Chapter 2
Uit hetgeen wij boven bespraken, volgt reeds dat de beenderen op zeer verschillende wijze aan elkander kunnen zijn bevestigd. Sommige beenderen zijn zoodanig aan elkaar vastgegroeid, dat zelfs geen naad meer te zien is; dit is bij den mensch met de beide voorhoofdsbeenderen het geval, ook met het bovenkaaks- en het tusschenkaaksbeen. Andere beenderen vertoonen op de plaats van aanééngroeiing eenen naad (de meeste schedelbeenderen van den mensch; tusschenkaaksbeen en bovenkaaksbeen van het paard.) Twee beenderen kunnen verder op zeer verschillende wijze bewegelijk met elkander verbonden zijn. Vooreerst kan zich tusschen de beide beenderen bevinden eene eenigszins veerkrachtige, rekbare massa, die slechts eene geringe beweging veroorlooft. Zoo zijn twee op elkaar volgende wervels door kraakbeen met elkander verbonden.--Zijn twee beenderen niet anders dan met een zeer rekbaar bandje aan elkander vastgehecht, dan is de onderlinge bewegelijkheid grooter; en dan spreekt men van een gewricht. Men onderscheidt scharniergewrichten en kogelgewrichten. Bij de eerstbedoelde wijze van verbinding kan het eene been zich ten opzichte van het andere tamelijk vrij bewegen, maar steeds slechts in één vlak, zooals het eene been van een' passer zich kan bewegen ten opzichte van het andere. Zóó is het opperarmbeen verbonden aan de beenderen van den benedenarm, en het dijbeen aan die van het benedenbeen.--Kan het ééne been ten opzichte van het andere in allerlei richtingen draaien, dan spreekt men van eene verbinding door middel van een kogelgewricht. Het eene been vertoont dan eene uitholling, die men de "pan" van 't gewricht noemt. Daarin kan zich de kegelvormige knobbel, waarin het tweede been eindigt, rondbewegen. Zóó is de verbinding van het dijbeen met de beenderen van den bekkengordel; zóó ook die van het opperarmbeen met het schouderblad.
Het beenvlies, dat elk stuk been als een dun vliesje bekleedt, verandert op de plaats, waar het ééne been met het andere verbonden is, in een' stevigen, niet zeer rekbaren band ("beursband"), die de beide beenderen bij elkaar houdt. De binnenste laag van dezen beursband scheidt eene vloeistof af, die de kraakbeenachtige binnenbekleeding van de gewrichtspan zoowel als die van de gewrichtsholte bedekt, aldus de beweging gemakkelijker maakt en afslijting voorkomt. Men kan dus zeggen, dat het gewricht wordt "gesmeerd".
De beenderen zijn gewoonlijk omgeven door vleesch. Dit laatste bestaat uit verschillende stukken, die door eene rekbare, taaie massa met elkander verbonden zijn. De verschillende stukken noemt men "spieren"; elke spier bestaat weer uit een zeer groot aantal draadvormige deelen, die men "spiervezels" noemt, en die alle in de lengterichting van de spier loopen. Een spiervezel heeft het vermogen zich samen te trekken, d. i. plotseling korter en tevens dikker te worden. Wanneer nu alle vezels van eene spier zich te gelijk samentrekken, dan wordt de geheele spier korter en dikker. Door haar vermogen, zich samen te trekken en te ontspannen, kan eene spier weer andere deelen in beweging brengen.
De meeste spieren zijn namenlijk met hare beide uiteinden aan lichaamsdeelen bevestigd, die zij door hare samentrekking in beweging brengen. Men onderscheidt huidspieren en skeletspieren, alnaarmate de spieren aan de huid (met het eene einde ook wel aan haren of veeren) of aan de beenderen zijn vastgehecht. De dikke spierlaag, waarvan de egel gebruik maakt, wanneer hij zich samenbalt, is eene sterk ontwikkelde huidspier. Zoo zijn het ook huidspieren, door welker samentrekking een vogel zijne veeren opricht. Er zijn vele dieren, zooals slakken, insekten en wormen, die, daar zij geene beenderen hebben, geene andere dan huidspieren bezitten.
