Beginselen der dierkunde

Chapter 4

Chapter 43,668 wordsPublic domain

Men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats, waar zij in de kaken gezeten zijn, bij hetzelfde Zoogdier drie soorten van tanden, nl. de snijtanden, de hoektanden en de maaltanden of kiezen. De snijtanden dienen in 't algemeen om het voedsel af te bijten; zij hebben eene scherpe kroonvlakte. De snijtanden der bovenkaak zijn in het tusschenkaaksbeen (fig. 33, 36) ingeplant; die der onderkaak staan daar tegenover in het onderkaaksbeen. De hoektanden (fig. 36, h) zijn aan hunne kroonvlakte puntig; zij zijn dan ook vooral groot bij dieren, die zich met andere dieren voeden, en dienen om der prooi stukken vleesch uit het lichaam te scheuren. Groote hoektanden vindt men bijv. bij leeuw, kat, wezel; terwijl de planteneters kleine of in 't geheel geene hoektanden hebben (fig. 33: paard; rund; konijn). De hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen, dáár waar dit aan het tusschenkaaksbeen grenst.--Op de hoektanden volgen de kiezen, die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken te verdeelen, dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen inwerken. (Vgl. bl. 24). Bij de vleescheters is het voldoende dat de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt; bij de planteneters echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden voorbereid. De plantaardige spijs toch kan (om redenen, welke later zullen worden uitééngezet) alleen dàn goed worden verteerd, als zij geheel fijngemalen is. De planteneters bewegen hunne onderkaak niet op en neer, maar van de rechterzijde naar de linker en omgekeerd. Zoo worden dus bij 't kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven, terwijl tusschen deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden. Daar het glazuur harder is dan het tandbeen, slijt het laatste meer af, en de kroonvlakten der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger uitstekende lijsten van glazuur; daardoor worden de kiezen voor het fijnmalen van spijzen steeds geschikter. (Denkt aan molensteenen!)

De snijtanden en hoektanden, welke de jonge dieren bij de geboorte hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen, worden na verloop van zekeren tijd door andere tanden vervangen. Men drukt dit uit door te zeggen: de snijtanden en hoektanden "wisselen". Die, welke 't eerst verschijnen, heeten melktanden; de later komende noemt men blijvende tanden. Van de kiezen wisselen degene, welke 't naast aan de hoektanden grenzen; de verder verwijderde wisselen niet. De eerst bedoelde noemt men "valsche", de laatstbedoelde "ware kiezen" (fig. 36).

Het aantal tanden van verschillende soort is bij de onderscheiden zoogdiersoorten op verre na niet gelijk. Men drukt dit aantal uit door eene zoogenoemde "tandformule", waarin men doorgaans slechts de helft van het aantal tanden opschrijft, beginnende met de middenste snijtanden. Men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve getal tanden in de bovenkaak, er onder het halve getal tanden in de onderkaak.

2 + 1 + 5 Tandformule van den mensch --------- 2 + 1 + 5

0 + 0 + 6 het rund --------- 4 + 0 + 6

3 +(1)+ 6 het paard --------- 3 +(1)+ 6

3 + 1 + 6 den hond --------- 3 + 1 + 7

Door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt, dat dit dier in de bovenkaak geene, in de onderkaak 8 snijtanden heeft, in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit, en aan elken kant in iedere kaak 6 kiezen. Door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden van het paard (zie boven) wordt aangeduid, dat deze kunnen voorkomen (bij den hengst is dit het geval), maar dat zij ook kunnen ontbreken.

Bij de meeste Zoogdieren hebben de tanden een' beperkten groei, d. i. zij zijn op een' bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals ze waren, tot zij uitvallen. Bij sommige diersoorten echter komen tanden voor, die geregeld doorgaan met groeien; zoo is het gesteld met de snijtanden van konijnen, ratten en paarden, ook met de zoogenoemde "slagtanden" van olifanten en walrussen, en met de hoektanden der varkens. In vele gevallen (konijnen, ratten, paarden) echter is de slijtage aan de kroonvlakte zoo groot, dat niettegenstaande hunnen voortdurenden groei, de tanden niet grooter worden. Waar geen slijtage van de tanden tegen elkander is (walrus, olifant, varken), daar nemen deze steeds in lengte toe.--

Men onderscheidt de klasse der Zoogdieren in de volgende orden, welke hier echter niet alle nader worden behandeld: 1. Menschen, 2. Apen, 3. Roofdieren, 4. Insekteneters, 5. Vleermuizen, 6. Knaagdieren, 7. Eenhoevigen, 8. Dikhuidigen of Veelhoevigen, 9. Herkauwers of Tweehoevigen, 10. Walvisschen, 11. Tandelooze dieren, 12. Buideldieren, 13. Vogelbekdieren.

