Begijnhof-sproken

Part 2

Chapter 24,040 wordsPublic domain

Zij nam het goede voornemen de waters niet meer te bezoeken, al was het daar nog zoo goed. Eerst kwam haar gevoel in opstand en om tot rust te komen moest ze toch maar eens bedenken dat ze de verloofde van Ons-Lief-Heerken Jezus was en dat de pastoor door Hem was aangesteld om over haar te waken. Hij had de macht en was in verbinding met God. Zij schikte zich in heur lot, maar bad binstdien heur schoonste gebeden, opdat weldra deze benepen toestand eindigen zou. Zij was dan blij met deze uitkomst, en om zichzelf te overtuigen van haar onderwerping aan Gods wil, bracht ze het schipken en de schilderij naar den zolder... Er kwamen tranen in heur oogen als ze de duurbare voorwerpen in de zwarte koffer borg, ze gaven heur toch zulke zoete herinneringen!... Ze meende van den zolder te gaan, maar daar hoorde ze ievers onder 't dak een jonge spreeuw schreeuwen. Ze dacht aan het gesloten zoldervenster, liep er heen zonder grond te raken, trok het koortsig, haastiglijk open en ei! in fijne zon en lichten wind, lagen de velden met de Nethe er door! Een blijde kreet ontsnapte haar mond! Daar lag de rivier zilver gekronkeld, ruischende populieren rezen bezijds de boorden en gebolzeilde schepen waaiden èr door. Suska haar bloed danste in heur lijf van welgenoegen, ze lachte en z'had het willen uitroepen, een groet aan de Nethe, maar ineens herinnerde ze zich 't bevel van den heer pastoor; de Nethe was voor heur een verboden vrucht en om heur zielezaligheidswille mocht ze daar zelfs niet meer aan denken.--Zij sloot het zolderdeurken en viel toen weenend tegen den muur.

Ze moest van den zolder loopen, om niet opnieuw het deurken open te doen.

Zij voelde dat de drang om aan het water God te loven, sterker was dan haar zelven, en toch mocht ze niet, wilde zij de hel niet ingaan...

De hel met haar vlammen en zwerte duvels maakte heur zoo bang, dat ze niet alleen het water niet meer zou willen zien, maar zelfs haar eigen ging kastijden. En zij liep naar heur kamer het bovenkleed uittrekken en begost zich met de pinnekenskoord van Menheer Pastoor te geeselen, dat heur hemd scheurde, het bloed langs heur beenen dreef en zij met een kres in onmacht viel. Als ze weer opstond was ze zoo moe en afgemat, dat ze op heur bed moest gaan liggen. Felinks lag vóór het bed op het tapijtje. En dan kwam er een droom 't begijntje Suska troosten... het blauwe water, de varende schepen en de wind in de krakende zeilen, en 't schoone open land waarboven de zon vlammen lachte. En in dien zelfden droom kon ze bidden, zooals ze in waarheid aan het water kon, en heur hert vond kantieken van dank en lof, die weergalmden over het droomenland.

't Was avond als ze wakker wierd. Ze kleedde zich en ging mistroostig naar beneden. Felinks volgde haar en had stille schreeuwkens, want hij zag dat zijn meesteresse iets mankeerde. Er stond maneschijn op de gevelen van de huizen en zoo bleef zij lang zonder licht zitten. Ze voelde dat ze het niet kroppen zou; nooit de Nethe meer zien! en ze wenschte te sterven om verlost te zijn van haar nijpende verlangens.

Felinks vroeg om achter te zijn, zij opende de deur voor het hondje en de maneschijn kwam zilver binnengevallen, de frischte van den nacht deed haar goed en zij bleef, geleund tegen den deurstijl, de lucht inasemen. De hemel was blauw en de volle maan blonk hoog in de lucht. Heel effekes boven 't muurken zag ze de boomenrij der vesten, waarop de maan heur zilveren paljetten lekken liet. De avend was zoo goed en achter 't muurken steeg de aangename reuk van 't hooi omhoog... Het deed zoo wel aan haar gebroken hart. In de boomen begon er een nachtegaal met zijn perelklanken te spelen en ze luisterde aangedaan. Maar door het volle lied van den koninklijken vogel hoorde ze in de nachtstilte geplas van riemen in het water.