Eene skeletspier is met hare beide uiteinden aan een been verbonden. Als nu zoo'n skeletspier zich samentrekt, dan wordt het meest bewegelijke been naar het minder bewegelijke toe bewogen. Wij willen de werking van eene skeletspier duidelijk maken, door eene bepaalde spier als voorbeeld te nemen. In fig. 12 zijn het opperarmbeen van den mensch en de benedenarm afgebeeld. Alle rondom den opperarm gelegen spieren zijn weggenomen op ééne spier na. Deze, in nevensgaande fig. A door 2 afgebeeld, is in haar midden het dikst en loopt aan hare uiteinden in dunne gedeelten uit, die bovendien anders van geaardheid zijn dan de eigenlijke spier. Men noemt deze dunne uiteinden, waarmee eene spier aan de beenderen bevestigd is, de pezen. (De spier 2 eindigt van boven in twee pezen, van beneden in ééne pees.) Terwijl nu de spier uit vele fijne vezels bestaat, die het eetbare "vleesch" vormen, zijn de pezen opgebouwd uit eene zeer taaie stof, die bij koking in lijm kan overgaan. Slechts het vleezige gedeelte van eene spier bezit het vermogen, zich samen te trekken, d. i. korter en tevens dikker te worden. (Vergelijk m' met m in B en met 2 in A.) Door deze samentrekking wordt het eene been met al wat daarmee in verbinding staat, naar het andere been toe bewogen; de beenderen van den benedenarm worden daarbij in het gewricht c (fig. 12 B) gedraaid. Dit gewricht is een scharniergewricht, zoodat de beenderen van den benedenarm naar die van den bovenarm toe worden bewogen als het eene been van een' passer naar het andere.--Er zijn spieren, die niet aan de huid of aan beenderen zijn bevestigd; dat zijn de zoogenoemde "holle spieren", die in zich zelven terugkeeren, en dus eene holte omsluiten. Eene zoodanige spier kan door hare samentrekking de binnen die holte aanwezige voorwerpen (vaste lichamen of vloeistoffen) voortbewegen. Zoo bewegen de holle spieren, die in den wand van den slokdarm aanwezig zijn, brokken spijs van de keelholte naar de maag; zoo zorgen de holle spieren van den hartwand voor de voortbeweging van het bloed.
De bewegingen, welke door spieren worden in 't leven geroepen, onderscheidt men in willekeurige en onwillekeurige bewegingen. Onwillekeurig noemt men ze, wanneer zij buiten den wil om tot stand komen, zooals de bewegingen der spierwanden van het hart, waardoor het bloed door 't lichaam wordt voortgestuwd. Willekeurig noemt men die bewegingen, welke onder den invloed van den wil geschieden.
Wil men aan eene spier het vermogen van zich samen te trekken ontnemen, dan is het juist niet noodig, dat men de spier zelve beleedigt. Iedere spier staat met eene zenuw in verbinding, die hare fijne vertakkingen zendt naar al de verschillende spiervezels, waaruit de spier bestaat. Snijdt men deze zenuw door, dan heeft de spier dadelijk het vermogen om zich samen te trekken verloren. De zenuw nu heeft haren oorsprong bij den mensch en bij vele andere dieren in de hersenen of het ruggemerg. Wij kunnen dus zeggen: de spier verliest het vermogen om zich samen te trekken, wanneer de verbinding tusschen haar zelve en het ruggemerg of de hersenen op de eene of andere plaats door doorsnijding van de zenuw wordt opgeheven. De oorzaak van de beweging der spier ligt dus in het ruggemerg of de hersenen. Er komt in de laatstgenoemde lichaamsdeelen eene verandering tot stand--van welken aard deze is, weten wij niet--, die zich door de zenuw naar de spier voortbeweegt en de samentrekking van deze laatste veroorzaakt. Wij kunnen ons van wat er in dezen plaatsgrijpt, de volgende voorstelling maken (fig. 13): in de hersenen of het ruggemerg wordt als 't ware last gegeven tot het volvoeren van eene beweging; die last wordt overgeseind door de zenuw heen en wordt daarna door de spier tot uitvoering gebracht. Hersenen of ruggemerg zijn dus a. h. w. het middelpunt (het centrum), waarvan het bevel tot beweging uitgaat; men noemt ze middelpuntsdeelen of centrale deelen van het zenuwstelsel. De zenuwen, welke van de centrale deelen naar de spieren loopen, heeten bewegingszenuwen.
Er bestaat echter nog eene andere soort van zenuwen, die men gewaarwordingszenuwen noemt. Deze ontspringen in de zintuigen (huid, tong, neus, oor, oog) en geleiden de indrukken, die zij door tusschenkomst van deze zintuigen uit de omgeving opnemen, naar de middelpuntsdeelen van het zenuwstelsel toe, waar zij tot bewustzijn komen.
