Chapter 3
Verschillende orden, die onderling tamelijk veel gelijkenis vertoonen, brengt men tot ééne klasse. Roofdieren, Herkauwende dieren, Knaagdieren zijn verschillende orden van de klasse der Zoogdieren. Roofvogels, Duiven, Hoenderachtigen, enz. zijn verschillende orden van de klasse der Vogels.
Vogels en Zoogdieren beiden hebben een inwendig skelet, waarvan de wervelkolom de as is, aan welke de andere deelen bevestigd zijn; ook in andere opzichten blijkt, dat deze twee klassen a. h. w. naar het zelfde plan zijn gebouwd; en men brengt hen daarom tot dezelfde hoofdafdeeling, nl. die der Gewervelde dieren; terwijl de slak tot de hoofdafdeeling der Weekdieren, de duizendpoot tot die der Gelede dieren wordt gebracht.
Men verdeelt dus het Dierenrijk in Hoofdafdeelingen, deze in Klassen, die men weer in Orden indeelt; terwijl de orden weer uit Familiën, deze uit Geslachten en de geslachten uit Soorten zijn samengesteld.
Dieren van dezelfde soort, welke door meer of minder standvastige kenmerken van elkander onderscheiden zijn, brengt men tot verschillende Rassen. Verschil in de streek, waar de dieren eener soort zich ophouden, is oorzaak van 't ontstaan van zoogenoemde "geographische rassen" (poolvos en onze inlandsche vos); verschil in de wijze, waarop de mensch op hen inwerkt, doet bij de huisdieren "kultuurrassen" ontstaan. (Nederlandsch vee en Durhamvee).
Verscheiden diersoorten zijn algemeen bekend, althans wat haar uiterlijk aangaat; zulke soorten hebben eene Nederlandsche benaming. Andere, vooral kleine diersoorten en uitheemsche, hebben zoodanige benaming niet; want het volk kent ze niet. Men zou dus voor al zulke diersoorten eenen nieuwen Nederlandschen naam moeten bedenken. Maar nu heeft de Zweedsche natuuronderzoeker Linné het gebruik ingevoerd, aan iedere diersoort en aan iedere plantensoort eene Latijnsche (eene zoogenoemde wetenschappelijke) benaming te geven. Daardoor kunnen de dier- en plantkundigen uit de verschillende streken der wereld elkander verstaan, zonder dat zij gedwongen zijn, de namen aan te leeren in alle talen, waarin over dier- en plantkunde wordt geschreven.
Bovendien hebben de namen van Linné nog dit voordeel, dat zij tevens aanduiden, of twee wezens al dan niet tot één geslacht behooren. Evenals ieder mensch minstens twee namen draagt: een' vóórnaam en een' familienaam, zoo krijgt ook iedere diersoort twee namen. De eerste is de geslachtsnaam; dezen hebben alle dieren van hetzelfde geslacht met elkander gemeen; de tweede is de soortnaam, die alleen aan de dieren van dezelfde soort toekomt. Dikwijls duidt deze laatste naam een in 't oog vallend kenmerk van de diersoort aan. Een voorbeeld. Haas en konijn brengt men in 't zelfde geslacht: Lepus. Nu is de Latijnsche naam van den haas: Lepus timidus (timidus = vreesachtig); die van 't konijn: Lepus cuniculus (cuniculus = konijn).
De Nederlandsche benamingen van dieren en planten kunnen aanleiding tot verwarring of tot grooten last geven. Zeer verschillende diersoorten toch worden soms met den zelfden naam aangeduid, of althans met zoodanige namen, dat men, op den naam afgaande, zou meenen, dat zij tot hetzelfde geslacht moesten worden gerekend. De hazelworm is eene soort van hagedisachtig dier; de zijdeworm is een onvolwassen vlinder; de "grauwe worm" (of emelt) een onvolwassen langpootmug; de regenworm, de spoelworm, de lintworm behooren tot verschillende groepen van de hoofdafdeeling der Wormen.
Wat men in de eene streek "glazenmakers" noemt, noemt men in eene andere streek "korenbouten", elders weer "donderbolken", "puistenbijters", "wrattenbijters", enz. De nachtzwaluw heet "geitenmelker", "schapenmelker", "vliegende pad", "vliegende kikvorsch", "nachtratel", enz. Het is moeielijk, om van de dier- en plantensoorten alle plaatselijke en provinciale namen te kennen. Om zoo nauwkeurig mogelijk aan te geven, welke dier- of plantensoort men bij eene bespreking bedoelt, vermeldt men naast de Nederlandsche benaming ook den wetenschappelijken naam.
III. OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE GROEPEN VAN HET DIERENRIJK.
Men verdeelt het Dierenrijk gewoonlijk in zeven hoofdafdeelingen, nl. I. Gewervelde dieren, II. Gelede dieren, III. Wormen, IV. Weekdieren, V. Stekelhuidigen, VI. Holtedieren of Coelenteraten, VII. Protozoën.
HOOFDAFDEELING I. GEWERVELDE DIEREN.
Het lichaam van een Gewerveld dier is tweezijdig symmetrisch, d. i. het kan door één vlak in twee deelen worden verdeeld, die elkaars spiegelbeeld zijn, dus uitwendig elkander volkomen gelijken, met dien verstande, dat wat bij de eene helft aan den linkerkant gelegen is, bij de andere helft aan de rechterzijde ligt, enz. (Er zijn dieren, waar het lichaam door meer vlakken in twee helften kan worden verdeeld, welke elkaars spiegelbeeld zijn. Dit is o.a. het geval bij de zeester, fig. 18. Bij zulke dieren vindt men een zeker aantal, hier 5, gelijke deelen straalsgewijs rondom een middelpunt gegroepeerd. Men spreekt dan van straalsgewijze symmetrie). Bij zeer jonge Gewervelde dieren, meer nog bij dieren, welke nog bezig zijn, zich binnen 't ei te ontwikkelen, vindt men tweezijdige symmetrie in alle deelen des lichaams, uitwendige en inwendige. De uitwendige vorm van het lichaam blijft altijd tweezijdig symmetrisch, met uitzondering slechts van de platvisschen (schol, fig. 19); de inwendige organen hebben bij het volwassen dier hunne symmetrische ligging min of meer verloren.
In 't lichaam van een Gewerveld dier bevindt zich als as eene uit wervels bestaande wervelkolom, welke de ruggemergsholte omsluit (fig. 1). Evenals de ruggemergsholte in het skelet van den kop tot eene schedelholte zich verwijdt, zoo gaat ook het in de ruggemergsholte beslotene ruggemerg binnen de schedelholte in de hersenen over. Behalve de lichaamsholte aan de rugzijde, welke de centrale deelen van het zenuwstelsel omsluit, is er nog aan de buikzijde eene lichaamsholte aanwezig, welke bij de zoogdieren door het middenrif in tweeën is gedeeld, nl. in de borst- en de buikholte (fig. 1, 2). In deze lichaamsholte aan de buikzijde zijn in hoofdzaken gelegen de organen van de ademhaling, den bloedsomloop, de vertering en de uitscheiding. (Bij alle andere hoofdafdeelingen van het dierenrijk zijn de centrale deelen van het zenuwstelsel in dezelfde lichaamsholte gelegen als de zooeven genoemde organen).
Met de wervelkolom zijn verschillende beenderen verbonden, die voor de vasthechting van spieren dienen. Deze beenderen vormen te zamen het skelet; het bezit van zoo'n skelet of geraamte behoort tot de 't meest in het oog vallende kenmerken van een Gewerveld dier. De dieren van deze hoofdafdeeling hebben nooit meer dan vier ledematen; sommige (bijv. walvisschen) hebben er twee, andere (slangen) in 't geheel geene.
Hun bloed is rood, terwijl dat van de vertegenwoordigers der meeste andere diergroepen kleurloos is.