God! het water! Ze meende binnen te gaan, om de bekoring geen tijd te geven, maar ze kon niet, er was in haar iets machtiger dan de wil en ze bleef staan. Daarachter lag de Nethe en ze mocht haar niet zien. "O God, laat mij de Nethe nog eens zien! O maar één enkelen keer!"

In heur gedachten zag ze al het landschap. Maar kan de pastoor niet mis zijn, poogde ze zichzelf wijs te maken... En als ik het nu eens doe en het dan ga biechten?...

Op 't einde wierd haar verlangen zoo groot, dat ze alle recht meende te bezitten om aan 't water te wandelen. Zij kon zich niet meer tegenhouden. En met "nog maar één keer, nog maar één keer", zette ze het leerken tegen den muur, klom er op, liet het langs den anderen kant neer, meende er af te klimmen in den beemd.

Maar Felinks begost te bassen en uit vrees dat hij begijntje Stommels zou wakker maken, nam ze hem in den schoot en daalde met hem neer in den beemd. Toen liep zij met rappe voeten door het natte gers, naar de Nethe. Felinks liep haar voor...

Heur ziel zwom in zaligheid en zij wandelde den dijk op en overzag vol aandoening het water, de beemden en de velden in het teedere, ijle licht van de melkmaan. De sterren waren bleek en de lucht rook naar de fijnste bloemen en kruiden.

Weer zag ze de schuit liggen, gemeerd en gestaafd, donker te droomen op de krinkels en de rondekens van het blinkende water. Ze vergat den Pastoor en de hel, en dronken van genoegen, ritste ze den dijk af, trok het schuitje bij kant, sprong er met het hondken in, greep de riemen, roeide naar 't midden, en liet zich alstoen drijven met de tij mee.

Ze voelde zich los van de aarde, los van alle bestaan en licht als een drijvende reiger, hoog boven de kleine wereld.

Zij trilde van 't geluk, sloeg heur armen op de borst, en met het blije gelaat geheven, liet ze zich op het water gaan, en ze hommelde het slepend lied:

"Het viel eens Hemelsch dauwe In een klein Maagdekijn".

De populieren langs den dijk wuifden hunne kruinen, het water bibberde van het licht onder den nevel en de kruiden op den kant bliezen de ziel der moederlike aarde in de fijnste reuken ten hemel!... Was me dat een geluk om bij te smelten en in geurende olie te vergaan! En het water lispelde tusschen het oeverriet, kabbelde tegen het verderdrijvende schuitje en Suska zong met volle stem haar dank uit.

De maan blonk boven de blauwe schimmen der populieren op den dijk en over de beemden sluierde een lenige nevel op...

Toen gebeurde het, dat aan den bocht der Nethe, alop het water, een witte gedaante aangewandeld kwam. Het was alsof hij langzaam schaverdijnen reed. Hij kwam dichterbij en 't was een man met ronden, witten baard, kaal hoofd, en hij was gehuld in witte kleeren. Hij hield een grooten, gouden sleutel in de hand en schoof met korte, onvaste streken almaar verder. De hanen ontwaakten t'allenkanten en heinde en ver klaroende hun gekraai. De man vertraagde zijn vaart, kwam naar het langzaam drijvende schuitje gegleden en vroeg aan Suska:

"Is 't Begijnhof nog ver van hier?..."

Suska had hem met een benepen hert zien aankomen, maar toen zij Sinte Peterus herkende, week haar schrik en vervuld van een hemelsche blijdschap was ze vlug van zeggen:

"Ginder aan den derden bocht, en mag ik u er naar toe varen, Sinte Peterus?"

Ze kuste zijn kleed.

"Ik zal 't wel vinden", zei hij, "hartelijk bedankt."

En hij wiegde verder.

Toen meende ze dat ze droomde, maar ze zag de maan op heur handen. Zou er een wonder gebeuren? vroeg ze zich af. En met angst liet ze zich verder drijven. Ze had het wel gewild en met kloppend hart zat ze het af te wachten.

Maar zie! toen groeide uit den nevel een klein walvischken, waarop de profeet Jonas, met zijn langen baard en grooten kop, gezeten was. Het walvischken sloeg met zijn steert en roeide dapper verder stroom op.

Maar bij Suska gekomen, zei Jonas tot den visch: Hô! en de visch bleef voor het schuitje liggen wiegen. Jonas vroeg:

"Als 't ublieft, ik die in de oude tijden geleefd heb, toen hier in 't land van Rijen alles nog zee was, zoudt gij mij niet zeggen kunnen waar het Begijnhof is?"...