Orde 1, 2, 10, 11, 12 en 13 blijven hier buiten bespreking.

Orde Roofdieren.

In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De valsche kiezen (bl. 47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde "scheurkies") zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen van den mensch (fig. 38, knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk te knippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren, welke voor 't verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht (kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor 't stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij 't geledingsgewricht der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een kenmerk van de 't best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier.

De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien scherp.

Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. die der landroofdieren, 2o. die der zeeroofdieren. Tot de laatsten, welke ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot de eersten o. a. de familiën der katachtigen, der hondachtigen, der marterachtigen, der beren.

Familie der katachtigen.

Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in 't geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl. 12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een' elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.--De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij 't klimmen en bij 't springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in 't schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.

Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook de huiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levende wilde kat, maar van de in Nubië en Soedan levende Nubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.

Familie der hondachtigen.

Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl. 51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.

Tot de hondachtigen behooren o. a. de hond, de wolf (die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en de vos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een' langeren, zwaarder behaarden staart.

Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o. huishonden (herdershond, keeshond), 2o. zijdehonden (zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o. taksen of dashonden, 4o. jachthonden (staande honden, parforcehonden), 5o. bullebijters (mops, bulhond, doggen), 6o. windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.

De vos is met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur. In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons 't meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.

Familie der marterachtigen.

Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.

De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan 't achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.

Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levende boommarter en de in schuren nestelende steenmarter of het fluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.--Meer komen hier voor de bunsing, de groote wezel of het hermelijn en de kleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn' stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde van den staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.

Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ook opaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit--als hij niet gestoord wordt--geheel leeg moordt.

De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.

De otter heeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.--De plompe, dikke das komt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.

Orde Insekteneters.

Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden, zijn de insekteneters in 't algemeen klein van stuk. Die soorten, welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet) zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond. De neus is tot een' snuit verlengd (fig. 44), en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol, spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt, dat het heeft aangegrepen. (Het gebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).--De ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool (bl. 12).

Inlandsche vertegenwoordigers zijn: spitsmuizen, mol, egel.

Spitsmuizen of molmuizen (fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten, welke in den grond leven.

De mol (fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol gaat in den morgen, op den middag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, 't welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk; maar in 't algemeen kan men zeggen, dat hij meer nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een' of anderen grooten "molshoop". Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met "jagen" doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men een' doolhof van gangen (f, g, h), die de vijanden, welke den mol in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een' dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang (b) naar den tunnel (a), een' langeren of korteren gang, die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen "jachtveld" leidt. De wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard; maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijne prooi te vangen, storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte, en doet aldus "molleritten" ontstaan. In den winter, als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn, graaft de mol insgelijks dieper.

Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.

De egel (fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen; hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een' bal inéénrolt, waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een' winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.

Orde Vleermuizen.

Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet in den grond leven, hebben zij geen' snuit. Het 't meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige, voor vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich op haar tastgevoel, 't welk, behalve in het vliegvlies, ook in de groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen, in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.

Orde Knaagdieren.

In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen. Bij 't knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is, valt duidelijk in 't oog, wanneer door de eene of andere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen, bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde "olifantstanden" (Zie fig. 51).

De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl. 45, 46); bij die, welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen, eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.

Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.

De dieren dezer orde hebben voor 't meerendeel een sterk voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.

Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën: haasachtigen, muisachtigen, woelmuisachtigen, eekhorens.

Familie der haasachtigen.

Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.--Geplooide kiezen.--Ooren lang, lepelvormig.--Bovenlip gespleten.--Snorharen.--Twee inlandsche soorten: haas (fig. 41) en konijn.

De haas is grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.--De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen en klei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open "leger".--De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een' akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in 't oog dan die van 't konijn.

Het wilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.--Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.--Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor 't graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. 't Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).--De schade valt meer in 't oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.--De tamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.

Familie der muisachtigen.

De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in 't algemeen een' slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een' meer spitsen kop, een' langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een' zeer korten staart heeft).--De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).

In ons land komen voor: de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,--de dwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,--ten slotte de boschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op 't veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.

De kortstaartige hamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigronden van Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.

Familie der woelmuizen.

Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl. 63. Inlandsche soorten zijn de waterrat en de veldmuis.