Part 9
Zij peinsde aan het groote onheil dat nu voorviel en heur rustig oudmenschenleven 't onderst boven had geschud, en aan de onrust die heur telken jare beklemmen zou, als 't jaarwiel boven den einder "St. Margrietje" zou laten zichtbaar worden! Tien jaar lang reeds droeg ze, om de liefde Gods, in de processie de heilige beenderen der Sinte-Begga! 't Was heur immer een zoet genoegen geweest, te denken aan de zaligheid van de komende processie, het werk van 't vasten en 't bidden twee maanden op voorhand om heur arm lijf weerdig te maken de schoone kas te dragen in den stoet van heuren verloofde Jezus-Christus!
En nu! Ze had het wel gevoeld dat er iets noodlottigs gebeuren moest in heur kalm leventje. Er was iets uit den haak in heuren gedachtengang, er haperde ergens wat. Het ding zwol en werd benauwelijker tot al met eens die droom en de woorden van Menheer Pastoor heur den eindelijken slag kwamen brengen. Nu was alles voltrokken.
Ze zette zich bij Geertruide voor het venster.
Op de schouwplaat, één glinstering; in den vollen zonneschijn die door het ééne raam een trapezium van goud op de witgekalkte schouw lei, stond het Lievevrouwken en roerloos... Kathelijne verschoot toen ze het zag in dat helle licht en 't wierd heur of het weer bewegen ging en spreken zou de wreede woorden, die heur heele leven hadden verbitterd. Ze keek het nijdig aan, en de haat sloeg omhoog in heur. Ze zou het wel weg krijgen! heb geen nood! heur leven was een hel in de aanwezigheid van het zegepralende beeldje! En ze fezelde heur besluit tusschen de tanden, als was ze bang het hardop te zeggen!
Buiten op straat was 't een gaan van allerlei menschen in feestelijke kleedij, die naar de processie kwamen zien.
Markeken Ronk en Flor van 't Els waren in de weer voor hun deur, wiegend van links naar rechts, met zwierende hand spierwitte zavel en kleurige papierkens en bloemenblaadjes aan 't uitvingeren. Kleine meisjes in witte kleeren stapten gracielijk en locht als vlinders met hun witte schoentjes trippelend over straat. De menschen lachten en knepen hun oogen toe voor 't hevig zonne getintel, dat overal lag te glanzen in de helle lucht. De oude peekens en meekens gingen voorbij met onzekere stapkens; ze liepen in de deugdelijke zon en vertelden genoeglijk allerhande zottigheid over Margrietje, die heuren pis voor één dagsken had ingehouden.
Kathelijne zag dat leven en ze geraakte stilaan in de warme stemming van dezen feestdag. Ze dacht aan geen processie meer en heur oogen dronken het levendige beweeg van al die menschen in de trillende zonnelucht, tot plots weer door de kamer sisten de scherpe woorden: "En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!..."
Ze schrok. Heur oogen schoten vol tranen en ze zag het Lievevrouwken, beverig door heur vele tranen heen, pronkend in den gouden zonneschijn. De woorden sprongen en drongen vlijmend als priemen in het merg harer beenderen, ze wierd wanhopig.
Doch ineens klopten jubelende klokkeklanken op de trillende ruiten. Ze buitelden door de zonnige luchtgolven als blauwe rookkrullen, die verijlden in de lichtsiddering. Nu en dan hoorde Kathelijne een geruisch van verwijderde muziek, dat bij poozekens voller toezwol, maar naderhand ook even lijze, door 't gewone lawaai van de drukke straat overklonken werd.
't Was de processie, die traag aanschoof.
