Part 3
En hoe verteerd was ze van liefde in den herfst-avend,--buiten verijlde 't licht tot schemer en zwart als roet wat daartegen de ceder-boom voor heur deur,--toen ze na lezing van de ontvangst der Christi-wonden in stille wijding dit tafereel herleefde! Ze verging in vlammen, ze voelde zich bijkans niet meer, enkel brandden, als doorboord van vuur, heur hand-palmen en heur voeten en de plaats waar heur hert zat. Ze voelde zich dronken van wellust en hoe fel de vijf wonden ook pijnden, vergat ze zich zelf en ze genoot eindeloos. In den donkeren ontwaakte ze uit die roes en ze dankte God om 't geluk heur geschonken. Ze lei zich te bedde, moe en afgemat van lichaam, maar met een hert zoo licht en vroo als een fonteintje in de zon.
En telken dag bracht het boekje heur nog meer in vervoering en ze kon er niet van uitscheiden te zingen:
"Geloofd zij mijn Heer God, voor alle de scepselen ende in 't bisonder voor mijnen broeder, den Heere Zon; hij is het die verlicht den dag; hij is schoon ende glinsterend ende klaer buitenmate en van groote fraeiheid, want hij draegt uw zegelmerk, Mijn God!"
"Geloofd zij Mijn Heer God, voor mijne suster die Mane ende voor die sterren: gij hebt hen schoon gemaekt ende klaar in den hemel".
"Geloofd zij den Heere voor onse Moeder die Aerde, het is zij die ons voedt ende ons stut, zij brengt voorts allerhande vruchten en de fruit en de bloemen van zoete kleuren ende die kruidekens!..."
God! toen keerde zich Begijntje Wivina's hert in heur boezem om! Ze snikte en vluchtte 't huizeken uit en liep langs de poort der Marollekens den buiten op...
Hoe schoon was het land in den herfst vol fijne nevels en hoe deugdelijk rook het hier! Heur hert zong cantieken van lof en dank en ze dankte den Heer en Sinte-Franciscus mitsgader, om het lieve leven dat ze heur gegeven hadden en dat ze nooit gekend had! Wat waren de dagen nu vol en zoet als de honing der biekorven, met de Zon en de Maan en de Wind en het Water! En elken morgend bracht heur ongekend genot, elken morgend zag ze schooner en rijker de waereld en ze vond er rede in den Heer te loven en te danken met gelukkig hert...
Maar stillekens aan, toen de regen en 't hondenweer heur binnenshuis hielden bij 't heerdvuur, kwam heur ziel weer onder de betoovering der oude dingen in huis. Ze zag weer de schotels en de pottekens en de vazen met welgevallen blinken, luisterde aangedaan naar den gulden tik der horlogie en ze vond er genoegen in, 's avends, alle de bruine keersen aan te steken. En in hun gouden kleerte hield ze het gouden vaasje Davids op de hoogte heurer oogen en ze verkneukelde zich aan zijn vorm en zijn geschiedenis en zijn koleuren. En heure kinderlijke ziel vond er geen kwaad aan. Sinte Franciscus ging uit heur herte, maar toch dacht ze nog aan hem en ze begon zich angstig te voelen en vol weemoed. Hoe schoon en sterk was het leven met hem, met zijn schoonen overmoed en de berusting in God!... En hoe kleintjes was het rond die antikiteitjes als verpoozing tusschen de diensten Gods! Maar heur ziel hing aan dien ouden kant en de zijden lappen en het zilver-werk en de schilderijen in wier geur ze gekweekt en gewonnen was! En o! het vaasken Davids! Toen ging het hert van Zuster Wivina op en neer als de tij der wateren en ze wist niet aan wat zich te houden! 't Eene streed tegen 't andere en ze had groot verdriet!...
En eens op een regendag dat het buiten goot dat het kletste, zat ze voor heur venster moe van het dubben, besluiteloos wat heur te doen stond. Ze boog het hoofd en bad om een uitkomst. Heur smeekende gedachten gingen naar God! Buiten stroelde de regen blauw en bij pooze stak de wind op en woei en huilde rond den zwaaienden ceder-boom. Wivina keek door 't venster over het kerkhof; en de wegelingskens waren als beken. En zie! groot was heur verwondering een pater te zien aan het kapelleken van O. L. V. van Zeven Weeën, schuilende achter het gordijn van lekken die van het schaliëndaksken dropen. Hij was blootshoofds en zijn pij plakte aan zijn lijf, nat als een dweil. Wivina verschoot. Het wierd heur zoo vreemd te moede. Ze dacht aan Sinte-Franciscus en ze voelde zich zijn dienst-maagd. Ze trok heur rokken even op, wilde naar buitenloopen, door den regen plassen en den man verzoeken binnen te komen en zich te warmen. Maar toen ze de deur opentrok, stond hij al voor heur, mager als een geraamte, met een bleek lang gezicht en den dunnen baard lekend van nattigheid. Zijn pij was verscheurd en door de vouwen zag men zijn ingevallen lendenen. Zijn voeten waren beslijkt en gekwetst van de steenen en de doornen der wegen. Maar klaar waren zijn oogen en wonderzoet als kon men er den hemel door zien, en een glimlach opende zijn smallen purperen mond.
