Part 8
Het was te laat nu en het kwaad bedreven! en ze ging aan het schreien, de tranen leekten uit heur brandende oogen, en ze snikte dat heur lijf er van schokte... Ze schudde het hoofd, balde de vuisten tegen de slapen en weende door, weende snottebellen!
Met eens schoot er een reddende gedachte door heur hoofd: de klokken luiden en laten weten aan de stad dat er onheil was!
Met een wip was ze in de nacht-donkere kerk. De stilte woog er. Vóór het altaar brandde het lichtje in roodglazen potteken.
Cicielken voelde dat het Godslichtje heur bezag en ze bleef staan, roerloos als een heiligenbeeld. Zij liep verder naar het portaal waar ze het klokzeel te hangen wist.
Zij was het, die voor jaren, toen ze nog vlug te been was, de klokken luidde voor mis en vespers en de gewoonte zat heur nog zóó in de armen dat ze het zeel zonder tasten of scharrelen vond. Ze greep er naar met beide handen, draaide het om heur polsen en ze snokte aan het zeel, feller en feller. Allengskens begon er in het torenken wat te hommelen. 't Wierd duidelijker en ging over in een zware gelui dat het wel tot aan 't Hofken van Ringen klinken moest. De kerk was gevuld met een vreemd gezoem dat de ruiten ervan singelden.
Cicielken trok maar, kromp ineen en rechtte zich, dan op de teenen, met langgerokken armen boven het hoofd, trok weer omlaag en zoo voorts, alsof er geen einde aan komen mocht.
Stilaan begon heur rug zeer te doen en het zeel neep dieper en dieper in heur vleesch. Ze wilde loslaten, maar heur handen zaten gestropt. Met een snok werd ze naar omhoog getrokken en ze hing een poosje boven de eerde te draaien om daarna tusschen de opeengestapelde stoelen neergesmakt te worden, dat heur beenderen er van kraakten. En eer ze een gil kon uitstooten ging ze weer omhoog en zwierde door de ruimte. Ze werd rondgedraaid, neergesmeten, omhooggetrokken, gedaverd en geschud dat ze er van haar zelve bij viel. En de klok klepte maar voort in den zwarten nacht.
Ineens gleden heur polsen uit den zeelstrop en ze rolde tusschen de stoelen. De klokkeklank stierf uit en weer vleugelde de geheimzinnige stilte om de lijnige pileeren.
Lang, heel lang duurde het, eer Cicielken's bloed weer in de aderen begon te borrelen en te leven. Ze opende de oogen en voelde overal een felle pijn. Ze keek rond en ze zag het roode vlammeken vóór 't altaar als een bloedend oog, dat heur verwijtend aankeek. Ze wendde het hoofd van het lichtje en zocht door de dikke donkerte van de kerk, naar de plek waar de steenen Jezus, lijdzaam gebonden zat sedert vele eeuwen en hare zonden uitboette!
"Ecce Homo!"
En zie, dáár, begon het op te klaren en de duisternis smolt er: eerst een grijze nevel, maar stilaan een cirkel van zilveren licht om het heilige beeld zoodat de doornenkroon en de rietstaf te bloeien schenen als van levend goud.
Buiten op de poort krabden zwakke handen en heesche stemmen steunden luid: "Jezus, ontferm u onzer! Jezus! een droppelken drinken als 't u blieft!"
Cicielken wist dat het heur zusters waren. Ze richtte zich op, om de poort te ontsluiten.
Maar de moorders? met hun messen! die alles zouden onteeren!
Ze wist niet wat te doen en kroop, op handen en voeten naar den schoonen Jezus, die blonk als de jonge zon. Ze wierp zich plat ter aarde en bad om vergiffenis voor heur grove fout. Ze had zoo'n spijt! zoo'n groot spijt! Ze vroeg een zware straf om heur boosheid, ze zou alles doen, alles verdragen! als hij haar maar 'n klein beetje troost kon geven, vergiffenis, vergiffenis!!
Ze snikte het uit, om hare leelijke zonde, en ze hoorde de menschen niet, die voor de poort om hulp schreeuwden, en hun leven uit-rochelden.
En ze dierf het, het hoofd op te heffen, en Hem aan te zien, naar zijn oogen te kijken, die nu blauw waren als de lente-hemel en blonken.