Kathelijne verschoot en nam vlug de twee koperen kandelaars, waar een roze keers in zat. Ze ging er mede buiten, zette ze op de vensterrichel en stak de wieken aan. Een geel, arm vlammeken bibberde er nu boven en wiegelde in het zoete windeken. Andere jaren prijkte 't Lievevrouwken tusschen de keersen in, maar Kathelijne wou dat nu niet. Ze had er een vreugde aan, het wreede beeldeken te pijnigen, het te sarren, het te laten alleen, ver van den stoet op de zwarte schouwplaat.
De lucht hing vol klare klanken. De muziek speelde een hellen deun, naar de trage maat der stil-stappende menschen. Het volk in de straat rijde zich op de gaanpaden langs de huizen, en daar kwam de processie.
Kathelijne zag toe van achter de gordijntjes. Ze kreeg een felle vrees en er klemde zich een ring om heur hert, dat ze de kloppen haast niet meer gewaar werd.
Ze zag de soldaten komen op twee roten, met wuivende veder op den hoed en zware stappen die klonken uit boven de muziek en 't egale prevelen der biddende menschen; de roode vlag der congregatie, met allerlei gouden bloemen en zilveren vruchten bestikt, gedragen door een vent lijk een reus, daarachter nederige wijfkens met een blauw lint rond den hals, murmelend eentonige vaderonzen. Dan kwamen de maagdekens in de stijve, witte kleedekens, die in rechte plooien om hun lijfje lagen, een gouden kroontje op 't krullekopken van golvend haar, dat lijk een gulden zonne om hals en smalle schoudertjes straalde. Ze droegen vaantjes blauw en wit versierd, of schilden, helder getint, met Latijnsche spreuken en opschriften in gotische letters. Ze stapten met hippende paskens op maat van de zoete muziek en hun kleedekens en hun haar ging gracielijk op en neer. Kleine jongskens in purperen paterskleeren, een lanteernken in de hand, en een roodzijden kalotteken, bolrond over hun blonde haren, volgden. Ze stapten traagjes, en hun lange rokskens sleepten over het zand en de riekende kruiden die er gestrooid lagen.
Zoo schoof de processie verder: peekens uit het Godshuis met een hoogen hoed dragend een dikke kaars, waarop een smookende vlam krulde; deftige heeren in zwarten rok, blootshoofds, rond de beelden der heiligen; mannen met banieren die waaiden boven het bont gewemel van biddende vrouwen. De menschen langs het gaanpad zagen toe met groote oogen en waren tevreden. 't Was een gouden pracht, blinkend in de flitsende zonnestralen, sneeuwwit, groen en blauw en viool-purper wemelend dooreen lijk een zonvergulde kerkraam. Alles ging matig op de tonen der zachte muziek en 't blonk zoo schoon en grootsch, met daarover de bonte waaiïng van rijke kleuren, vlottend met zoeten zwier in de davering der vurige zon.
Daar kwamen de mannen in priesterrokken en witte roketten, fijngeplooid; ze torsten groote koperen draaglantarens, rijkelijk geornamenteerd.
Kathelijne zag het, ze hield heuren asem in, nu moest de relikwiekas komen. God! Heur hart stond stil. Ze wierd wit als een lijk.
En daar kwam de relikwiekas, gedreven in zuiver zilver; tafereelen uit het leven der heilige Begga stonden er op geciseleerd, en nu de zon er zoo al met eens een vollen brand op neergoot, scheen de kas te vlammen en te gloeien, dat het zeer aan de oogen deed.
Kathelijne zocht met angstige oogen naar de witte begijntjes, die de kas droegen. Ze merkte Geertruide, die blij-lachend voortstapte, biddend aan heur beenen paternoster.
Toen sloeg heur hert met een wilden bons, terug aan den gang en de scherpe woorden van 't Lievevrouwken kletsten weer door de kamer: "En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!" Het bloed sloeg naar heuren kop. Heur beenen knikten, en met radelooze oogen zag ze den bonten stoet voorbij schuiven en verdwijnen achter de cypressen van den Kalvarieberg.
