Begijnhof-sproken

Part 5

Chapter 54,106 wordsPublic domain

Hij ging heen alsdan.

De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde zoodat Baldwienus niet spelen kon 's avonds in zijn hofken.

Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den dood van den simpele.

Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.

Als een waaier van vloeiend licht vulde de morgen den smetteloozen hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet en 't Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge Lente woei zoete reuken over het land.

Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!

En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus in de hoogmis maar niet spelen liet!...

Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.

Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een brandende braambosch van al het licht.

Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op 't oxaal. Heur asem ging snel en diep als van iemand die sterven gaat en ze moest telkens met geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.

Er kwam veel volk naar de mis.

De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte Baldwienus met de fluit onder den arm...

Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...

De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje uit de sakristy vóór 't altaar verschenen, botsten opeens haar handen als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, maar hun stemmekens versmoorden in 't felle geronk.

Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.

Baldwienus zou nu spelen.

Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...

Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het wondere lied door de ademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was als een lentewind in 't jonge riet.

Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.

Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele omkransten...

De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar 't oxaal, gansch verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de hoofden geheven, en naar 't oxaal staarden als in een droom. Zelfs de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.

Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand bewust... God! Baldwienus' spel! wat had het uitgewerkt op 't devote begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...

Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...

Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...

En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug naar God keerden...

Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.

Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van smart. Ze stond bij de vier andere begijntjes die ook droeve mysteries verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.

De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome lieden. De lucht zinderde van 't bronzen gelui der klokken.

En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon van levend vuur, in de peerse schaduw van 't blauwe baldakijn, uit de kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter kerk was nog niet pijnlijk genoeg geweest! nu moest ze Jezus-Kristus verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....

Maar als ze aan 't Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen kop uit 't vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...

Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.

En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 mysteriën.

De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten over het land en zoete geuren hingen allerwegen.

Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij 's noens om eten kwam, hoe zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan toch te verhooren. Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.

's Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen luisteren en zij hen God zou laten zien.

En zie, op een zekeren dag kwam de simpele niet op 't middaguur. De drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe voeten naar het huisje van Baldwienus.

Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.

Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: "In een gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou..."

Ze knikte hem toe, troostende: "Het zal wel beteren, Baldwienus". Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.

In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes die geknield rond het ziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar hij onnoozel was en communiceerde hij niet.

Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.

Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.

Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden aangestoken nevens 't hoofdeind en de Pastoor bad de litanie van den Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in 't midden van 't gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:

"Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!..."

Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en gaf ze hem.

Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.

Hij zuchtte.

"Ik kan God niet meer roepen... 't Is gedaan. Agapieta, hier is de fluit... Gij zult God zien!"

Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.

De pastoor las voort het onderbroken gebed:

"Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!..."

En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z' is recht naar den hemel gegaan.

Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had de lang gewenschte fluit nu en in 't groote geluk van dezen oogenblik verging heur vroeger wee en leed.

Ze had zoo'n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals ze Hem eens gezien had! Maar 't was verboden muziek te maken op 't Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...

En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.

Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig door de gordijnenspleet naar de fluit die lijk een streep klaar licht op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...

En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich en sprak lijze:

"Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!..."

En dan verdween hij.

Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en geen klank kwam er door. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze besefte de waarheid.

Zij was de schuld van Baldwienus' dood. Zij had voor zijn dood gebeden, gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen haat! en zij was zondig voor den Heer!...

Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur hert kromp ineen van schrik...

Ze viel plat neer op 't kouwe plankier en ze snikte. Zij was moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, zij zou de hel in!...

En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in 't gezicht vol afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest en daarvoor is er geen vergiffenis!...

Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogen streelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!

Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de roode en blauwe daken van 't Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta kon niet meer bidden! 't Was nutteloos! En alle begijntjes knielden neer in 't gras wanneer men op 't kerkhof, in 't hoeksken nevens de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen losbarstte.

De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het was toch onmogelijk.

Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof den Pater--die een preek hield over den H. Paulus--hoorde zeggen dat van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.

Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde. Hoe snel vloot heur bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, boeten! heur heele leven als er maar 'n greintje hoop gegeven werd terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...

En 's anderensdaags trok ze van 's morgensvroeg naar een stil dorp dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben en hij legde heur een groote boete op. Hij berispte heur nog eens, herhaalde de boete en gaf heur den zegen.

Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.

Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!

En dien zelfden avond nog speelde zij.

Het deemsterde over 't Begijnhof en op de witte geveltjes lag de rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.

Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen hij sprak van "God zien". En zuster Agapieta vertelde alles.

De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; die Heilige Baldwienus toch!...

En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:

"Kunde gij dat ook, juffrouw?"

En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde triomfantelijk:

"Ja! ik kan dat!"

Ze smeekten te gare:

"Doe het dan, juffrouw Agapieta!..."

En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van menheerken Valentinus den heremijt.

Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de begijntjes, die vóór het hekken stonden.

Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.

De begijntjes weenden van geluk.

Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta. Hij bracht de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.

Het bliksemde en het visioen sloeg weg.

Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta als een brandende braambosch in heur deurgat.

De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.

En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van 't begijnhof liepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:

"Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien en wist niet dat er geschreven staat: "Wie God wil zien moet sterven".

En alle zusterkes die daar nog stonden, knielden neder en baden voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.

En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, heel klein putteken.

DE AANKONDIGING OF DE STRIJD TUSSCHEN ELIAS EN DEN ANTIKRIST

I

De dagen van verschrikking en beeldstormerij waren sedert onheuglijke tijden van het begijnhof verdwenen, en zij, die ze beleefd hadden, lagen in de kerk onder de kille steenen begraven.

Nu was er rust en vrede over het begijnhof en de goede lucht hing vatbaar in de straten.

De witte winters, waarin de lange gebeden doorvoeld werden, gingen zonder geluid voorbij en de zomerzonne was als een gat in den hemel waaruit alle de goedheid des Heeren leekte in deugddoende vlammen, die de simpele begijnen-hartjes met de hoop der zaligheid verwarmden. En 's nachts, wijl alles in droom verdoezelde, stond de maneschijn als een groote zegen op de witte gevelen. En geen hart in die stilte vermoedde wat komen zou.

Slechts Menheer Pastoor, met zijn grijze hoofd voelde dat onder deze gedegen rust een onheil opgroeide, maar hij kon niet bepalen wat het zijn zou. Soms dacht hij dat Sodoma en Gommorha uit de hei zouden oprijzen en dan kneep hij zijn oogen dicht van benauwdheid en bad het Sint-Jansevangelie... dan weer peinsde hij op al de slechte driften die ópspoten in Babylon, en zoo aan alle zonden die 't arme menschenhert komen tempteeren... maar bepaald en wist hij niets.

Op een dag dat men hem een nieuwen tikkenhaan thuis bracht vond hij in de doos een dier slechte gazetten, die al te veel gelezen werden! Hij had er nooit een in handen gehad, want hij leefde te veel in God en verlangde naar geen wereld... en hij, zoo zwak daarbij en de verleiding zóó sterk! Hij wilde de gazet wegwerpen maar de nieuwsgierigheid steeg... stéeg... wat gebeurde er daar buiten zooal?... en na een kruis geslagen te hebben, las hij aandachtig...

Hij schrok voor de godslasterende gedachten, die vóór zijn oogen, zwart op wit, te lezen stonden: "Kristus heeft het gezegd, eens zal de Antikrist komen!... Hewel! laat het ons vrijvrank zeggen, pogen wij het geslacht te zijn waaruit hij zal geboren worden, waaruit hij zal opstaan om de heerschappij van ál wat nu is omver te werpen!..."

Hij rilde! 't was of de donder vóór zijn voeten neer sloeg! en bleek lei hij 't vuile papier weg!...

Nu wist hij wat sinds zóólang in zijn brein aan 't wroeten was, nu kende hij 't onheil dat knaagde en groeide onder de schijnbare rust van 't slapende begijnhof!... de Antikrist!...

