Part 11
't Gebeurde wel eens, als de begijntjes alle te zaam waren in de groote zaal en de Moeder-Overste voorlas uit heilige boeken van Sinte-Christophorus die Jezus droeg of van Sinte-Augustinus die Jezus ontmoette aan de zee, dat ze zoo graag had willen rechtspringen en het uitroepen, het uitschreeuwen: "Ik heb ook Jezus gezien, en Jezus niet alleen weet-ge, nee, neen, ik heb de heele Heilige Familie gezien, Maria en Sinte Jozef".
En als ze daarna weer in heur kamer alleen zat was ze blij dat ze het niet gezegd had en bad ze zes Paternosters om van die temptatie verlost te blijven. Denk eens welke zonde ze doen zou met aan Sinte-Jozef ongehoorzaam te zijn. Ze ging recht naar de hel voorwaar!
Het fonteintje was nu heur leven geworden. De gebeden die ze anders ter kerke bad, las ze nu hier, in de roerelooze avonden. In de kerk smakte ze aan heur zaligheid en bad geen fits... 't was wel tegen de regels der orde, maar het was heur zoo natuurlijk geworden dat ze het niet anders meer doen kon. En had Hij van dit water niet gedronken? en was daardoor alleen, dit fonteintje niet geworden het grootste heiligdom die er bestond in het heele land van Rijen? Had hij het fonteintje niet opgezocht God weet van hoe ver! en rustte er nu niet voor eeuwig het goede oog van zijn Vader op? Was dit water nu niet het best-gewijde dat blonk onder de zon?
Het was in heur opgekomen dat ze het Pastoorken genezen kon met hem van dit water te laten drinken. Maar langs den anderen kant vreesde ze den wil des Heeren tegen te werken want wie wist nu toch bepaald waarom God het Pastoorken, ondanks Scherpenheuvel en Kruiskesberg, zoo lijden deed? In de wereld is er voor ons toch niets te doen dan te luisteren naar hetgeen van boven komt.
Met die gedachte leefde ze rustig, biddend om de temptatie ver van zich te houden.
Op een Zondag-namiddag, als de zomerhitte op het land daverde, zat Lijzebeth in heur koele keuken en las devotielijk in heur liefste boek: "De Hoeksteen van het godvruchtig en Kristen leven". Ze las het parabel "Den Barmhartigen Samaritaan of hoe men ten allen tijden de lijdenden verzorgen ende helpen moet". Ze verschoot toen ze die zwarte woorden onder heur oogen kreeg, het bloed zonk in heur voeten, want nu voelde ze duidelijk dat ze kwaad deed met het oude pastooreken niet te helpen, en zelf door de dagen te varen, onbezorgd. Ze hielp heur evennaasten dus niet. Wat zou men heur al niet zeggen kunnen, als ze verschijnen moest voor Jezus' stoel! Zij hielp heur evennaasten niet en was als de pharizeër en de leviet die voorbijgegaan waren en fel boeten zouden hun hardvochtigheid.
Toen werd ze gewaar dat een groot kwaad heur drukte, dat al het innige genot van vroeger een wazige onwaarheid was, een verdwenen begoocheling. Het withelle vlammeken dat brandde in heur hert doofde en de gouden draad die haar gebonden hield aan den Vader vervloot in de blauwende lucht. Het drukkend gevoel der eenzaamheid, van het verlaten zijn, kwam over haar, het boek ontglipte heur handen en in een snikkend geschrei barstte heur diep verdriet uit!
Ze weende, en sloeg berouwvol op heur borst: "Och Heerken-lief, vergiffenis, laat me niet alleene, ik wist niet, ik zal 't Pastoorken helpen, laat me in Godsnaam toch niet alleene!" Lijzebeth weende, en 's nachts heeft ze, het hoofd geborgen in heur peluw, de armen kruisgewijs gedrukt op heur magere borst, zoo luide gesnikt dat ze er heesch van was.
Toen de morgen zijn licht achter de aarde omhoog duwde kwam er stillekens aan wat klaarte in het arme begijntje heur ziel. Een stemmeke, nauw hoorbaar sprak heur het Pastoorken van het wondere water te laten drinken, het was immers nog tijd, hij leefde nog, zij behoefde niet te weenen, ze wist het niet, ze had gehandeld volgens heur geweten, en hoe kon een onwetende zondigen?
Ja, ja, ze zou 't Pastoorken helpen.
Ze verlangde naar den avond om water te kunnen scheppen, verlangde den heelen dag en keek gedurig aan naar de traagkruipende wijzers der horloge, die den tijd kunnen meten.