Ik moet nog nader spreken over de wijze, waarop de bloedsomloop bij de onderscheiden Gewervelde dieren plaatsgrijpt. Bij geen enkele diersoort uit deze groep is het hart van zoo eenvoudigen bouw als fig. 20 aangeeft. Aan eene zoodanige inrichting van het hart zouden dan ook groote bezwaren verbonden zijn. Een hoofdbezwaar zou wel dit zijn, dat op het oogenblik, waarop het bloed het hart verlaat, geen nieuw bloed in dit orgaan kan worden opgenomen, omdat het samengetrokken is; daardoor moet de bloedstroom in de aderen stilstaan. Bij alle Gewervelde dieren nu is dit bezwaar dáárdoor weggenomen, dat op de plaats, waar de ader in het hart uitmondt, zich eene opzwelling, eene uitzetting van deze ader bevindt, waarin het bloed zich kan ophoopen, zoolang de samentrekking van het hart duurt (fig. 21). Wanneer--'t geen bij vele dieren het geval is--het bloed uit het lichaam door twee of meer aders naar 't hart terugkeert, dan hebben deze aders gezamenlijk ééne opzwelling. De wand van deze opzwelling is van spieren voorzien; dit is nuttig, om het daarin bevatte bloed snel naar het eigenlijke hart te vervoeren, toch kunnen blijkbaar dunne spieren hier voldoende zijn; terwijl de wand van het eigenlijke hart, van waaruit het bloed door 't geheele lichaam geperst wordt, veel dikker moet zijn. Daar de hier bedoelde opzwelling, evenals het eigenlijke hart, in 't bezit is van spierwanden, beschouwt men haar als een deel van het hart; men noemt haar de voorkamer of den boezem van het hart, terwijl het eigenlijke hart den naam van de kamer krijgt. Het is duidelijk dat er eene tamelijk wijde opening tusschen boezem en kamer moet zijn (fig. 21), opdat al het bloed dadelijk na de ontspanning der kamerwanden uit den boezem in de kamer kunne treden; want alleen op deze wijze kan eene geregelde bloedstrooming zonder oponthoud plaatsvinden. Maar als er eene wijde opening tusschen boezem en kamer bestaat, dan is een enkele klep niet geschikt om gedurende de samentrekking der kamerwanden het bloed te verhinderen, in den boezem te geraken; zoo'n klep zou zeer groot moeten zijn en dan 1o. te ver in de kamer op slaan, 2o. veel kans hebben, zich te buigen, en aldus geene volledige afsluiting te vormen. Daarom zijn er op de grens tusschen boezem en kamer twee of drie kleppen aanwezig, welke--om het te ver doorslaan te voorkomen--door een aantal peesachtige draadjes aan den wand der kamer bevestigd zijn (fig. 21). Opdat het bloed, 't welk in de slagader geperst is, niet gedurende de ontspanning van de wanden der kamer in deze laatste terugkeere, vindt men kleppen ook op de plaats, waar de slagader uit het hart te voorschijn treedt (fig. 22).
Bij de visschen vindt men een hart, dat in alle hoofdzaken met het bovenbeschrevene overeenstemt, waar echter de boezem vóór en boven de kamer ligt (fig. 22). De bloedsomloop van de visschen echter wordt door het in fig. 22 afgebeelde schema niet juist weergegeven. Bij zijne beweging door 't lichaam heeft het bloed een groot deel van zijne zuurstof verloren (vgl. bl. 26); het moet dus, als het in 't hart is teruggekeerd, eerst weer nieuwe zuurstof opnemen, vóór het geschikt is, den tocht door 't lichaam op nieuw te aanvaarden. Dit nu geschiedt bij de visschen op deze wijze, dat het uit de kamer uittredende zuurstofarme bloed eerst door de kieuwen stroomt. (Vgl fig. 23. waar men in plaats van longslagader en longhaarvaten leze: kieuwslagader en kieuwhaarvaten). Deze kieuwen bestaan uit een groot aantal kleine, dunwandige huiduitstulpingen, die in regelmatige reeksen aan bepaalde beenstukken van het kopskelet (de "kieuwbogen") vastzitten. Het zuurstofarme bloed, dat uit de hartkamer uittreedt en door verschillende slagadervertakkingen de kieuwplaatjes bereikt, neemt, terwijl het de haarvaten dezer kieuwplaatjes doorstroomt, nieuwe zuurstof op uit het zuurstofhoudende water, 't welk zich voortdurend rondom de kieuwplaatjes beweegt. Er wordt voortdurend een stroom van versch water door den mond opgenomen, en rechts en links door de "kieuwspleten" weer naar buiten gelaten. Zal een visch blijven leven, dan is het noodig, dat het water, waarin deze zich ophoudt, zuurstof bevat; in uitgekookt (zuurstofloos) water sterft de visch.