En "Ecce Homo" kreeg leven in de hoekige vormen, en zijn lichaam werd rozerood en lelieblank. Hij rechtte het gelaat ten hemel en glimlachte medelijdend. De bijeengebonden handen ontdeden zich van de hennepen koord en de rietstaf viel op de steenen. Hij stond recht van zijn arduinen banksken en lei met zijn subtiele handen de plooikens van zijn purperen mantel fijn. Hij raapte den staf op en tikte er driemaal mede op den kop van het begijntje en hij zei dan met een stem die zoo zoet was als nachtegaal-gegorgel bij zomeravond:
"Wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!"
Cicielken kroop aarzelend recht en vette zweetdruppels leekten over heur vertrokken aangezicht. Ze snakte naar asem van schrik en wou zich weer laten vallen. Maar de oogen van Jezus waren in de heure gericht en ze blonken zóó zacht en medelijdend dat het menschken weer moed vatte.
En hij hernam:
"Cicielken, wat moet dat bedieden. Ze roepen daarbuiten om mij".
Nu moest ze 't gaan zeggen, heur grove fout belijden! en God zou heur zekerlijk doodslaan met zijn staf van vuur, het kon niet anders.
En ze begon te snikken en ze stamelde het uit:
"Niets, Mijnheerken lief! niets! ik weet dat niet!"
Jezus deed zijn schoone oogen toe en vroeg ten derdemaal:
"Cicielken! wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!"
En zij dan:
"O! niets, Mijnheerken-lief! 't was mijne schuld niet! 't Waren zoovele zwarte venten! met messen! met messen!"
De woorden versmoorden in 't felle gesnik.
In de verte kraaide een haan en Jezus hief de rechterhand omhoog en berispte:
"Dat deed Petrus ook!"...
En hij nam heur bij de hand, en hij leidde haar naar de poort, door 't portaaltje, alwaar de stoelen holderdebolder gesmeten lagen. Vanzelf ging de groote poort open.
In den nacht huilde en tierde de herfstwind.
Stilaan werden de dingen en de huizen opgelicht door de klaarte die straalde uit Jezus' lichaam.
En Cicielken zag op de kerktrappen de doorstoken lichamen heurer zusters in nachtgewaad en ze hoorde het laatste reutelen van hun adem in de bebloede kelen. Ze lagen er al overhoop en door malkaar gewrongen dat het ijselijk was om te zien.
Dat waren de slachtoffers der woeste venten met hun witte, groote messen, en zij, Cicielken, 't portieresken, die de poorten bewaken moest, had dat volk binnengelaten!
De menschen waren hun huizen ontloopen, zoo goed als het ging, de wonden toenijpend met hun stramme vingeren, om ten minste tot aan de kerk te geraken en er te sterven, dicht bij hun heerken Jezus. Maar de armen! ze en konden niet binnen, de poorten waren toe. De sterksten waren de trappen op gekropen, hadden rusteloos op de poort geklopt.
De moorders hadden gemakkelijk werk gehad met de verschrompelde menschkens van 't Begijnhof. Ze hadden de zakken zwaar gevuld met gouden keldergeld. Toen er niets meer te vinden was beproefden ze wel de kerk in te geraken, maar het plotse luiden der klok in den nacht had hen met schrik geslagen zoodat ze 't allen op een loopen gezet hadden, alsof de duivel op hun hielen zat.
De arme vrouwkens op de trappen jammerden en kloegen en vroegen vergiffenis van hunne zonden aan God den Vader en God den Zoon en God den H. Geest goedertieren, om toch maar niet in het vagevuur te moeten!...
En toen was Hij buiten gekomen... "Ecce Homo!"...
Dat verheugde de stervende lieden danig, en ze lieten hun wonden weer openbloeden, om zoetekensaan te sterven in den glans die Hem omstraalde. Ze zouden niet in het vagevuur gaan, want ze hadden Hem gezien en dat was een zoete spijs geweest, en een schoone vergiffenis! Ze dachten niet langer aan hun gestolen goud, aan hunne wonden, maar verblijdden zich uitermate in de aanschouwing van Hem, die het Lam Gods is. Zoo gingen ze een voor een dood en hun zielkens voeren ten hoogen hemel op.
Toen is Jezus weerom binnen getreden met het angstige begijntje bij de hand. De poort ging toe en de duisternis dekte alles buiten en de herfstwind hernam zijn dolle buitelvlucht.
In de kerk echter was het alles licht.
En Jezus zette zich op 't steenen banksken en zijn schoon gelaat boog voorover en hij keek zeer droef. Hij zei weer met gedempte stemme:
"Cicielken! Wat moet dat bedieden? Daar buiten riep men mij!"