Nu kwam de heilige, grootwondere God in vorm van brood, gedragen onder een blauwen baldakijn, door een goud-omhangen priester, omgeven door ijle wierookwolken en zware zangen, die eerbiediglijk samenwentelden tot wondere akkoorden, als gezongen door diepgeloovige, middeneeuwsche lieden, braaf en zedig.
Kathelijne en kon niet meer aanzien! Ze wendde zich om, en met het hoofd op de tafel begon ze hare ontgoocheling, wanhoop en verdriet stillekes uit te weenen.
En 't Lievevrouwken stond schoon te blinken en heur gezichtje bloosde lijk een kriek, boven het witte brokaatkleedeken.
Toen Geertruide binnenkwam, vond ze Kathelijne roerloos op een stoel gezeten in heur keuken.
"Zuster! waarom zijt ge niet buiten geweest?"
Ze keek naar de rood beschreide oogen van Kathelijne:
"En ge hebt geweend?"
't Begijntje schudde pijnlijk heur hoofd en zei: "'k Had zoo'n pijn in den kop!..." Zij wilde heur woorden intrekken, want ze voelde dat het een leugen was. En er viel een zwart druppelken op heur wit zielken, dat er openspetterde en de blanke reinheid bekladde.
"En Zuster toch, waarom hebde 't Lievevrouwken niet in 't venster gezet? Wat gaan de menschen nu denken? 't heeft er altijd gestaan! en dat nu voor de eerste maal!"
Kathelijne trok verwonderde oogen. "Dat heb ik fijn vergeten, Zuster Geertruide!" Er viel nog een zwart droppelken op heur wit zielken.
Geertruide dan, met radde tong, heur aankijkend, hernam:
"Maar zuster! ge moet slapen gaan! gij zijt zoo ziek als een hond! 't Is al goed dat ge in de processie niet geweest zijt! Menheer Pastoor had groot gelijk! Wel! wel! Toe, Zuster! naar boven, 'k zal lindenthee gereed maken, dan zal 't beteren!"
Kathelijne roerde niet. Geertruide lei heur kroontje af, plooide voorzichtig heur sluier en haakte heur sieraden los. Dan ging ze naar boven heur bruids-kleed uitdoen.
Nu zat Kathelijne weer alleen. Geertruide heur gezeever verbitterde haar nog meer. 't Groote was nu toch gebeurd en ze siste het Lievevrouwken toe, nijdig, met een fluitende stem, lachend om de schoone wraak die ze bepeinsd had: "Gij moet hier weg! weg!"
Het hoogtij was voorbij. De begijntjes en kwezels zaten weer in hun hofken of gingen ter vespers.
Alles werd weer stil en ingetogen. De schoone zon zette heur volle namiddaglicht op de witte gevels. In de volle boomen hingen vogelenzangen.
Kathelijne was terug in heur keuken en ze zat stil in een hoek. Ze peinsde steeds met groot verdriet aan heur geslagen leven, en door heur hoofd schoten vele gedachten van wraak. En ze zag de processie en de relikwiekas als een wit vuur in de zon, gedragen door vier witte begijntjes en van voor links, op héur plaats, Geertruide!
Vóór heur oogen groeide het Lievevrouwken, met een spottend gezicht. O! dat scheurde heur heelen kop aan stukken!
Razend kneep ze de oogen dicht om niet te zien! Maar heller groeide en groeide het beeldje, in een wolk van goudlicht, en lijk een donder kraakten de woorden: "En ge gaat er niet in!... en ge gaat er niet in!" Ze zou heuren kop op de steenen kapot slaan om dien zotten zang te doen ophouden! Ze zou met scherpe nagels heur borst openscheuren, om er de pijn uit te sleuren. Het Lievevrouwken moest weg! Het beeldeken stelen? en dan?
Ze hoorde in de gang het geslef; de klink der deur tjokte omhoog en Geertruide, in alledaagsche kleeding, stond voor heur.