Het bloed is, nadat het in de kieuwen nieuwe zuurstof heeft opgenomen, opnieuw voor de voortbeweging door 't lichaam geschikt geworden; uit de haarvaten der kieuwen stroomt het in grootere vaten, welke zich telkens tot weer grootere vaten vereenigen, totdat eindelijk een enkel vat ontstaat, dat het nu weer zuurstofrijke bloed naar alle: deelen van het lichaam voert.
Bij de hier beschreven inrichting moet het hart het bloed door twee verschillende stelsels van haarvaten voortbewegen, nl. door dat van de kieuwen en door dat van het lichaam (fig. 23). Dit gaat echter niet zoo gemakkelijk, wijl het bloed in de fijne haarvaten veel weerstand ondervindt. Het bloed verliest dus in het eerste haarvatennet (dat der kieuwen) een goed deel van zijne snelheid; de bloedstrooming door 't lichaam grijpt dus zeer langzaam plaats. En aangezien het bloed de zuurstof bevat, die de verschillende lichaamsdeelen noodig hebben, wordt bij de visschen in een' bepaalden tijd slechts weinig zuurstof door de lichaamsdeelen heen gevoerd; er grijpt dus in de verschillende lichaamsdeelen slechts weinig oxydatie plaats, dus er wordt weinig warmte in het lichaam van een' visch ontwikkeld, en deze is slechts tot geringe arbeidsproductie in staat.
Eene snellere beweging van het bloed wordt bij de overige Gewervelde dieren daardoor mogelijk gemaakt, dat bij hen in de bloedbaan tusschen het haarvatennet in de ademhalingsorganen (hier: longen, fig. 25, lo) en dat in het lichaam (li) een tweede hart is geplaatst, en wel een, dat in alle opzichten aan het bovenbeschrevene in bouw gelijk is. Het eerste hart, 't welk met het vischhart te vergelijken is (het gestreepte in fig. 25), neemt (door Ha) het zuurstofarme bloed op, 't welk uit de verschillende deelen des lichaams terugkeert, en perst het door de haarvaten der longen, waar het weer rijk wordt aan zuurstof. Uit de longen begeeft zich nu het bloed naar de voorkamer van het tweede hart (het wit gelatene); van daar wordt het naar de kamer van datzelfde hart, en van hier uit door eene slagader (Ao) naar de verschillende deelen des lichaams geperst; en nadat het, aldus zijne diensten gedaan heeft, keert het in den boezem van het eerste hart (B) terug. Zoo krijgt de bloedstroom, die in de haarvaten der longen zijne snelheid voor een goed deel had verloren, door de samentrekking van de wanden der kamer van het tweede hart, nieuwe snelheid terug. Eene snellere bloedstrooming heeft snellere oxydatie in 't lichaam tengevolge, dus meer warmteontwikkeling en meer arbeidsproductie.
De beide harten werken ieder voor zich; maar zij liggen naast elkander, en wel de beide boezems tegen elkaar en de beide kamers tegen elkaar. Ook zijn de wanden der beide boezems en die der beide kamers aan elkander vastgegroeid. Men spreekt daarom niet van twee harten, maar van één hart, dat uit twee helften bestaat; dit is ook juister. De rechter harthelft (fig. 25, B.K) is die, welke het zuurstofarme bloed, dat uit het lichaam is teruggekeerd, opneemt en het naar de longen perst; de linker harthelft (B'K') ontvangt het uit de longen terugstroomende, zuurstofrijk geworden bloed en perst het door 't lichaam. Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn, waarom men het hart van een' visch moet vergelijken met de rechter harthelft van den mensch.
Bij de zoogenoemde kruipende dieren (slangen, hagedissen) zijn de beide harthelften niet volkomen van elkander gescheiden; want in den wand tusschen de linker en de rechter kamer bevindt zich eene opening. Daardoor vermengt zich het zuurstofarme bloed der rechter harthelft met het zuurstofrijke bloed der linker harthelft; en deze vermenging grijpt in des te sterker mate plaats, naarmate de opening in den wand tusschen de beide kamers grooter is. Bij de kruipende dieren stroomt er dus bloed naar de longen, dat nog betrekkelijk veel zuurstof bevat; en door het lichaam stroomt bloed, dat op verrena niet zoo rijk is aan zuurstof als het bloed, 't welk bij de zoogdieren door het lichaam gaat. Dientengevolge is 1o. de ademhaling minder krachtig bij de kruipende dieren dan bij de zoogdieren, 2o. de oxydatie in de verschillende deelen des lichaams bij de eerstgenoemden zwakker dan bij de laatsgenoemden, en dus zijn ook de warmteontwikkeling en de arbeidsproduktie er minder sterk.