En Suska wees het hem. Zij meende te vragen, wat er te doen mocht zijn, maar hij vaarde verder en het water dobberde en klotste tegen het oeverriet.

Voor zij van deze tweede verwondering bekomen was, kwamen er tien smalle, hooge snekken, met vele vaantjes aan de masten, aangezeild en daarin zaten wel honderden magere, smalle maagdekens in witte gewaden, en op hun fijngekamd haar droegen ze smalle rozenkroontjes. Ze hielden allemaal de handen samen en zongen fijne liedekens.

Een voor een voeren negen schepen Suska voorbij en alle de maagdekens knikten heur vriendelijk toe en ze glimlachten.

En op het voorsteven van de laatste schuit stond een magere vrouw, die was tweemaal zoo groot als al de anderen en zij droeg een breedplooiend, blauw zijden kleed dat glansde in den maneschijn en op heur lang, smal gezicht blonk een hemelsche kleerte. Dat was Sint-Ursula. Ze vroeg met een fijn nachtegaal-stemmeken:

"Als 't belieft, Zusterken Begijn, 'k geloof toch wel dat het Begijnhof niet ver van hier meer is?"

"O neen, ginder, het torenke blinkt in de maan."

"Danke wel!"

Er woei een geurend windeken. De tien zeilen zwollen en even op zij hellend schoven de snekken vooruit. De maagdekens zongen. De maneschijn lei matten glans op de bovenste ronding der buikzeilen en de masttop gloeide daarboven als een dubbele ster....

En dan dook er uit het water een zwart menschenhoofd met tulband, en een neger trok zich aan den rand van het bootje naar boven. Hij schudde zich en blies als een hond. Felinks, het spitsken, baste naar zijn zwert gezicht, maar de Heilige Moyzes van Ethiopiën zei:

"Wijs beestje, wijs beestje!"

En daarmede kwam Felinks kwispelsteertend naar hem.

"Als 't u belieft Begijntje", zei hij, "is 't Begijnhof nog ver van hier?"

"Neen, zeer Heiligen Moyzes, ginder achter de breede vesteboomen".

"Dank u zeer!" zei hij, en plomp! hij sprong vooruit en zwom met krachtigen armslag, als een kikvorsch uitgerokken, verder door het zilveren water.

Suska vroeg zich maar gedurig af wat er wel te doen mocht zijn aan het Begijnhof.

Ze stond recht om het te zien, maar 't was ginder al smoor en watertinteling.

En ineens dacht ze: misschien wordt daar een ieder heilig verklaard, behalve ik, omdat ik te veel van het water houd. Zal ik nu niet verdoemd zijn? Ze wierd ineens bang en was terneergeslagen. Maar daar, in een draaienden ronde van goud licht, op een gouden schip, waarrond naakte engeltjes fladderden, die met peren en appelen en druiven speelden, op gouden fluitjes floten en op beenen citerkens klonken, zaten hand aan hand Jezus en Zijn Lieve Moeder, allebei in 't blinkend blauw en frisch lijk hagedoorn. Een zwerm van witte duifkens met roode pooten trokken het schip; er ging orgelmuziek op uit het ruim en er waren reuken die iemand deden sterven van zoetigheid.

Seffens knielde het begijntje en zag verrukt dit goddelijk schouwspel aan. Het schip hield voor haar stil en op een gebaar van den blondgebaarden Lieveheer stond zijne zoete Moeder op en sprak tot Suska:

"Kom hier op het schip met uw hondeken, gij deugdzaamste en nederigste onder de kinderen Begga's. Uw doen was ons aangenaam en uw gebeden en liedeken hebben wij schoon en oprecht gevonden. Kom in, o dochter van het water, de Heilige Geest heeft uwe stem gehoord".

En aanstonds viel er van het schip tot het vuile naar visch riekende bootje een brug van licht en daarover is Suska tot in het schip geklommen, gevolgd van Felinks haren hond.

En terwijl Suska niet bekomen kon van haar geluk, dreven ze naar 't Begijnhof. Daar waren wachtend de Heiligen, haar voorbijgevaren. En als 't schip voor 't Begijnhof stil hield, omringden de snekken, Jonas, Petrus, en Moyzes het schip en allen zagen naar de lucht.