Wivina heur hert bloeide open als eene leliekelk en een ongekende vreugde beving haar. Ze zakte op heur knieën, viel plat op den grond, kroop buiten door de plaskens, omhelsde de arme, zeere voeten.
"Lof zij den Heere! om mijn broeder den regen die me den grooten Heyligen brengt! want hij is schoonder in den regen en den wind van het najaar dan de bloemen in de zon! Ik heb zijn voeten omhelsd en het slijk gekust, want heilig is de Armoede die 't herte vrij-maakt en weergeeft aan den Heer!"
Aldoor viel den regen en Wivina heur kleeren waren doorweekt. Maar ze voelde het niet, zóó was heur hert ontstoken van liefde.
En Sinte-Franciscus hief heur van den grond.
"Zuster, sta recht!... zie de regen kust het stof van mijn wezen en wascht mijn pij! De regen drenkt de aarde en is de zegen des Heeren! Geloofd zij den Heer! om den regen! Zuster! die ons wascht ende zuivert!"
Toen zijn ze binnen gegaan. De tapijten waren nat van hun voeten en 't bekleedsel der eiken, hooggerugde stoelen bekeuzeld van het water hunner kleeren.
"Zuster! Zuster!... wat bedieden die pottekens en de lappekens en de kleedjes hier? De menschen hebben het gemaakt en ze hebben de werken Gods vergeten. Hoe veel schoonder zijn de blommekens en de kruidekens! en de wolken en de stormen die spreken de tale van Onzen-Heer-God! Luister naar Zijne stem, Wivina! Geef deze dingen aan den armen opdat ze, er geld van gemaakt hebbende, brood en kleedsel voor koopen!... Steek uw hert buiten dit graf van een huis, Zuster, zie op naar de zon en de maan en de sterren en den regen, vergeet dat ge zijt een menschenkind, om te worden een kind van God!... Zuster! verlaat dit huis!... en dien die edele Vrouwe Armoe die is het wezen van God zelf!"
Wivina voelde de woorden in heur hert dringen ze voelde de bekoring der vrijheid in de Armoede en ze kon wel seffens worden het Gods-kind waarvan sprak Sinte-Franciscus! Ze look heur oogen van 't geluk, zag zich gaan langs de wegen, kommerloos levend in den Heer! Hem dankend en lovend als de leeuwerik in de locht, en al de vogels en de konijntjes en de vossen en de wolven heur vrienden! Ze zou alles doorstaan met hem, den grooten Heylige, kou en honger, met verlodderde kleeren dat de wind er door heen kon, 't was allemaal lijk door een rozentuin, als ze maar met hem mocht mee gaan!
En in die uitspruiting van innig geluk en zaligheid riep ze geknield:
"O! Sinte-Franciscus, laat mij meegaan met u! ik zal u volgen langs de doornenwegen, voor u bedelen en aan de molensteenen draaien! Mijn handen zullen dik zijn van de blaren, mijn fijne vingers afgestompt als teenen en mijn voeten gezwollen van de kou! Maar laat mij meegaan en den glans van uw groot licht in mijn oogen dragen!"
De tranen liepen over heur wangen, en heur woorden versmoorden in snikken.
En Sinte-Franciscus sprak:
"Ik dank u, maar om mij moet ge niet meegaan, wel om God, in wiens handen ik maar een nietig en luttel gersken ben. Ik ben van waereldschen komaf en mag uw liefde niet aanvaarden, Zuster! Geef uwe liefde aan God! Kom mee met mij, maar eerst moet ge arm zijn, als de bloemen des velds, zij bezitten geene schatten. Morgen roept ge de arme menschen te saam en ge geeft hun al wat ge hebt. Ze zullen blijde zijn want de tijden zijn zwart, het graan is dor in de schuren en de aardappelen zijn rot; ze zullen uwe schatten verkoopen en hun winter zal warm zijn van stil geluk. Doe het, Zuster in den Heer Jezus, morgen kom ik u halen!"