En het hijgende Portieresken drukte heur handen op den boezem als om den wilden slag van heur hert te bedwingen, ze zonk op heur knieën en de verzwegen waarheid hokte in verwarde, rauwe kreten over heur dunne, bloedlooze lippen:
"Ja! ja! 't is mijne schuld! Heer, 't is mijne schuld! Ik heb de mannen binnengelaten! en ik heb groote straf verdiend! Ik zal het boeten! ik zal het uit boeten! álles! álles! wil ik doen! maar geef me toch vergiffenis! geef me toch vergiffenis!! Ik zal naar Jeruzalem gaan! op mijn bloote knieën zal ik er henen kruipen en putten kussen in uw heilig graf!..."
De woorden gutsten uit heur mond, ratelden in heur keel en ze snikte er tusschendoor, zag den schoonen Jezus smeekend aan, om een uitkomst aan heur bitter leed.
En hij roerde de handen, zegende heur.
"Ga dan, Vrouwken! die zonde is u vergeven!"
Daarop stortte Cicielken neer, plat ter aarde, de armen wijd open en ze kuste de kille steenen waar hij gestaan had. Ze weende en loech tegelijk van groote vreugde.
En als ze 't hoofd weer geheven heeft was de kerk in 't duister verdwenen en 't beeld onzichtbaar in het donkere zij-kapelleken. Vóór het altaar danste het godslichtje in het roode glas.
Cicielken klom de trappen op, sloeg heur armen om het beeld, streelde den ruigharigen kop, streelde de doornenkroon en kuste het op de koude bestofte lippen.
Maar het beeld roerde niet. 't Was steen, beschilderde steen, waar de moe-luie dagen waren overheen gekropen en het ontverfd hadden. "Ecce Homo!"
Dan is Cicielken op het Godslampeken afgegaan, dat ze, door de bibbeling heurer vele tranen, van verre pinken zag. Ze heeft voor het altaar lang geknield en langs het sakristijpoortje kwam ze buiten.
De morgen hing in de lucht en hier en daar, in de goot, in een deurgat of dwars over de straat lagen er lijken. De vensters der huizen stonden haast alle open en de gordijnen flapten als vaantjes in den wind.
En toen viel er een vinnigrood sterreken, uit den hemel tusschen de grijze wolkenrompen door, en het was percies als het lampeken in de kerk.
't Bleef al meteens hangen, vlak boven heur hoofd en schoof zoet voort, met een roode sprankelstreep achter zich, die schoon recht liep, als de staart eener komeet, trots al de zotte herfstwinden.
Cicielken zag die ster, ze verschoot en ze lachte, want dat was het teeken, en ze heeft haar gevolgd met heilige vreugde.
Zoo, zoo ging ze naar het Heilig land van Christus... naar Jeruzalem.
VAN ZUSTER KATHELIJNE EN 'T LIEVEVROUWKEN
Het groote jaarwiel draaide langzaam rond, met zijn licht en zijn donker.
En als de spie waarop in blauwe letters "Sinte Margaretha" geschilderd stond, zich liet gewaar worden, als de jongens 's avonds hun gloeiende lollepotten zwaaiden; als de meiskes op straat in ronde dansten en met helle stemmeken zongen:
Is Mijnheer Pastoor niet 't huis?... 'k zou hem eens geren spreken t'avend in zijn huis...;
als de knapen beeten gingen uittrekken en er duivelsmoelen in kierven om ze 's avonds, met een brandende keersken er in, rood-gloeiend langs eenzame straten te zetten dat het den meiskens den schrik op het lijf joeg; dan ontwaakten Kathelijne en Geertruide, de twee begijntjes uit het "Suverlik herteken van Jezus", schudden het alledaagsche gedoe van hunnen rug en kregen een wondere welgezindheid in hun hert.
Het jaarlijksche feest der zoete patrones van 't Begijnhof naakte en er kwam een lange vent het huizeken genoemd "Suverlik herteken van Jezus", witten, het hofken vóór 't huizeken oprijven en er bonte bloemekens planten, en 't houten hek, de luiken, de vensterramen en het deurken met een lichtgroen kleurken beschilderen. Een peeke van 't Godshuis kwam de gerskens tusschen de bollende straatkeien uittrekken want dat groeide er welig, en zoutwater gieten of andere dergelijke remedies en kortte niets.
En zoo stond het huizeken daar nu, rein en frisch in den blanken zonneschijn, met gouden vlammekens in de ruiten, als een blij gebed.