"Zuster, 't is goed weer, he?"
Kathelijne zuchtte, zei 'n ja, kwaadweg, omdat ze gestoord werd bij 't bepeinzen van heur wraakplan.
"Wie had zoo'n weertje kunnen bedenken! En gisteren nog zoo'n killen regen, om met de lollepot onder de voeten te zitten! Zuster Kathelijne, 'k heb van menheer pastoor een schoon, blauw boekje gekregen. De Navolging Christi van Thomas a Kempis heet het en daaruit haalt hij vele spreuken voor zijn sermoon. Hij lachte, als hij 't me gaf: "Dat 's de prijs, zuster Geertruide, omdat ge zoo schoon waart in de processie".
Kathelijne hijgde en tuurde gespannen naar de zonrondekens, die op de roode plaveien van den vloer dooreendansten.
"'t Is 't schoonste boek dat bestaat", zei hij, "waarin geschreven staat hoe men zalig kan worden!... En hier ga 'k nu alle dagen in lezen!"
't Werd stil, ongewoon stil rond het geknip van den horlogeslinger in de eiken kas.
Kathelijne zocht naar een woordje om toch ook iets te zeggen. "En waar is 't boekske?..." Maar 't gezegde was nog niet koud op heur tong, of ze had er reeds spijt over. Nu zou ze mee moeten naar Geertruide heur keuken...
"O! 't ligt binnen!... Kom eens zien..."
Ze kon niet meer "neen" zeggen, stond trage recht en volgde. Nauwelijks kwam ze 't plaatske binnen, of heur blikken gingen naar 't Lievevrouwken op de schouwplaat. Zie! daar brandden de ronde oogskens! Kathelijne draaide fluks heur kapken om naar de zuster die 't blauwe boeksken uit een lade nam, en er met voorzichtige vingers in bladerde.
"Schoon he, zuster?..."
"Ja".
Ze piepte tersluiks naar 't beeldeken. Ze zou het wel weg krijgen! Weg moest het! Want er was geen leven meer te houden in de gedurige aanwezigheid van dat heksige Lievevrouwken!
Geertruide had het boekje weer ter plaatse gelegd en babbelde over den pastoor, die zoo'n schoone beeldekens snijen kon in palmenhout. Hij was nu weer aan 't werk aan een Heilige Maagd... zoo schoon, zuster!...
Ineens kwam er een korte klokkenklank aarzelend door de lucht tuimelen en pas was hij verzinderd, of heller klepten er andere hem na, zuiver gedragen op den naklank van den wegtrillenden voorlooper.
"Ga-de mee naar de kerk, zuster Kathelijne?"
"Och! 'k heb zoo'n pijn in mijn kop, zuster Geertruide!... Ik ga liever eens wandelen langs de vesten".
Geertruide sloeg heuren katonetten voorschoot af, nam twee oude kerkboeken onder den arm en ging met Kathelijne de straat op. Ze zeiden geen woord meer en aan de kerk scheidden ze. Kathelijne ging langs 't Hemdsmouwke den Grachtkant op, 't waschhuis door, en wandelde nu op den dijk in den helderen zonneschijn, naar de vest af. Ze voelde zich een poosje jonger en vrijer, ze dacht over de boomen, die vol vogels zaten, en aan heur wekelijksche schoenen, die ze gisteren naar Kaluiken, den schoenmaker, gedragen had voor poleviëen.
Op de vesten in de breede, blauwe lommerte der dubbele olmen-rij, speelden kinders en ze lieten zich kressend in den beemd rollen en plukten boterbloemen. Op den dijkweg, die blond langs de zilveren Nethe loopt, wandelden twee witgekapte begijntjes.
