zware. Tot de eerstgenoemden behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche, het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner, het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn; dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs (Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.
De ezel is een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier; hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet, zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de Middellandsche Zee.--De jongen van paard en ezel noemt men muildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie (hit) is,--muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in, maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.
Orde Dikhuidigen of Veelhoevigen.
Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan één' hoef aan iederen poot, welke niet herkauwen. De huid is doorgaans dik; het gebit is, al naar 't voedsel, verschillend.--Men rekent er toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten, welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.
De varkenachtigen hebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen (vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven (fig. 29) en slechts bij zware varkens op een' weeken grond den bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie kootjes.--Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.--De varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch; de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts (fig. 58, 59).
Voorheen kwam in ons geheele land het wilde zwijn voor; thans is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar daar de lagere landen over 't geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen, peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,--ook insekten, wormen, slakken, vogeleieren.
Het tamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemde grootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar voren hangende ooren,--aan een' grooten, smallen kop,--aan bijzonder lange pooten,--aan een' zeer naar boven gekromden rug ("karperrug"), aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een' kam vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest; dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens 1 1/2 M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.
In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorige Chineesche zwijn, dat korte pootjes en een' breeden rug heeft, weinig haren of borstels draagt, en niet meer dan 1/3 of zelfs maar 1/4 van het lichaamsgewicht van 't grootoorige varken bereikt, maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.--In Engeland heeft men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in 't algemeen grooter zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire, enz.) zijn in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen.
Orde Herkauwers of Tweehoevigen.
Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven ("klauwen"), die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig, die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen, waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien (fig. 28).
Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl. 45), zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij 't kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen (bl. 46).
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden, en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.
Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd, maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats, de pens (fig. 60, A) genoemd, waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheid van veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank) in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam "herkauwers".
De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de "samengestelde maag" te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende: de pens (fig. 60, A), de muts of netmaag (B), de boekpens of boekmaag (C) en de lebmaag (D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de "enkelvoudige" maag van de andere dieren overeen. De slokdarm heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de muts in de onmiddellijke nabijheid ligt; intusschen zet hij zich in de zoogenoemde "slokdarmspleet" (fig. 62, ab) naar de derde maagafdeeling, de boekpens of boekmaag, voort. De lebmaag is de laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60, 3) aansluit.--De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in de pens ziet). Het slijmvlies, 't welk de pens van binnen bekleedt, is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d') is bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte, bladvormige, grootere of kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61, f; fig. 62, III).--De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h; fig. 62, V).
Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen, welke bij 't kauwen tot eene soort van pap worden, gaan--althans voor een groot gedeelte--dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens, daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling).--Dranken, die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij 't kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd.--In de pens blijven de spijzen verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden, drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.
Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen, dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens zou dus een "kauwmaag" kunnen heeten.--
Het vierde gedeelte ongeveer van 't leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel dat eene koe per dag van 24 uren 12 1/2 Kilogram hooi opneemt: een rantsoen, dat--als niets anders wordt gegeven--zeker niet te hoog kan worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi, terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt. 12 1/2 Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund tot 5 × 12 1/2 = 62 1/2 Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft de spijsmassa een' tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram, moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel; maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voor de volledige verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7-2/9 uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd, dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om 't hooi, dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.--Eet het rund gras, dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.
Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij 't kauwen en bij 't herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt, niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan 't herkauwen gaan; en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een' zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen.--
Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes, de familie der holhoornigen en die der hertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.
Familie der holhoornigen.
Horens komen in 't algemeen in beide geslachten voor, en wel bij alle wilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, 't zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.--Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eene horenscheede, welke de beenpit omgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in 't voorhoofdsbeen heet de voorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij de geboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldra ontstaat aan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan 't voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.
Runderen hebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus ("neusspiegel") is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.--De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.
In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14e eeuw) het oerrund of de urus geleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeer verschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor 't geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.--Buffels zijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).--Bisons hebben een' hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in 't wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.
Schapen hebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richting van voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in 't midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.--Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. den moeflon (op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van de tamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.--Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of minder sterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend "vlies", dat bij 't scheren één geheel blijft.
Geiten (fig. 68) hebben ook een' behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.--Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. de steenbok (Alpen, Pyrenaeën) en verder de tamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. De Kaschmirgeit (Kaschmir en Thibet) en de Angorageit (Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren ("wol").
Familie der hertachtigen.