Als er een voorwerp, waarvan licht uitstraalt, vóór ons oog staat, dan zien wij het. Wij zien het met ons oog, zoo zegt men gewoonlijk; maar eigenlijk is dat onjuist; wèl dient het oog om de lichtindrukken van buiten op te nemen; maar het eigenlijke zien geschiedt niet met het oog. Aan den achterkant komt uit het oog de gezichtszenuw te voorschijn, die naar de hersenen loopt. Snijdt men deze zenuw door, dan is het met het zien gedaan, hoewel het oog zelf ongeschonden is gebleven. De indruk, dien het verlichte voorwerp op het oog maakt, wordt door de gezichtszenuw naar de hersenen overgebracht en komt dààr tot bewustzijn. Hoe dat geschiedt, is ons een raadsel.
De huid (fig. 13) is uit twee lagen samengesteld; de buitenste laag is de opperhuid, die bloedloos is, zooals duidelijk blijkt, als men zich op eene plaats snijdt, waar zij bijzonder dik is ("eelt" onder de voeten, aan de binnenzijde der handen). Onder de opperhuid is de bloedroode leerhuid gelegen, aldus gekleurd door het vele bloed, hetwelk er doorheen stroomt. (Van de leerhuid maakt men leer). In deze leerhuid vindt men de uiteinden van zenuwen.--Raakt men de opperhuid van een' der vingers met een of ander voorwerp aan, dan voelt men dat zij wordt aangeraakt, en tevens verneemt men, hoe de vorm en de warmtegraad van dit voorwerp zijn. Maar snijdt men de zenuw door, die van den vinger naar het ruggemerg loopt, dan voelt men de aanraking van een voorwerp niet meer. De indruk, dien een voorwerp op de huid teweeg brengt, wordt dus door de zenuwen voortgeleid naar het ruggemerg, en komt daar tot bewustzijn; hoe--dat weten wij alweer niet.
Uit het bovenstaande zien wij dat de voorwerpen buiten ons zoodanig op ons inwerken, dat wij hunne aanwezigheid vernemen, dat hunne aanwezigheid bij ons tot bewustzijn komt. Zoodanige inwerking van de voorwerpen op ons noemen wij in 't algemeen gewaarwording. Deze kan bij den mensch en ook bij de huisdieren op vijf verschillende wijzen tot stand komen: door voelen, proeven, ruiken, hooren en zien. Men noemt het gevoel, den smaak, den reuk, het gehoor en het gezicht de vijf zinnen van den mensch. Vele dieren hebben minder zinnen; bij zulke dieren werkt de omgeving op minder dan vijf verschillende wijzen in. De lintworm bijv. is blind.
De zenuwen, welke de indrukken, die de buitenwereld op ons maakt, naar hersenen en ruggemerg voortgeleiden, noemt men gewaarwordingszenuwen. Men mag dus wel de hersenen en het ruggemerg de middelpuntsdeelen of centrale deelen van het zenuwstelsel noemen, want zij zijn het middelpunt, waarheen de van de buitenwereld ontvangen indrukken worden voortgeleid, en van welke ook tevens de aanleiding tot elke spierbeweging uitgaat. In de bewegingszenuwen geschiedt, blijkens het bovenstaande, de voortgeleiding in een' zin, precies tegengesteld aan dien, waarin deze plaatsgrijpt in de gewaarwordingszenuwen.
Fig. 13 geeft eene schets van eene doorsnede dwars door 't lichaam van een dier. Vergel. de verklaring. Hoe de onderscheiden deelen van 't zenuwstelsel ten opzichte van elkaar liggen, is in fig. 14 te zien, waar het zenuwstelsel van den hond is voorgesteld.