Kathelijne voelde stilaan de rust om heur. Heur hart sloeg gemakkelijk en ze genoot van den zomerschen namiddag. De Nethe schoof zachtjes weg tusschen ranke rieten. Er sprong een zilveren vischken in de zon, en een groote kring rondde, wiegelend in grootere kringen, die in 't oeverriet verdwenen. Kathelijne had het vischken niet gezien en ze vond het aardig dat nu opeens het blauwe vlak aan 't deinen ging en de beeltenis der populierenrij aan den overkant aan 't kronkelen geraakte. Een beetje verder zat een vent, geborgen onder een strooien hoed te visschen. Hij smoorde een pijp en van onder de randen stegen blauwe wolken. Ze bleef er op staan zien, gedachteloos. De man draaide zijn kop om en bezag heur zonder iets te zeggen. 't Begijntje werd verlegen en zocht een woordeken: "Goe weer, he vent?"
"Ja Zuster, vandaag is Margrietje toch niet aan 't schuren geweest..."
Hij keek weer naar zijn lijn en rookte wolken uit zijn pijp.
Maar kijk! daar kwam Cicielken, 't portieresken dat in Jeruzalem geweest was, achter heur aangestapt. Ze zeiden elkaar goeden dag en begonnen samen te klappen, al slenterend naar 't Sas. Kathelijne luisterde aandachtig naar 't gepraat van 't oude begijntje.
Er fladderden kleppenters over de bebloemde wei, hommelen schoten van de eene bloem naar de andere, en hoog in de vuurge lucht hing een leeuwerik te tierelieren.
Aan 't Sas draaiden de zusters om en kwamen op hun stappen terug. Kathelijne kreeg het zoo benauwelijk! Ze keerde terug naar 't Begijnhof! Ze moest weer naar huis bij 't Lievevrouwken! En de angst en haat drong omhoog om er hun zotten dans te hernemen. Kathelijne hoorde Zuster Cicielken niet meer. Ze kwamen voorbij den visscher. Ze keek naar de roode daken van 't Begijnhof. Ze hoorde het klokje kleppen.
't Portieresken werd gewaar dat Kathelijne niet meer luisterde. Ze haalde een paternoster uit den zak, zei: "Dag Zuster, 'k ga gauw naar 't lof" en ze sloeg een weg in.
Kathelijne, verbauwereerd, vroeg: "Wat is er?..."
Cicielken, die hardhoorig was, en gaf geen bescheid; ze slenterde langzaam naar huis.
De stilte woog loodzwaar in de keuken. De horlogeslinger kapte den tijd in kleine stukskens. De avond steeg uit de eerde en vulde 't geluchte met zijn warme donkerte. De hemel was donkerblauw, als een fluweelen zee, waar schipkens drijven met ontstoken lanteernkens in den mast. 't Begijnhof was zonder geluid. Kathelijne zat nog op heuren stoel en snorkte regelmatig met den tik-tak van het uurwerk...
Plots dommelden er acht klokke-tonen op de ruiten.
Ze schoot wakker, angstig, wreef zich de oogen, zocht naar heur gedachten, die holderdebolder in 't dikke kluwen van dezen slaap verward lagen. 't Was al zoo donker! Ze luisterde naar de stilte die suisde. Ze zag het venster, met het groote kruis van 't raam achter de ijle gordijntjes. Ze luisterde weer naar de stilte, totdat opeens het knersend tikken van de horloge vooruitsprong en heur bij de werkelijkheid trok.
Maar ei! ze kreeg er een steek van in den kop! daar djokte het akelig vooisken weer op, spottend en schril, op maat van den knersenden tiktak: "En ge gaat er niet in, en ge gaat er niet in!..." En ineens begon heur spijt en heur haat te prikken en te wroeten in heuren boezem, als doornenranken. "'t Moet hier weg!..." Ze was alleen, Geertruide was bij Markeken Ronk met het ganzenspel gaan spelen, en nu kon ze middelkens bepeinzen om het van kant te maken...