"Zeg nu vaarwel aan 't Begijnhof", zei Ons-Lieven-Heer en dat was een stem zoo zuiver, zoo doordringend en onweerstaanbaar-schoon dat Suska daarbij tranen goot van aandoening. En zij knikte tegen het Begijnhof.

En Jezus zeide: "Gezegend dit Begijnhof, waar een heilige heeft gewoond". Hij zette zich terug naast zijne moeder.

En zie de wateren stonden op, en rezen tot een hoogen blinkenden berg in de lucht, tot aan de maan!

Er kwam van alle kanten gezang en het schip voer met de heiligen en met Suska den waterenberg op. Zij rezen snel lijk pijlen en toch bleef de beweging zoet, zij kwamen al dichter en dichter, de maan wierd grooter en grooter, heur licht schitterender. En zie, Suska die altijd gedacht had dat de maan een schijf was, zag nu dat het niet anders was dan een gat in de lucht, waardoor heen het licht van den hemel op de aarde viel.

En uit de maan kwam er een zwellend gezang van miljoenen engelenstemmen. En daar zag ze een wemeling van regenbogen over gouden en porseleinen daken en torens. Rozen, pioenen en tulpen regenden op fijn doorblinkerd gers, engelen, paters, eremijten, allen in de fijnste koleuren, dansten zingend rond laurier- en gouden appelsienenboomen, wandelden door zilveren gangen en bazuinden uit alle torens den welkom toe aan Suska, de jonge Waterheilige die door al die schoonheid geroerd, niets anders kon doen dan weenen, dronken van geluk. En ze vaarde de maan door, den schoonen hemel in.

En in den vroegen morgen, dat de eerde nog blauw was, vond de visscher zijn platbebodemd schuitje niet, aan het Sas gemeerd. Hij liep den dijk af, want het water stroomde op en zou het losgeraakte bootje terug brengen.

Maar zie, bij 't Hofken van Ringen, zag hij een zwart en witte vlek te midden der rivier. En als hij nader kwam zag hij dat het een begijntje was. Ze dreef ruggelings, hield de handen ten gebed saamgevouwen en heur bleek, glimlachend gezicht stak boven 't water uit. Gele en witte en purpere bloemkens dreven rond heur en 't rook daar wonderlijk aangenaam.

De visscher trok de muts van 't hoofd, knielde neer in 't natte gras en hij bad met vroom gemoed tot de nieuwe heylige die de wateren aanbrachten op een eilandeken van bloemen.

Paschen 1908.

HET SACRIFICIE VAN ZUSTER WIVINA

In die wondere dagen, woonde, achter het oude kerkhof en bezijds de kleine kapel van O. L. V. van Zeven Weeën, 't begijntje Wivina, die was van rijken huize en edel bloed en bezat een schat van de zeldzaamste oudheden, meegekregen uit het ouderlijk kasteel.

Jezus met zijn zoete moeder en al die heiligen, waren met hare antikiteiten het geluk en de vrede van haar nobel leven. In de kerk ging haar ziel gelijk een wierook naar omhoog, daar bestond er niets dan de hemel voor haar in al zijn gulden glorie, maar eens te huis begon ze seffens te genieten van haar antiek.

O! haar antiek, dat beschaduwd was door den geest harer roemrijke vaderen, die steeds waren de bloem van het middeneeuwsche ridderdom. O! dat antiek, waarin zij heel haar voorgeslacht voelde en elk voorwerp sprak van hunnen grooten luister, dapperheid en edelmoedigheid.

Zij kon er uren naar zitten kijken en mettertijd waren al die weelderigheden haar zoo lief, neen nog liever dan menschen geworden.

Ze bezat een ongemeenen schat, deze Juffrouw Wivina, die was lang van gestalte en smal van gezicht, met weemoedige groote oogen, die altijd in 't verleden schenen te kijken naar ver verwijderde tijden; en terwille van haar hoogen stand zeer teruggetrokken was, tegenover de andere begijnen die meestal burgerdochters of blozende boerenmeiskens waren. En bij dien schat kon ze heur hart ophalen en vrijelijk de vlucht van heur gepeinzen laten vliegen.