Menschen en dieren, die geen spijs opnemen, verminderen in lichaamsgewicht. Dit komt daar vandaan, dat eenige stoffen het lichaam òf als gassen (koolzuur door de longen) òf als vloeistoffen (urine door de nieren, zweet door de zweetklieren) verlaten, zonder dat voor die stoffen iets anders in plaats komt. Op den duur zou een menschelijk of dierlijk lichaam het niet uithouden zonder opneming van nieuwe stoffen. De stoffen, welke opgenomen worden, noemt men, alnaarmate zij vast of vloeibaar zijn, spijzen of dranken. Deze spijzen en dranken, welke met weinig uitzonderingen (zouten, water) uit het dierenrijk of het plantenrijk afkomstig zijn, kunnen echter niet als zoodanig de plaats innemen der voortdurend verdwijnende lichaamsstoffen. Ten eerste bevatten zij stoffen, die in 't lichaam in 't geheel niet bruikbaar zijn, en die met de uitwerpselen worden verwijderd. Maar ook de bruikbare zelfstandigheden worden in de planten en dieren voor 't meerendeel niet in zoodanigen vorm aangetroffen, in welken zij dadelijk kunnen worden gebruikt. De spijsvertering nu dient om de spijzen voor het lichaam bruikbaar te maken en tevens om de onbruikbare stoffen af te zonderen van de wèl bruikbare, en ze daarna uit het lichaam te verwijderen. Deze spijsvertering grijpt in het darmkanaal plaats. Het darmkanaal is eene buis, die op verschillende plaatsen eene zeer verschillende wijdte heeft, doorgaans in allerlei bochten en windingen in de lichaamsholte gelegen is en zich van den mond tot de aarsopening uitstrekt. Terwijl de spijzen in het darmkanaal zijn, worden er verschillende vochten ("verteringsvloeistoffen", zooals speeksel, maagsap, gal, enz.) mee vermengd, welke er de bruikbare stoffen uittrekken en deze in den vereischten vorm omzetten. Zoodanige inwerking van vochten kan des te beter geschieden, naarmate de spijzen in kleinere stukken verdeeld zijn. Voor het fijnmaken der spijzen dienen bij de zoogdieren de tanden; bij de vogels dient daarvoor eene bepaalde afdeeling van het darmkanaal ("de spiermaag"), welke aan de binnenzijde met harde, scherpe lijsten bekleed is.
Zoolang de voedende stoffen, al zijn zij ook in een' volkomen geschikten vorm gebracht, in den darm blijven, baten zij het lichaam niets. Immers het verlies van lichaamszelfstandigheid grijpt in alle deelen des lichaams plaats, en het is dus noodzakelijk dat de voedingsstoffen na de vertering in een' toestel worden gebracht, die ze naar alle deelen des lichaams heen voert. Deze toestel wordt de bloedsomlooptoestel genoemd.
De bloedsomlooptoestel is gevuld met bloed, eene ongeveer kleurlooze vloeistof, die een uiterst groot aantal zeer kleine roode schijfjes (de "bloedlichaampjes") bevat, en daardoor rood gekleurd is. In het bloed worden de voedingstoffen uit den darm opgenomen.
Het bloed stroomt door het lichaam heen door eene menigte buizen. In de natuurwetenschappen is men gewoon, buizen met den naam van "vaten" te bestempelen. Wij spreken dus ook van "bloedvaten", wanneer wij de buizen bedoelen, waardoor het bloed in 't lichaam stroomt. Deze bloedvaten vertakken zich herhaaldelijk, tot uit hunne vertakkingen eindelijk de mikroskopisch kleine "haarvaten" (= capillairen) ontstaan. Met uitzondering van de opperhuid en de deelen, welke zich uit deze vormen (haren, veeren, schubben), vindt men in elk deel des lichaams haarvaten. Deze hebben uiterst dunne wanden, waardoor gemakkelijk verschillende voedingsstoffen heentrekken, welke te goede komen aan die kleine deeltjes des lichaams, welke tusschen de haarvaten zijn gelegen.
Het hoofdwerktuig voor de beweging van het bloed is het hart, een verwijd en van dikke, samentrekbare wanden voorzien gedeelte van den bloedsomlooptoestel. Door samentrekking van de holle spieren in den hartwand wordt het bloed uit het hart geperst; het stroomt dan door eene buis (de slagader) weg, die zich in verschillende takken splitst, welke laatsten zich weer splitsen, enz. enz., zoodat ten slotte de haarvaten ontstaan. Uit de vereeniging van de haarvaten worden weer adertakjes gevormd, die zich tot eene ader (of tot een paar aders) vereenigen, welke het bloed weer naar 't hart terugvoeren. Hetzelfde bloed stroomt dus voortdurend door 't lichaam rond, en men mag dus met recht spreken van een' bloedsomloop (circulatie). In fig. 16 is eene voorstelling gegeven van een' zoo eenvoudig mogelijk ingerichten bloedsomlooptoestel.
Daar het bloed gedurende zijnen omloop aan de verschillende deelen des lichaams een deel van zijne voedingsstoffen afgeeft, zou het op den duur voor de voeding des lichaams onbruikbaar worden, wanneer het geene nieuwe voedingsstoffen uit den darm opnam. Maar nog om andere reden zou het bloed, en wel zeer spoedig, onbruikbaar worden; dit zou nl. het geval zijn, wanneer het niet geregeld door de longen en de nieren en langs de in de huid gelegen zweetklieren stroomde.