En de goede man, die leefde voor de zaligheid van zijn begijntjes, kon er bijkans niet meer van slapen en als hij even sluimerde, spookten voor zijn oogen de gruwbare zonden die 't goddelijk vuur uit den hemel riepen...

't Was de Nethe die achter het Begijnhof naar den einder spoelde, die wies en stijgende over de dijken in 't land bruiste, alles meesleurde, boomen en boschjes, die de poorten openklotste en de stille straten schuimend overwaterde, de huizen binnenspoot, de trappen op, altijd hooger en hooger, spijts het klagende bidden der geloovige zieltjes, die door het kolkende water werden opgezogen... Hijzelf, staande op den toren, zag dat... En plots werd het water rood als menschenbloed, en aan den einder kwam een zwart schip aangezeild... De Dood stond aan het roer en op het vóórsteven rees als een zwarte zuil de Antikrist in een ovaal van vuil geel... En vóór 't Begijnhof gekomen zei hij tot den Dood: "Hier moet ik zijn"...

Hij schoot wakker en toen rilde de oude Pastoor van angst en aan elk haartje bibberde een droppel zweet... Hij bad en vastte opdat die droom nooit waarheid zou worden...

En hij las nog gazetten om het slecht te kennen en het beter te bekampen. Hij wist nu dat de zonde groot werd en zwol over de wereld en alle harten binnenspoelde, om te worden het groote water waarop de Antikrist de wereld zou binnenvaren... En hij voelde zich angstig, en kon zijn leed alleen niet opkroppen en hij vertelde over de nakende tijden aan de begijntjes, die sidderden en huiverden bij 't vernemen dat de zwarte dagen, erger als de zwartste tooverij en beeldstormerij van vroeger, weer zouden aanbreken!...

Het teeken zou zijn een zonsverduistering. 't Zou plots in den dag donker worden en de duivels zouden over de wereld loopen lijk driftige wolven om in de menschen te komen.... Men moest dan in een vat wij-water springen om al de hollekes van zijn lichaam dicht te houden en drie paternosters te bidden...

De rust week van 't Begijnhof en door de huizen slierde een angstige adem... Vroeger baden de menschjes uit devotie, uit liefde voor hun Hemelschen Bruidegom, nu prevelden ze gebeden uit vrees en angst... En de pastoor maakte een litanie tegen het gevaar voor den helschen Antikrist:

God die zijt de fontein van het goed, doorspoel de harten der menschen opdat het kwaad er in verstikke.

Heilige Maria, Moeder Gods, leg uw tranen in de oogen der menschen, opdat ze zouden weenen en niet bekoord worden door de ijdelheden der wereld.

Heilige Hieronymus, zooals de steen waarmede gij uw borst besloegt u terug tot God voerde, maak alzoo al de steenen waarmede bedekt is de aarde.

Jesus Christus, Zoon Gods, die zijt het licht van de wereld, schut onze oogen door uw licht, en we zullen geen ergernis zien.

Heilige Petrus, sluit met den sleutel van den Hemel onze harten opdat de poorten der Hel tegen ons niets vermogen.

Doch dat hielp niets. De vloed werd sterker en zou weldra de dijken overspringen, om de wateren der zonde in het land te spoelen, waarop de Antikrist moest komen aangevaren.

Er leefden toen op het Begijnhof, drie begijntjes met schoone ongewone namen: Rodegunda, Hildegardis en Godelieve. Ze woonden saam in een wit huizeken achter den grooten Kalvarieberg, en ze leefden daar gerust in de gestadige aanwezigheid van Onzen-Lieven-Heer die gebroken in den schoot van Onze-Lieve-Vrouw, onder het lochte gewuif van zeven populieren op een aarden terpje, in witten steen gekapt stond. Sneeuw en regen, en zonneschijn en maneschijn tuimelden erover met wisselende krachten, maar het bleef wit als een bloem, en 's avonds liet een rosse lantaarn er zijn droeve licht op lekken.