En 't begijntje Kathelijne was welgezind als ze 's avonds door de stad ging om specerijen en brood te koopen en de kinders rond zag gaan met hun lichtjes, die waren als vurige, wiegende bloemen boven de lachende gezichtjes...
"Neen", peinsde ze dan, "'t en duurt niet lange meer... nog vijf dagen en 't is Margrietje en dan gaat de processie uit en dan!..."
Ze verkreukelde zich aan 't genot dat ze smaken zou, preutsch in een wit, wit kleed met veel kant en witte bloemen er rond, en mede dragend de zilveren relikwiekas van de heilige Begga. Nog vijf keeren slapen! O! Ze peinsde aan de vijf nachten en aan de vijf dagen en hoe die zijn zouden. Wat zou er zooal kunnen gebeuren?
Toen werd ze droef, Kathelijne. Er kon nog zooveel gebeuren!
En als ze in heur frisch bed lag dien avond en ongestoord begon te denken aan de vele gebeurtenissen, die 't schoone feest konden verhinderen, aan 't een of 't ander onheil dat heur beletten zou in 't witte kleed de Sinte-Begga-kas te dragen, werd het heur zoo vreemd te moede. Ze wou bidden en vele vaderonzen lezen om die naarheid te verdrijven; maar ze vond de woorden niet om te beginnen! en dan gingen heur gepeinzen onwillekeurig weer naar de processie en hoe heur plaats ingenomen werd door een ander! Op 't einde viel ze dan toch in slaap van 't danig tobben, en heur slaap was ledig en hol.
Maar opeens piepte heur deur open en zie! 't Lievevrouwken van Geertruide stond op 't bed aan 't voeteneind in een wolkje van gouden licht. Haar wit brokaten kleedje, geboord met gulden papegaaien, hing stijf als een kegel om heur heen en 't bolle gezichtje bewoog onder het hooge zilveren kroontje. In heur oogen zaten zilveren vlammekens.
Kathelijne bezag het beeldje met gulzige oogen en ze had er een zoet genoegen aan. 't Was zoo schoon in het donzige licht en levend ook! Ze bleef het aldoor bezien en ademde zacht, om het licht niet te storen. Ineens verroerde het beeldje en 't begijntje dacht dat het zou heengaan, terug op den schouw in Geertruide heur keuken; en ze vroeg smeekend: "Lievevrouwken?... blijf nog wat?..."
't Lievevrouwken duwde heur houten pollekens uit den nauwen mantel, neep nijdig de lippen op elkaar, en bitste toe:
"Ik kom u zeggen dat ge niet in de processie moogt gaan".
Dat ging scherp als een rijgnaald door Kathelijne heur hert. Ze voelde een krop in de keel, en snakkend naar asem vroeg ze: "Lievevrouwke toch!... waarom nu niet!... 'k doe het sedert zoo vele jaren!"
En 't beeldeke, koeltjes, lachte:
"Ge gaat er niet in!... Ik zegge 't aan Menheer Pastoor!"
Kathelijne dierf niets meer zeggen, maar snikte, snikte dat heur lijf er van schokte. Ze borg heur hoofd in de lakens om 't beeld niet meer te zien en ze weende 't uit, heur wrange smart, ze huilde en kreste luidop. Heur verdriet schoot lijk een waterval uit heur hert, en door heur hoofd spookten plots ongewone dingen in zotten wirreldans: tafels en stoelen met duivelskoppen, lanteerns en inktpotten met beenen en armen, spinnekoppen die uit pisbloemen smoorden, alles dooreen lijk een spokendans.
In den morgen, als de schoone zon uit den grond rees en een weelde van gouden licht door de witgewassschen gordijntjes heen op de roerlooze kamermeubeltjes tooverde, ontwaakte Kathelijne.
De schoone klaarte boorde door heur doezeligen gedachtengang en wekte in heur vlokken van beelden, onsamenhangend eerst, maar die stijgend, 't een na 't ander, zich schikten en hervormden den akeligen droom. Ze draaide zich om en wou er om lachen! Wat was 't een weerken, en blauw de lucht! Maar de lach verging op heur lippen, en ze zag het Lievevrouwken weerom en ze hoorde vlijmend het bitsig gezegde: "En ge gaat er niet in, Kathelijne!" Deze woorden sprongen door de kamer, schril en nijdig, op maat van den knersenden tik-tak der hanghorloge, dat ze het er van op de zenuwen kreeg!