Het is algemeen bekend, dat een mensch of dier zonder lucht--of eigenlijk zonder eene bepaalde in de lucht aanwezige gassoort, de zuurstof,--niet kan leven. Deze zuurstof moet tot in de kleinste lichaamsdeelen kunnen doordringen; en door den bloedstroom wordt zij dan ook overal heen gevoerd. De scheikunde leert, dat verbranding van eene stof niets anders is dan hare verbinding met zuurstof, waardoor eene geheel nieuwe stof gevormd wordt. In alle deelen nu van 't lichaam grijpt eene verbinding van lichaamszelfstandigheid met zuurstof plaats, m. a. w. eene verbranding of oxydatie; echter eene zoodanige, waarbij geen vlam ontstaat, hoewel er toch wel degelijk warmte bij ontwikkeld wordt. Zij is de bron der "dierlijke warmte", die wij bij den mensch en bij vele dieren gemakkelijk dááraan merken, dat deze eene temperatuur hebben, hooger dan die der omgeving. Maar niet alleen wordt door deze verbranding, die in alle deeltjes van 't dierlijke lichaam plaatsgrijpt, warmte opgewekt. Men weet dat eene stoommachine, zoolang er steenkolen in worden gebrand, niet slechts warmte ontwikkelt, maar ook arbeid kan verrichten; en hoe meer steenkolen er worden verbrand, des te meer arbeid kan er worden verricht. Die arbeid komt neer op het verplaatsen van voorwerpen. Ook het dierlijk lichaam verricht arbeid; bijv. als een dier eene last voortsleept, maar ook als het zich eenvoudig van de eene plaats naar de andere begeeft. Het dierlijke lichaam wordt tot deze arbeidsverrichting in staat gesteld door de verbranding, welke daarbinnen plaatsgrijpt.
Wanneer nu het bloed naar een bepaald lichaamsdeel stroomt en zich uit de slagadertakjes in de haarvaten begeeft, dan trekken door de wanden dezer laatste niet slechts voedingsstoffen heen, maar ook zuurstof. Wanneer nu echter het bloed uit de haarvaten in de aders overgaat en aldus het bedoelde lichaamsdeel weer verlaat, dan is het niet alleen armer aan voedingsstoffen, maar ook armer aan zuurstof geworden; om bij eene volgende rondstrooming de lichaamsdeelen behoorlijk van zuurstof en voedende stoffen te voorzien, bevat het daarvan veel te weinig. Daarentegen heeft het bloed, als het uit de haarvaten van een lichaamsdeel weer in de aderen terugkeert, verschillende stoffen opgenomen, die daar door de verbranding der lichaamszelfstandigheden ontstaan zijn. Deze "oxydatieprodukten" (vergelijkbaar met de gassen en de asch, welke bij de verbranding van steenkool in eene stoommachine ontstaan) kunnen op den duur niet blijven in de lichaamsdeelen, waarin zij gevormd werden; zij zouden daar langzamerhand eene veel te groote ruimte gaan innemen; en bovendien zijn sommige van deze stoffen schadelijk voor het lichaam. Het bloed, dat langs de lichaamsdeelen stroomt, neemt de daar ontstane oxydatieprodukten daaruit op. Als het nu later door de longen wordt bewogen, scheidt het koolzuur en water uit, welke stoffen in gas- en dampvorm het lichaam verlaten; tevens voorziet het zich daar van nieuwe zuurstof. Als het bloed door de nieren en langs de zweetkliertjes stroomt, geeft het de vloeibare en de daarin opgeloste vaste oxydatieprodukten af, welke in 't lichaam ontstaan zijn. De vloeistof (met vaste stoffen er in opgelost), welke de nieren afzonderen, heet urine; die, welke de zweetkliertjes van zich geven, zweet. Boven zei ik, dat het bloed in de longen een deel zijner verbrandingsprodukten kwijtraakt, terwijl het daarentegen nieuwe zuurstof opneemt. De in de longen aanwezige lucht wordt daardoor armer aan zuurstof, rijker aan koolzuur; zij zou dus op den duur ongeschikt worden om opnieuw zuurstof aan het bloed af te staan, ware het niet dat telkens door de ademhalingsbewegingen nieuwe zuurstof in de longen werd gebracht. De ingeademde lucht treedt door den neus of den mond binnen en komt door de keel heen in de luchtpijp, waarvan het bovenste, verwijde gedeelte het strottenhoofd heet. In de borstholte aangekomen, splitst de luchtpijp zich in twee takken, van welke er naar iedere long één gaat. De longen zijn bij de visschen door kieuwen vervangen; andere dieren hebben nog weer andere toestellen voor de opneming van zuurstof. De toestellen, die voor de opneming van zuurstof dienen, worden "ademhalingstoestellen" genoemd.