Hoe leefde en bloeide ze daar, te midden die oude meubels, tapijten, platen, beeldekens en pottekens. Van als ze in heur huis kwam, beleefde ze aanstonds die zoete gevoelens. Daar in het witte, gewelfde trapportaaltje stond de hooge, gebeeldhouwde horlogiekast met den zwaren zon-slinger in zijn buik en de koperen cijferplaat, rijkelijk gegraveerd en beschilderd met een helle hertenjacht. Ook stond er de dierenriem op en de maantijden. Traag en deftig ging die slinger met een geronk als 't begin van een zwaren klokketoon; hij was overal hoorbaar in haar stil huizeken en zij kon er naar luisteren als naar een voorname vriendin. En als het uur sloeg, begon daarbinnen in het hoofd der kast alles te ratelen en overhoop te loopen, dan viel het ineens weer stil en klonken er al naar 't getal der uren, uit die plechtigheid vol-guldene klanken op die uiteencirkelden lijk waterkringen en door al de vertrekken heen zoemden. Dat was lijk het kort lied van een engel voor haar en ze had soms gewild, dat ze heel den dag door die zoete klanken hoorde. Hoe dikwijls heeft ze niet achtereen de groote wijzer voort gezet opdat zij aanhoudend de stem van de guldene klok daarbinnen aanhooren kon?...

In den hoek onder het smalle portaal-venster stond een met leder-beslagen koffer, met ijzeren scharnieren en daarin hield Wivina geborgen ouden kant en vreemde, bebloemde zijden lappen die waren als wonderen van teedere of vinnige kleuren in het witte licht.

Aan de muren, in glazen kastjes, hingen zwartomlijste landschappen die openden vergezichten op hemelsche landerijen met laurieren en oranje boomkens op de heuvels en rood en blauw bebloemd gras langs blonde wegen, die sierlijk slingerden naar omwalde steden, met porceleinen kerken en pinakels, fijnder bewerkt dan venetiaansche kant. Er hing een groot statig portret van een geharnasten ridder, met schoone handen en stouten blik, een harer voorvaders wellicht. Boven de twee grijze deuren prijkten hare twee geslachtsschilden, een met leeuwkens en met eekhorentjes, 't andere met een witte ster op blauw veld en een rooden haan op een bleeke hand. Er lagen tapijten op den grond en van de gewelfde zoldering hing een zwart-ijzeren kroonluchter met lange, bruin-wassen keersen in. Zoo was het alreeds in 't portaaltje, en wat moest het in de huiskamer dan zijn?

In het schuchtere licht dat door de looden ruitjes zakte, stond hier alles streng en zeer voornaam en elk voorwerp scheen meer weerde te hebben dan in de open lucht. De muren waren met kostelijk goud-leder behangen, en een groote tapijt bedekte den muur, met erop bleeke vrouwen met torenmutsen, die rond het ledig graf stonden met tranen in de oogen, en gouden balsempotten in hun handen. In de verte was een witte stad en weerskanten van het tapijt, nevens de omlijsting van fruitguirlanden, onder blauw-bladerige boomen, zag men Jezus verschijnen als hovenier aan Magdalena en aan den ongeloovigen Thomas. Die tapeet had menigmaal de schaduw van haar roemrijke ouders gedragen.

Op kassen, schouwmantel en tafels stonden potten en vaasjes en tasjes, zoo fijn en teer dat men ze niet aanraken dierf; Japansch, Delftsch, Chineesch en meer, alles wat de oude geslachten in gleis en koperwerken hadden bezield was hier op zijn kostelijkst vereenigd. Achter de groene ruitjes der kasten glom het zilverwerk. Voor een open drieluik, brandde gedurig aan een lichtje in bronzen lamp en tusschen de twee vensters in, glom een koperen lutrijn, waarop lag een dik boek, in leder gebonden met gouden sloten en roode en blauwe linten. Het was het leven der heiligen, geduldig opgeluisterd door monniken uit de middeleeuwen.

Maar, in een zwart ijzeren kistje, van binnen witte fluweel, lag voorzichtig geborgen, de perel van heur huis, de krone van heur oudheden! Het was een gulden vaasje, ingelegd met ivoren krullen die teeder beschilderd waren en bezet met peerlen, diamant, saphoren en robijnen, het was een weelde van toon en kleur, en wellust van klank, van een zeldzame duurte en daarbij het kostelijkste dat heur voorgeslacht had nagelaten, een zweem van geurige oude olie doordronk het nog, het was een historiestuk, dat het beste sprak van haar verleden.