Bij de amphibiën (kikvorschen, salamanders) is de opening in den wand tusschen de beide hartkamers bijzonder groot; soms zijn van dien wand nog slechts kleine overschotten aanwezig, soms zelfs ontbreekt hij geheel. In nog sterkere mate dan bij de kruipende dieren moet dus bij de amphibiën vermenging van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed plaatsgrijpen.
Men is gewoon, de Gewervelde dieren te verdeelen in warmbloedige en koudbloedige. Onder warmbloedige dieren verstaat men dezulke, bij welke de lichaamstemperatuur standvastig ("constant") is, d. i. altijd ongeveer dezelfde blijft. Deze standvastige lichaamstemperatuur is bij de eene diersoort iets hooger dan bij de andere, bijv. bij de koe ongeveer 38° C., bij den mensch 37,5°. Of nu de temperatuur der omgeving rijst of daalt, dat heeft geen merkbaren invloed op de lichaamstemperatuur van het dier.--Onder koudbloedige dieren verstaat men dieren, welker lichaamstemperatuur in gewone omstandigheden gelijk is aan die van de omgeving. De zoogdieren en vogels zijn warmbloedig, de kruipende dieren, amphibiën en visschen zijn koudbloedige Gewervelde dieren. Alle dieren, welke niet tot de hoofdafdeeling der Gewervelden behooren, zijn koudbloedig.
Reeds boven werd erop gewezen, dat de bron (althans de hoofdbron) der dierlijke warmte gelegen is in de oxydatie, welke in alle doelen des lichaams plaatsgrijpt. Tegenover deze bron van warmte staan echter oorzaken van warmteverlies: 1o geleiding en uitstraling, waarbij de warmte zich aan andere lichamen meedeelt en deze in temperatuur doet stijgen, 2o verdamping, waarbij de warmte wordt gebruikt om water in waterdamp te veranderen. Dit laatste geschiedt in de longen en aan de oppervlakte van de huid. Wij ademen waterdamp uit en zonderen zweet af, dat verdampt. Hoe hooger nu de temperatuur van de omgeving wordt, des te meer zweet wordt er gevormd, des te meer water wordt er aan de huidoppervlakte in waterdamp veranderd, des te meer warmteverlies grijpt er plaats. Vandaar dat het stijgen van de temperatuur der omgeving geen' hoogeren warmtegraad van het lichaam eens zoogdiers of vogels teweeg brengt.
Bij de kruipende dieren en amphibiën is de warmteontwikkeling in 't lichaam geringer dan bij de zoogdieren en vogels ten gevolge van de vermenging van zuurstofarm en zuurstofrijk bloed (vgl. bl. 40); bij de visschen is zij geringer ten gevolge van de langzamere strooming van het bloed (bl. 38). Bij allen is de warmteontwikkeling zóó gering, dat het warmteverlies (door geleiding, uitstraling en verdamping) er gewoonlijk tegen opweegt. Vandaar dat de lichaamstemperatuur van de "koudbloedigen" gewoonlijk niet hooger is dan die van de omgeving. Maar neemt men de oorzaken van warmteverlies weg, dan stijgt de lichaamstemperatuur. Zoo bijv. wanneer men eene menigte levende visschen bij elkaar in een' zak pakt. Zoo zijn er enkele slangen, die haar lichaam rondom hare eieren tot een kluwen inéénrollen, en aldus door verkleining van het warmteuitstralingsoppervlak eene temperatuur voortbrengen, hoog genoeg om deze eieren uit te broeden. (N.B. hooge temperatuur in bijenkorven.)
Er zijn warmbloedige dieren, die onder den invloed van eene zeer koude omgeving, tot den rang van koudbloedigen afdalen. Dit zijn de zoogenaamde "winterslapers", zooals vleermuizen, egel, marmot. Deze hebben dan eene lichaamstemperatuur, gelijk aan die der omgeving; zij zijn gedurende den "winterslaap" zeer weinig gevoelig en hebben dan eene uiterst trage stofwisseling. Stijgt de temperatuur van de omgeving tot boven een bepaald minimum, dan leeft de winterslaper weer op, en zijne lichaamstemperatuur stijgt in weinig tijds van enkele graden boven 0° tot 35°-38° C.