Ineens verdween hij en waar hij gestaan had, vlekte het dubbele bloedplasje van zijn heilig-doorwonde voeten.
III
En den anderen dag liet ze de arme menschen komen en na den noen zag het Begijnenkerkhof zwart van het arm volk: vrouwen met schreiende, bleeke kinderkens op den arm; vuile venten met ongeschoren gezichten en pruimenden mond; kreupelen op krukken en lammen gezeten in bakskes op wieltjes die ze met twee houten strijkijzers voort-stompten; zieken bleek en mager als de dood; bulten, zatlappen, vechtersbazen, zonnekloppers en honderden kinderen. Ze groeiden er als uit den grond en met processiën kwamen ze aldoor afgesukkeld. Ze stonden er zoo opeengedrumd dat men wel over de koppen kon loopen.
En Wivina, die van achter de groene ruitjes al dit wachtend, gulzig volk zag was er danig van ontroerd. Zij had pijn in het hoofd. En in heur hert streed het lichaam tegen de ziel. Ze kon heur gedachten niet bijeen houden, lijk zotte bokken sprongen ze door malkaar. Al die schoone potten en 't weefwerk eerbiedweerdig als relikwieën, 't zou nu in die vuile handen gaan en verkocht worden voor wat steenkool, aardappelen, zwart brood en misschien ook voor jenever. 't Zou in andere huizen verloren staan en in gruis vallen van verdriet, om de troeteling der zoete gepeinzen en woordeken die ze moesten missen. Woonden deze capucienen-serviezen, Indische kastjes en doosjes, Delftsche vazen niet als broeders ondereen, die door hun gedurig samenzijn elkanders weerde verhoogden? Wat bleef er over van den ouden gobbelijn in het huis van den eersten den besten kruidenier, als de andere voorwerpen er niet bij stonden? had het dan nog meer weerde dan een beeldeken van een cent?
Ja, ze zou ze geven, om den Sankt te volgen, maar bij poozen wenschte ze wel, dat al dien luister van haar nobele, roemrijke voorouders in gruizelementen vloog, liever dan bezoedeld te worden. Er ging een priem door heur hart als ze dacht hoe de kopjes en tassen waarin hun dubbel wapen gebakken stond, op arme-menschenschapraaien zou staan of ievers in een stamineeken. Sinte-Franciscus vroeg het en ze moest het geven!
Buiten klonk het luide spreken tot een gemompel en dan tot een geroep.
"Gade nu beginnen, juffrouw begijn? of houde gij ons voor den zot misschien?"
Ze kwamen op heur ruiten kloppen, schopten tegen de deur.
"Komde nu voor? zeg?..."
Ze ging loom naar de deur, maar zie, daar stond het vaasje Davids in zijn schrijn van wit fluweel. Ze had er reeds zoo dikwijls aan gedacht, maar telkens had ze het afgeweerd. 't Gaf heur zoo'n pijn! Nu stond het volk vòòr de deur, het uur was aangebroken en ze moest nu álles weggeven. Heur hert begon te kloppen en 't was of er een vlam door heur hoofd sloeg. Ze drukte het vaasje tegen den mond en ze weende.
"O! wonder ding! gij gaat van mij niet af; niemand zal het weten, niemand zal het zien, hij zelf niet!"
Ze stak het vaasje in heur borst-doek, klopte heur kleedsel fijn en zeer verblijd om den plotselingen vondst het duurbare vaasje toch te kunnen behouden, trok ze de deur open.
Een blij gejuich steeg uit den drom en duizend armen gingen boven de begeerige uitgerokken koppen. Ze staken de handen uit en vuur kwam in hun oogen. Ze gaf alnaargelang ze het vond. Aan die een Japansche vaas, geen een theeservies gewikkeld in florentijnsch weefsel, die een oostersch tapijtje, een ander een torentje telooren. En het volk kwam dichter onder groot geroep en gestoot en duwde Wivina binnen. Mannen die blind schenen waren het ergste, er waren kreupelen die hun krukken wegwierpen en lammen die uit hun karreken sprongen en loopen konden. 't Was lijk het leste oordeel, een waar mirakel. Ze drongen binnen, vulden de kamers, vroegen niets meer, maar grabbelden, stolen en pikten en daar was ruzie om den gobbelijn om den lutrijn dan en weer om het zilverwerk. Oud, gouden geld rinkelde op den vloer, er klonken vloeken, kletsen en ruwe kreten, er wierd gevochten, mannen rolden van de trappen, vazen en potten braken, kinders en vrouwen kresten en er sloeg bloed op den muur. Men liet ze vechten, men pakte maar, men scheurde het kostelijk leder van den muur, gaf stoelen door de vensters aan, de schilderijen werden boven de koppen gestoken en weggedragen, men wierp volle winkels uit het zoldervensterken en eer 't een half uur verder was, reden ze met hun buit weg op steekkarretjes en kruiwagens. Het pleintje was verlaten. Hier en daar lag een stuk stoel of teer-gekleurde scherven.