Zou ze 't stelen?... maar dan? Wegwerpen in de Nethe, en geen haantje zou er nog over kraaien? Doch 't beeldeken zou nog bestaan alsdan en heur nog meer komen tempteeren! of 't zou ergens stranden, en alzoo 't voorwerp worden eener groote devotie!
Het in stukken kappen en 't verbranden in heur stove? Ze moesten het eens te weten komen! Heur gepeinzen dwaalden in een duister hol, waar geen uitweg aan te vinden was. Ze zou eens door 't sleutelgat gaan kijken bij Geertruide, om het beeldeken te zien; wellicht kwam er dan een lichtje in heur hersens. Ze stond op, ging op de teenen de gang door en bracht heur oog aan 't sleutelgat.
't Was donker in de keuken. Vóór 't Lievevrouwken lag in een donker rood glazen potteken een vlammeken te wiegelen en gaf een schoonen, stillen schijn aan het beeldeken, dat lachend stond in zijn witbrokaten kleedje. Op de zoldering, recht boven 't glas, wiegde een groote roode ronde. Al 't ander stak in het duister. Kathelijne zag maar toe en duwde heur hoofd tegen de deur. De deur stond op een kier en draaide piepend open.
Ze verschoot. Het was hier stil als in een graf. Ze zette zich van schrik op een stoel.
De haat kwam weer boven. 't Was dàt nietig stuksken hout, dat heur schoone leven vernield had, dat heur laatsten oude-menschen-dag kwam vullen met gal en edik.
Plots een klonengeklop op de trap! Er was toch niemand thuis!.... En eer Kathelijne den tijd had te peinzen, zag ze door het deurgat, op de trap in het gangsken twee geel-berookte holleblokken, waarin twee dunne, felbehaarde spillebeenen staken. De klonen daalden, de een na den ander, en klopten op de treden. Kathelijne vergriezelde och Heere! en als ze weer bijkwam, zag ze binnenkomen een grooten vent in witte monnikspij, het hoofd verscholen in de punt-kap en lezend in een oud, groot boek. Er hing een verroeste koffiemolen met een touw aan zijn linkerschouder. Terwijl kwam er een dunne, grijze klaarte de keuken ingedreven en 't begijntje zag onder de kap een rooden dop-neus die op en neer ging. De vent zette zich onder de tafel, sloeg met een flap zijn boek toe en begon aan zijn koffiemolen te draaien, dat het piepte en knerste alsof men er een biggetje keelde.
Kathelijne en roerde niet en zat als gebeeldhouwd op den stoel. Ze keek met gespannen oogen naar den pater die zijn molen liet vallen en weer zijn boek opnam. Telkens hij een blad omdraaide, joeg er een fluitende wind door de keuken.
Bots! en uit het breede schouwgat tuimelden drie rosse geraamten. Ze knetterden met hun tanden alsof er honderd ratels klepten.
Uit het kasken kropen er twee oude peekens, kletsnaakt, met oogen op hun achterste, gaven elkaar de hand, wandelden door de keuken en vertelden wat met fluisterstem. Ze lachten genoeglijk. Drie zwarte kraaien kwamen krassend uit de gang gevlogen en zetten zich op de gladde koppen der geraamten. Ze bleven met hun vleugels slaan, totdat de drie pietjes de-dood hun lawaai staakten. De pater sloeg zijn boek toe en de ventjes zetten zich nevens de stove, op hun oogen. Nu was er een diepe stilte. En 't Lievevrouwken stond onnoozel te blinken in het roode lichtje.