Wij verdeelen de Hoofdafdeeling der Gewervelde Dieren in vijf klassen.
Warmbloedig zijn: Klasse I Zoogdieren, Klasse II Vogels; koudbloedig: Klasse III Kruipende dieren, Klasse IV Amphibiën, Klasse V Visschen.
KLASSE I. ZOOGDIEREN.
Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren, die gewoonlijk met haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen, welke zij na de geboorte een' tijd lang zoogen, tot welk doel de wijfjes aan den buik, aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren hebben, die melk afzonderen.
Wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der Zoogdieren nader ter sprake komen, dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen in Hoofdstuk I (bl. 1-29) over den bouw van het dierlijke lichaam is meegedeeld; want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de verdere Zoogdieren het oog gevestigd. Bepaaldelijk wat den bouw van het skelet betreft, zij naar bl. 5 verwezen. Slechts op enkele punten wil ik hier wijzen. De schedel is bij alle Zoogdieren naar evenredigheid veel kleiner dan bij den mensch; de aangezichtsbeenderen, met name de kaakbeenderen, echter zijn veel grooter. (Vgl. fig. 5 met fig. 33). Het aantal halswervels bedraagt bij de Zoogdieren zeven; van de andere soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden Zoogdieren een verschillend getal. Het aantal teenen (vingers) bedraagt aan elken poot hoogstens 5; het is echter bij vele Zoogdieren geringer. Zoo ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten van het varken; terwijl bij het neushoorndier drie, bij rund en schaap (fig. 28) slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling zijn gekomen, en het paard (fig. 30) aan ieder been slechts ééne teen heeft. Behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen bij sommige Zoogdieren nog zeer kleine teenen voor, die den grond niet raken; zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde nog twee kleine ("rudimentaire") teenen. Ook bij 't varken (fig. 29) zijn de twee voorste (middelste) teenen grooter dan de twee achterste (buitenste). Het aantal middelvoets-(middelhands)-beenderen is in 't algemeen gelijk aan het aantal teenen: aan ieder middelhandsbeen is één teen bevestigd. Toch zijn op dezen regel uitzonderingen: het paard heeft één stevig middelvoetsbeen ("pijp"), waaraan een teen vast zit, en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen ("griffelbeentjes", fig. 30), welke geene teenen dragen.--Bij het rund, het schaap en de geit zijn aan elken poot twee teenen, die natuurlijk ieder aan een middelvoetsbeen verbonden zijn; maar de beide middelvoetsbeenderen van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid (fig. 28).--Wat betreft de wijze, waarop de verschillende Zoogdieren hunne voeten op den grond neerzetten, kan ik verwijzen naar bl. 12.
De tanden zijn bij de Zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant, en wel in bepaalde uithollingen, welke men "tandkassen" noemt. Den bouw van eenen zoogdiertand kan men uit fig. 31 leeren kennen. Men onderscheidt aan zoo'n tand in de eerste plaats de zoogenoemde "tandholte" (p), welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa, die bloedvaten en zenuwen bevat. Deze holte wordt door het tandbeen (d) omgeven, eene harde stof, waaruit het grootste gedeelte van den tand bestaat. Het nog hardere email of glazuur (e) bedekt bij den mensch en bij vele andere Zoogdieren de geheele "tandkroon", d. i. dat gedeelte van den tand, hetwelk uit het tandvleesch te voorschijn komt. De "tandwortel", d. i. het gedeelte van den tand, dat in het kaakbeen is ingeplant, is met het zoogenoemde "cement" (c) aan den wand der tandkas vastgehecht. Sommige tanden hebben één' wortel, andere hebben er meer.
Alle tanden, van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met glazuur bedekt is, noemt men bedekte tanden; er zijn echter Zoogdieren, bij welke sommige der tanden (vooral de kiezen) aan hunne kroonvlakte voor een groot deel uit tandbeen bestaan, en waar slechts op bepaalde plaatsen (in den vorm van "plooien") glazuur over de oppervlakte verbreid is. Zulke "geplooide" kiezen vindt men alleen bij de plantenetende Zoogdieren; maar daarover nader (fig. 32).