Daar in 't lichaam voortdurend verbranding van lichaamszelfstandigheid plaatsgrijpt, dus voortdurend stoffen aan 't lichaam ontnomen worden, moet het lichaam wel in gewicht afnemen, zoolang het geleden verlies niet weer door de opneming van spijzen gedekt wordt.
Fig. 15 geeft eene voorstelling van de spijsverterings-, bloedsomloops- en ademhalingsorganen in hunnen onderlingen samenhang. Zie de verklaring.
In fig. 17 is een hond afgebeeld, welks borst- en buikholte geopend zijn. Men kan dus daar de meeste lichaamsdeelen, welke boven werden besproken, zien liggen. (Vergel. de verklaring).
In het lichaam van een dier grijpen, blijkens hetgeen boven werd meegedeeld, allerlei werkingen of verrichtingen plaats; de lichaamsdeelen, welke deze verrichtingen doen tot stand komen, kan men dus werktuigen of, met een vreemd woord, organen noemen. Een dier en eene plant noemt men een bewerktuigd lichaam of een organisme, omdat hun lichaam uit werktuigen of organen bestaat. Steenen zijn onbewerktuigde lichamen.
II. RANGSCHIKKING EN BENOEMING DER DIEREN.
Wel zijn geen twee dieren volkomen aan elkander gelijk; maar toch zijn er, die zoo weinig van elkaar verschillen, dat men hun denzelfden naam geeft. Zulke dieren noemt men dieren van dezelfde soort. Dieren, die wel zóóveel van elkander verschillen, dat men ze tot verschillende soorten moet brengen, maar die toch in de meeste, en wel in gewichtige kenmerken overeenstemmen, brengt men tot hetzelfde geslacht. Haas en konijn, paard en ezel, bonte kraai en roek zijn verschillende soorten van hetzelfde geslacht.
Ik sprak daar van gewichtige kenmerken. Dat niet alle kenmerken der dieren van evenveel waarde zijn, ligt voor de hand. Een kenmerk, ontleend aan het tandstelsel van een dier, is een gewichtiger kenmerk dan een, dat ontleend is aan de kleur der vacht; want uit het tandstelsel kan men veel afleiden omtrent het voedsel en dus ook weer omtrent den verderen lichaamsbouw van het dier, terwijl men uit de kleur der vacht niet veel kan afleiden. Niet alleen de meerdere of mindere belangrijkheid, ook de meerdere of mindere standvastigheid van eene eigenschap komt bij de rangschikking der dieren en planten in aanmerking. Zoo kan soms de kleur der vacht voor de rangschikking van meer beteekenis zijn dan in andere gevallen. Bij alle hermelijnen of groote wezels is de punt van den staart zwart gekleurd; bij alle kleine wezels is zij gekleurd als de overige deelen des lichaams, nl. roodbruin. Bij deze dieren is dus de kleur een zeer standvastig kenmerk; terwijl bijv. bij de diersoort "paard" de kleur volstrekt niet standvastig is en niet als kenmerk der soort mag gelden.
Boven zei ik, dat men twee verschillende soorten van dieren, welke in de meeste en wel in belangrijke kenmerken overeenstemmen, in één geslacht vereenigt. Geslachten, die weer veel overeenkomst met elkander vertoonen, brengt men in dezelfde familie. De kleine wezel en de groote wezel zijn verschillende soorten van hetzelfde geslacht; den boommarter en den steenmarter brengt men eveneens in één geslacht, maar in een ander dan dat, waarin men de beide wezels bijéénvoegt. Toch gelijken de wezels en de marters weer zooveel op elkander, dat men het wezelgeslacht en het martergeslacht in dezelfde familie, die der Marterachtigen, vereenigt.
Familiën, die in vele punten van haren lichaamsbouw met elkander overeenstemmen, vereenigt men in dezelfde orde. Zoo vormen de familie der Marterachtigen, die der Katachtigen, die der Hondachtigen en nog eenige andere familiën te zamen de orde der Roofdieren.