Het kwam nog van David den reuzendooder en psalmzanger; Karel de Groote had eens gezegd: "Liever beide mijne oogen kwijt, dan dit vaasje te moeten missen". Deze groote keizer had het van de Mooren verkregen tegen drie steden en veertig karren goud. Na zijn dood was het plots zoek geraakt en 't was slechts een van Wivina's voorvaderen, die het later in den kruistocht ievers bij Bysantium na harden strijd had weergebracht. En door de eeuwen heen was het voor Wivina's geslacht hun roem en hunne glorie. Nu bezat zij het, hier op het schamele Begijnhof, het vaasje, waarmee men heel Vlaanderen en Britanjen en Vrankrijk koopen kon, maar niemand sprak ze er over, uit vrees voor de dieven. Nooit heeft ze een dag nagelaten het te bezien, het te bestreelen en te aanschouwen in het spel van het schuchtere licht, maar dan waren alle deuren op grendel.

Zoo was haar huisken met al zijn praal en weelde, slechts een schrijn voor het vaasje. Daar was dan ook niets in haar huis dat meer-weerdig was dan dit heilig voorwerp.

Zoo genoot ze van haar weelde als een drinker van den wijn, en al sleet ze daar-buitenom een heilig leven en vond zij hare passie voor dien ouden luister harer weerdig, toch was men in den hemel daar niet mee kontent en God sprak Sinte-Franciscus aan, den vader van de armoede. Deze schoone heilige boog en zei: "Uw wil geschiede!"...

II

Eens op een dag, bracht Menheer Pastoor heur een boekje ter lezing. Het was smal van vorm en in leer gebonden, maar de druk was allerliefelijkst in zwart en rood, en kort waren de kapitelkens als gebeden bijkans.

Juffrouw Wivina liet een kreetje van bewondering toen ze het boekje in handen kreeg, want heur geest was verzot op fijne dingen. Ze liep er mee naar 't venster, doorbladerde het met heur lange, witte vingers.

"Wat een schoon boeksken, Menheer Pastoor! en zóó wel bewaard!"

"Ja, Zuster Wivina, schoon van vorm en schoon van taal. Het spreekt over Sinte-Franciscus en zijn bruid de Armoede. Het heeft voor titel: De blommekens van Sancti-Francisci. Want elk zijner handelingen was schoon en lief van geur. En die blommekens gevielen den goeden God, zuster, en Hij nam hem op in zijn hemel".

Mijnheer Pastoor sprak langzaam en inniglijk als iemand die er deugd aan heeft zoete dingen te zeggen. 't Begijntje luisterde aangedaan, want zijn woorden roerden heur buitenmate, omdat ze heur voorkwamen als taal van oude boeken.

En met de kitteling der deugd om hert en zinnen, traagzaam, smakkend en genietend van elk zinnetje, las ze in heur stille namiddagen het boekje der Blommekens uit. En de zoete sprake der verhalen schiepen in heur kristelijk levens-inzicht mooie vergezichten waar elke daad, elke gedachte, elke zucht, een overgave was aan Gods almachtige goedheid. Ze overzag de gaanderij van handelingen van den Heylige, van zijn geboorte af en zijn vlucht uit 't Ouders-huis tot zijn schoonen dood, ze zag zijn Liefde en zijn Armoede en ze kreeg hem innig lief. Ze zag hem op 't ende zoo duidelijk voor zich met zijn bruine verhakkelde pij, en zijn smal, klaar, open gezicht met den fijnen, zwarten baard en de zoete diepe oogen onder het hooge voorhoofd, dat ze er zich warm bij voelde worden en zich gedroeg alsof hij in levenden lijve bij heur had gestaan. De oude dingen vergat ze bijkans in die dagen, zóó fel en werkelijk leefden de Blommekens in heur hert, dat ze heur eigen leven bijna vergat en zich overgaf, ganschelijk aan de zoete betoovering van den Heylige. Ze zag hem naakt wegvluchten uit het ouders-huis en zóó groot was heure liefde dat ze zich niet ergerde aan zijn schamelheid: ze was bij hem als hij tot den wolf sprak en de wolf kwam bij haar en ze streelde zijn ruigen pels en ze gaf hem wittebrood en klottekens suiker en 't maakte heur zóó gelukkig; ze zag Franciscus spreken tot de vogels op de boomen en ze hoorde ze zingen en fluiten den Heere ten lof!...