Een stond er nog, die niets had gekregen. Het was een bleeke jongeling met fijn haar en met eeuwen verdriet op het magere gelaat. Hij stond bij de deur, rillend van kou. Wivina was gelukkig in heur huis, leeg als een notedop, om de vreugde van 't bewaarde vaasje en de komst van heuren Bruidegom. Nu bezat ze geen knop meer, en ze verwachtte hem, den Vader der Armoe.
De avond ging komen. Het begon heur te verwonderen dat hij niet kwam. Ze keek naar buiten en zag den bleeken jongeling staan.
Zij ging er heen en vroeg:
"Man, wat staat ge hier te doen?"
Hij meende te spreken, maar schoot in een hoestbui. Als 't uit was zei hij hakkelend en met verdriet in de stem:
"Ik heb nog niets gekregen".
Zij verschoot, dacht aan het Davidsvaasje, het eenigste wat ze nog bezat en ze loog:
"Maar man, ik heb niets meer!... niets!"
"Ge zult nog wel iets hebben, Zuster! zoek maar eens als-'t-u-belieft. Ik ben alleen met mijn vader en we zijn allebei ziek. Zoek maar eens als ge wilt?"
Hij bad zóó smeekend, om den duivel zijn hart warm te maken. Maar Wivina, al weende ze om zijn ellende, kon het laatste niet geven, en ze sprak met brekende stem:
"Man, ik heb niets! zoek! kom binnen!"
"Neen, 'k blijf hier. Gij zult nog wel iets vinden."
Ze keek uit of Sinte-Franciscus nog niet kwam. Dan zou ze van dezen man af zijn, die een wonde slaan wou in heur hert.
Maar de avend viel met den regen en de Heylige kwam niet. Roerloos bleef de jonge man tegen den muur geleund en af en toe, met pijnlijk vertrokken gezicht, spuwde hij zijn hoest-buien uit.
Wivina weende, omdat hij niet kwam, dien ze verwachtte. Zou hij 't weten van het vaasje? En indien hij het wist, wat gaf hij om een vaasje? Ze hield het niet om zijn uiterlijke waarde, maar om de historie die was als de ziel van het kleinnood. Het hoofd beroerd door woelige gedachten sliep ze in op de bloote plaveien en als ze 's morgends wakker wierd stond de jonge man er nog. Hij tempteerde haar en ze begon het huis af te zoeken, van op den zolder tot in den kelder, om toch nog maar iets te vinden. Maar ze vond niets dan gebroken goed.
"Vriend, zei ze, ga naar menheer Pastoor, hij is rijk, hij zal u geven".
"Die geeft niet, zuster! Och zoek toch eens goed! Ik ga sterven!"
Ze weende zich zot om de ongeloovigheid van den man en om Sint-Fransiscus die niet kwam. Ze kreeg honger. Ze ging naar Menheer Pastoor om een boterham. Maar hij wist van Sint-Franciscus niets en viel ruw tegen haar uit.
"Zijt ge nu zot geworden? om al dat gepeupel op 't Begijnhof te roepen en er al uw schatten en kostelijkheden aan te geven, in plaats van aan ons arm kerksken. 'k Zou me doodschamen. Alleman zegt dat ge zot geworden zijt en 'k zou 't gaan gelooven ook. Ik zal naar den doktoor gaan en u naar Gheel doen sturen! Zijn dat nu manieren?"
Ze beet op de lippen, boog deemoedig het hoofd, gelukkig om de vernedering en om den heilige die komen zou. Vaagjes ging ze weg. De pastoor riep heur achterna:
"Naar Gheel! ja! naar Gheel!"
Naar heur huis, waar een blind peerd niets kon omverloopen ging ze niet, uit vrees voor den armen jongeling die heur vaasje wou hebben. Ze ging naar de Begijnenvest om te zien of Sinte-Franciscus nog niet kwam, maar de velden waren verlaten in den ijzigen mot-regen en er was geen levende ziel te zien. Zij bleef wachten, geduldig. Zij wandelde door slijkerige wegen, langs den Nethedijk, en door de zompige beemden. Ze was nat tot op het vleesch en de honger pletterde in heur lijk een zwaar gewicht. Ze kloeg niet. Als hij maar kwam, haar verloofde, die heur zou leiden door de grasperken en hovingen des hemels, dan wilde ze alles wel uitstaan. De vroegen avend viel in en met rood-bekreten oogen keerde ze terug naar heur ledig huis. Zij kwam drie begijnen tegen, die heur achterna keken en spottend lachten. De arme jongeling stond nog aan de deur, even geduldig en kalm als den eersten keer. Weer ging zijn hakkelende stem.