Er kwam een bleeke vrouw de keuken in. Ze was gehuld in een zwarten mantel en droeg om den hals een levende adder. Uit heur mondhoeken leekte bloed in dunne streepkens langs heur kin. Het licht in de keuken zwol bij heur binnenkomen. Kathelijne bezag de vrouw... en wonder! heur schrik smolt weg en 't wierd heur wel aan het herte. Ze loech de vrouw tegen, zeer vriendelijk, alsof ze heur goed kende. De zwarte vrouw kwam nevens 't begijntje zitten en nam heur bij de hand. Ze lachte genegen en toonde Kathelijne veel vieze gedrochten, 'n voet hoog, die stillekens binnenschoven: groote eierschelpen, waaruit twee kikvorschenpooten klauwden en een groote kop bovenaan, opgeblazen en scheel; een verneukeld wijveken, dat geld aan het tellen was en de stukken een voor een in een kikvorsch zijnen muil wierp, die nevens heur kroop; saters met bokspooten, die op een zevenpijp zotte liedekens speelden; kaboutermannekens en wiemkens met dikke koppen, loopend op hun handen, de puntschoenen wiebelend in de lucht. 'n Hoop zwarte duivelkens, met een Hollandsche pijp in den kop en tegelijk zwierend een grooten vuurpot, waaruit allenthenen smeulende sprankels vlogen, besloten dezen wonderbaren stoet.
't Helsche volk staakte zijn spel en hurkte neer op de roode plaveien. Met gespannen oogen tuurden ze naar de gang waar het pikdonker was. 't Roode lampken brandde stil.
Er zwol een zoet muziekgedruisch nader en plots achter de deur ging de processie voorbij. 't Waren alle kleine ventjes, een duim groot en 't was dezelfde orde en doening als dezen morgen, met het purper en rood der vanen in 't wit der maagdekens in een gouden schijn die er om wolkte.
Kathelijne heur schrik was vergaan en ze moest lachen om dees wonder vertoon. De gedrochten in de keuken keken hun groene oogen uit hun lijf! Zie! daar kwam de zilveren relikwiekas van Sinte-Begga, gedragen door vier witte begijntjes en Geertruide van voren links! Al de spoken knarsten nijdig op hun tanden en vuur sprankelde uit hun mond. En de zwarte vrouw zei in 't oor van Kathelijne, wijzend naar Geertruide: "Dat is uwe plaats, en men heeft ze u ontnomen!"
De kristelijke stoet ging verder: de muziek verklonk en alles verdween, opgezogen door de duisternis.
't Lievevrouwken was rood in het licht van het lampken.
Ineens stampte de pater met zijn klonen op de plaveien, draaide met geweld aan zijn koffiemolen en begon luid te zingen. 't Was een teeken, want met een sprongen de geraamten recht en beenden zot door de keuken, en tusschen hun vlugge, kletterende beenen door draaide en danste heel het smalle gespuis, schreeuwend en schuifelend. De zwarte duivelkens zwaaiden er tusschen door met hun vierpot, dat een regen van gensters over 't huppelend volkje starde. Plots schreeuwde de kikvorsch met wijdopen bakkes. De spoken rolden holderdebolder over malkander, sprongen vlug recht en zochten een plaats in den haard.
De dunne klaarte vloot de kamer uit en 't werd donker. Kathelijne zag de geesten bijna niet meer. Rood danste het lampken op de schouwplaat.
De zwarte vrouw stond recht en bracht 't begijntje vóór het beeldeken. Ze sprak toen: "Wie is er de schuld van, dat ge niet in de processie gegaan zijt?..."
Kathelijne voelde den haat weer wringen in heur boezem. Ze vergat het heele spel van spoken en duivels en heur stem beefde van woede: "Dié... dié daar!..."
En de vrouw sprak: "Die moet hier weg!"...
De duivels met hun lollepot kropen in 't midden der keuken en staken hun pijp aan. Ze speekten 'nen keer in de gloeiende kolen en daar kronkelden omhoog schoone vlammen, die het kamerken verlichtten en de smoelen van 't spookvolk nog afschuwelijker maakten. De drie geraamten dansten rond de potten met de krassende kraaien op hun schedel en al de helsche broeders floten en zongen:
't Lievevrouwken weg van hier, 't Lievevrouwken weg van hier, in de vlam van 't helsche vier!