Zou het dan toch gebeuren? Zou ze dan toch niet mogen? En ze lag te dubben en te peinzen in heur wit bed met pimpelende oogen en de onderste lip tusschen de tanden.
En waarom zou het nu niet zijn? Ze had toch geen zonde begaan? Ze liet heur gepeinzen dalen in heur wit zielken, zoekend of er hier en daar in een hoeksken geen zondeke stak. Maar ze vond niets. 't Was alles wit, sneeuw-wit, zoo wit als heur lochte processiekleed, dat ze gisteren met voorzichtige vingeren uit de kas had gehaald en dat daar nu, op een stoel, in 't volle morgenlicht lag te schitteren, als 't ware een kleed van licht, als had het 't zonnelicht opgezogen dat in den jongen morgen door heur vensters zeefde.
Kathelijne keek er naar, bedroefd. Ze bekeek de fijngelegde pijpkens en strikskes langs de boorden en op de borst; ze zag naar de stralende gulden perels die 't halskraagsken berankten met zilver... Zoo ging ze in de processie, blank en rein in het hagelwitte kleed, onder het waaiende purper der vanen, die klapten boven heur hoofd, dragend eerbiedig, met drie andere, kranige begijnen van 't Hof, de zilveren relikwiekas.
Daar hoorde ze 't sleffen van trage voeten op de trap en treden die kraakten. Kathelijne luisterde, veegde het nat uit heur oogen en ze had zich nauwelijks bijgelegd, of Geertruide stak heuren kop in de deur:
"Zuster Kathelijne! ge blijft zoo lang te bed. toch niet ziek he? 't Zou spijtig zijn voor Zondag! Menheer Pastoor zit beneden naar u te wachten!..."
De deur klonk toe. Geertruide was weg en weer sleften op de trap heur trage voeten, de gang door en de keuken in.
Wat kwam Menheer Pastoor nu doen? 't Was zeker voor de processie. 't Kon niet anders. och Heere! als die maar geen slecht nieuws bracht! Ze zou hem bidden, hem paaien met zoete woordekens: 't was toch zoo'n goede vent!
Ze trapte het bed uit en kleedde zich gejaagd.
Heur witte kleed straalde aldoor in het helle licht en de zon schoof tusschen de bebloemde gordijntjes een gouden tapijt, met krullen en blaadjes op 't effen witgeschuurde plankier. Zoo lag de heele straat ook schoon, vol bloemen en lisch en riekend kruid als de processie uitging.
En 't Lievevrouwken had gezegd: "Ik zegge het den Pastoor" en nu zat de Pastoor beneden te wachten... Hoe groote angst steeg heur weer naar de keel, en heur herte zwol, alsof het bersten ging.
Kathelijne was nu gekleed. De zon schoof achter een wolk. Ze haastte zich de trappen af.
Menheer Pastoor stond aan het venster en keek naar den hemel, waar een donkere, goud-omrande wolkenromp verder zeilde. Hij draaide zich om en knikte gemoedelijk: "Goen morgen, Zuster Kathelijne".
't Begijntje boog het hoofd, schuchter.
"Dag, Menheer Pastoor".
"Kathelijne", zei de man, "Margrietje piskous komt weer met heur gewater af. 'k Dacht van morgen vast, 't wordt schoon weer vandaag; maar zie, daar hangt een zwarte-zuster met breede rokken vlak voor de zon heur gezicht. 'k Geloof dat het zal regenen!"
't Menschke ademde diep... het was niet over de processie! De Pastoor zag er blij uit! Voor wat kwam hij nu? Misschien om een aalmoes voor de zielkens in 't vagevuur.
"'t Zou zonde zijn", ging hij voort, "want dat nattig weer werkt fel op mijn rhumatism!... Wij beginnen al oud te worden, Zuster Kathelijne!"
Ze knikte toestemmend.
"Gij wordt ook oud! en als een mensch dan niet wel en is, slaapt hij wat langer!... Gij zijt zeker ook een beetje ziek, Zuster?..."
't Begijntje zei ja, om heur laat opstaan te verbloemen. Maar nauwelijks waren de woorden vervloten, of ze kreeg een groote spijt over het gezegde!
Menheer Pastoor keek heur goedig aan met zijn diepe oogen, en zijn mond plooide compassielijk. Hij knipte "ja... ja..." en kneep eventjes de oogen toe.
Het was donker geworden. Blinkende regendruppels stoven op de ruiten en kletsten er uiteen in kleine lekjes. De lucht was grijs. De daken der huizen, blauw en rood, blonken van het nat.