"O! Zuster Wivina geef me toch ook iets! Ik durf naar mijn vader niet gaan met ledige handen".
En ze zei, met de handen op de borst:
"Ik heb niets, niets!"
Ze deed de deur goed toe, maar dien nacht heeft ze geen oog geslapen. 's Morgens was zij bleek en zeer mager geworden van ontbering, pijn en verdriet. Het was nu den derden dag. Ze ging buiten om ter mis te gaan. Het was nog half donker.
"Hebt ge nog niets gevonden?"
Hij stond er nog. Ze verschoot. Het vaasje woog als lood op heur borst. Zou ze het geven?
"Maar man! ik heb mijn heel huis afgezocht en daar is niets! niets meer! Ik ben zoo arm als Sint-Franciscus".
De jonge man was bedroefd en hij keek heur weenend aan.
"Wivina, Wivina! als ge zoo arm zijt, dan zal het vaasje Davids wel luttel van weerde zijn als de steen der straten!"
Ze liet een kres, begreep hem, vluchtte binnen. Ze haalde het vaasje uit heur borstdoek en zie! het was gelijk de steen der straten! kil en vuil, een halve kareel!
Zoo lang ze was sloeg ze op den grond en heur hert was gebroken. Iemand maakte heur wakker met kloppekens in heur holle hand. Ze opende de oogen en Sinte-Franciscus zat op zijn hukken naast heur.
"O! riep ze! ge zijt gekomen!"
Ze werkte zich op de knieën, wierp den steen weg, kuste zijn kleed en besproeide zijn voeten met heur tranen.
"Ja, zei hij, ik ben gekomen, maar ge zijt nog niet rijp voor den hemel, Zuster Wivina. Terwille van een luttel vaasken, een ijdelheid, hebt ge God en mij belogen. Ik was de arme jongeling".
Ze sloeg de handen voor heur gezicht en huilde, verteerd door spijt.
"Had ik dat geweten! Had ik dat geweten! Ik had het u zoo geerne gegeven!...o!"...
"De kleine zielen spreken zoo, Zuster Wivina. Uw ziel is nog niet rijp. Bemin onze lieve Vrouwe de Armoe! leef om heurentwille en God zal u genadig zijn! Verlaat het Begijnhof, dwaal over de waereld en leef gelijk de voskens en de konijntjes en loof Onzen-Heer-Jezus-Christus! En de hemel is u toegezegd!..."
Sinte-Fransiscus schoot in een blauwen wolk achteruit en verijlde in de smoor-lucht.
't Begijntje weende, maar heur ziel was licht en ze dankte God, verlost te zijn van het vaasken. En zie! als ze recht stond, en naar den kareel zocht, zag ze, dat het weer het vaasje was. En ze heeft het genomen en op de plaveien laten vallen en 't verging in scherven. De vreugde schoot als een vierken wakker in heur hert, ze glimlachte, stapte buiten, groette den ceder in deemoed en de kerk waar God woonde, groette de wolken en den mot-regen en zoo, met vroom en blij gemoed is ze door de waereld getrokken, God lovend en dankend.
DE IVOREN FLUIT
I
Baldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.
Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van 't Vagevuurstraatje--vlak over de woonstee van Agapieta die in de kerk de orgel speelde,--in een laag, vierkant huizeken, waarboven een schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoeken vulden, sleet hij zijn leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag hij 't straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.
Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen geurden in 't licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: "Onze Vader!... Onze Vader!..." en nog vele "Onze Vader", want het volgende "die in de hemelen zijt" en vond hij nooit, hoe hij zich den geest ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende processies van martelaars en heiligen!
's Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem gaf, in 't portaaltje van de pastorij; en 's middags haalde hij bij Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga's in 't zelfde huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de konijnen van Gommaar, den koster.
Zoo leefde hij door de dagen.
En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...
Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met een klaar lied.
Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.
En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken van den arm glijden en sloeg de handen saam.
De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: "Wat moete gij hebben?"
Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: "Nikske, mijnheer Pastoor... konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor".
De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd gezeten was op een mossigen boomstronk, bracht hij het witte speeltuig aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, 't woud was al klank, 't was of alle boomen zongen, of 't allenkant kristallen klokjes luiden!