"Daar hebde 't al!" zei hij en hij wees naar buiten. "'t Zou spijtig zijn voor de processie!"
Wat kwam Menheer Pastoor nu toch doen? Hij stond daar met zijn hoed te draaien en vertelde zoo'n nietige dingen.
"Ja Zuster, ik kwam om over de processie te spreken".
Daar had ze het! Het Begijntje ging aan 't knikkebeenen, zette zich op een stoel en slikte den krop door die in heur keel wrong.
"Ja Zuster Kathelijne! ge zijt tusschen dit en een jaar fel verouderd, peins eens, twee en zestig! en dan die slijmziekte die nog in uw lijf zit, ge weet het wel!"
Ze rilde op heur stoel.
"En nu Zondag moest ge de relikwiekas dragen, he? Zuster! 'k Zou u aanraden 't niet meer te doen!... 't Is zoolang, twee uren met dat gewicht op uw schouders loopen, is 't niet?"
Ze kon niet antwoorden, heur keel was toegenepen!....
"Ja, ja! ik heb er met Moeder-Overste over geklapt en ze zei het ook. Nu zult ge de processie zelf eens zien, Zuster, want die hebt ge in tien jaar niet meer gezien, omdat ge er zelf ingaat, ja! ja! Juffrouw Geertruide zal dit karweitje eens doen".
Hij lachte gemoedelijk. Hij sprak nog over ditjes en datjes, maar als hij zag hoe suf Kathelijne daar zitten bleef, peinsde hij, dat ze ziek was en ging met een "tot later, Zuster!" de keuken uit.
Nu was 't begijntje alleen. Ze zat roerloos als een steenen beeld. Plots sloeg ze de handen vóór heur gezicht, viel met den kop op tafel en weende. De tranen liepen tusschen heur beenderige vingers lijk glazen perels.
Het was waarheid geworden. Ze had willen sterven! Ze mocht de heilige beenderen der lieve Sinte-Begga nooit meer dragen! nooit meer! En dat in heuren goeden, ouden dag. Het wee wrong diep in heur hert, vaster en vaster, en zou er nooit meer kunnen uitgerukt worden! Daar was toch niets meer aan te veranderen! Weer knepten de hakkende woorden door het kamerruim: "En ge en gaat er niet in!... en ge en gaat er niet in..." Toen werd het heur duidelijk dat het de schuld was van 't Lievevrouwken, dat bij Geertruide prijkte op het schouwblad. En in heur groeide de haat, zoodat ze er heur verdriet bij vergat. Ze weende niet meer, kneep de tanden vast op elkaar en siste:
"'t Is uwe schuld!... uwe schuld he?... maar ge zult hier weg! ge zult hier weg!... ge moet hier weg!"
En ze herdacht zich den droom en sterker groeide in heur de haat!
Het regende buiten.
Nu was 't Zondag en de blijde zomerzon hing als een felle monstrans hoog in het smetteloos blauwe van den warmen hemel te gloeien en op de witte gevels van 't Begijnhof leekten heur gouden en zilveren water.
Geertruide kwam uit het lage deurken van 't huizeken genoemd "'t Suverlik herteken van Jezus" schoon in het witte kleed. Ze bleef eventjes staan in het hofken vol blauwe en oranje bloemen, en ze keek rond. Op den lochten sluier, die in lijnige plooien van heur hoofd om heur schouders ruischte, stond een zedig kroontje van blauwe bloemekens, lijk zoete starrekens. De gouden borstspeld en 't kruis schitterden in 't felle zonnegespeel.
Ze straalde rijk aan zinderende licht en heur gezicht bloosde onder de sneeuwen blankheid van heur sluier.
Ze dierf niet opzien, want ze wist dat de menschen heur bekeken.
Kathelijne zag heur achterna, door de gordijntjes, trappelend van jaloerschheid.
Dat was nu de werkelijkheid. Alles wat het heksige Lievevrouwken heur had toegesnauwd tijdens die vreeselijke nachtmerrie. Ze had de vreugde van Geertruide gezien als Menheer Pastoor heur zeggen kwam: "Zuster Geertruide, ge moogt Kathelijne in de processie vervangen" en 't haastig ja-knikken van heur gebuurvrouw. En nu zag ze Geertruide weggaan. Nu kon ze alleen blijven en ongestoord heur verdriet laten knagen lijk een doornekroon om heur bloedende hert.