Toen de zon achter de aarde verdwenen was en de langgerokken schaduwen der boomen alles verdonkerden in de tuintjes, stond Lijzebeth reeds ongeduldig in heur achterdeurken, een steenen kroesken in de hand, om zoo gauw mogelijk maar verlost te geraken van heur grove zonde. Want Heereje! had ze zoo eens moeten sterven! denk toch eens wat vreeselijke straf heur wit zielken treffen zou! Ze hield zich vast aan de kille deurklink om niet te vallen van dat gedacht alleen!
Als het heel donker was, dat ze de bloemen en de struiken niet meer zag, sloop ze omzichtig heur hofken in tot aan het brokkelige venstermuurken, wrong zich tusschen muur en haag door in het pastoorken zijn hof en stapte vlug naar het wondere fonteintje, dat was als een groote lichtend zwaard in de wegende donkerte.. Maar ei! wat deed ze nu weeral! Liep ze hier niet op heiligen grond waar de Heilige Familie in dien stillen Meie-nacht getreden had? Ze dierf niet voort, want onwaardig was ze heur voeten te zetten waar Hij eens ging. Ze wist niet wat te doen.
Plots kreeg ze het klare gedacht hier blootsvoets te loopen en ten minste zoo dezen gebenedijden grond te eerbiedigen. Ze deed heur muilen uit, stroopte de witte kousen af de beenen en trad nader. Vóór het fonteintje knielde ze devoot neder, boog het hoofd en bad: "Geloofd zij Jezus Christus". Dan, met bevende hand stak ze het kroesken onder den neerdruppelenden straal. De druppelkens kletsten in het kroesken. Nauwelijks was het vol of ze sprong en ijlde vlug naar 't einde van het hofken, blijde met het water.
Toen ze den anderen dag aanbelde bij Menheer Pastoor, het wonderwerkend water in heur schoonste roodbebloemde kopje kreeg ze ineens een akelig gedacht: Wat doen, als ze vragen zouden vanwaar dit watertje kwam. Ze wilde aan 't peinzen gaan, terugloopen! maar daar hoorde ze den slef van de meid reeds en de deur ging open. Met stotterende stem, gansch verbauwereerd zei Lijzebeth: "Juffrouw, vergeef me, ja, hier is water, gweet, water dat geneest, voor Menheer Pastoor". Ze werd rood, als een kollebloem. De meid zei merci en kletste de deur toe.
Nu zou 't begijntje toch bekennen moeten. God toch! wat zou er dan gebeuren? Zou ze niet kiksneergebliksemd worden om aan Sinte-Jozef ongehoorzaam te zijn geweest en heur zieltje! zeg! heur zieltje dan? Het was nu eenmaal zoo en nu zou de martelie beginnen! God! och God toch! Neen! zeggen zou ze het niet, nooit zou ze het zeggen! Liever ongehoorzaam zijn aan al de pastoors van de wereld, dan aan Sinte-Jozef!
Zoo werd ze nu gekweld den heelen dag. Ze liep her en der van ongerustheid, brak drie tellooren 's middags en verpletterde heur vinger aan de achterdeur. In den nanoen liep ze de veste op, om daar wat vrede te vinden. De zon kletste haar gloeiende hitte op het zomersche land en deed alles krimpen in haar geweldig vuur. Ze wenschte dat het water niet zou helpen, alzoo bleef alles in den doofpot.
Lijzebeth wandelde den Nethedijk op in de blanke zon. Nevens haar broeide het hooggetijde water in de vlammende kleerte. De weiden en de korenvelden gloeiden in den fellen brand. Alles was stil en roerloos. De boomen stonden daar verschroeid lijk afgeleefde dingen, zonder beteekenis. Lijzebeth zag die dingen. Maar in heur kop spookte het anders! Wat had ze nu berouw de parabel van dien dommen Samaritaan gelezen te hebben! Nu was 't uit het zoete leventje in de gedurige aanwezentheid van Hem die heur zoo vaderlijk gezegend had! Ze poogde heure gedachten te verzetten met te lezen in Salomons lied en ze viel op den zin: "Mijn liefste is mij een bundelken mirre dat tusschen mijn borsten vernacht--zie gij zijt schoon mijn liefste, ja liefelijk van gedaante en het groen versiert onze bedstede..." maar ach! heur liefste ging heenvlieden misschien, want ze voelde dat hetgeen komen ging sterker was dan zij zelf. "Ach laat den Pastoor met dit water niet genezen!"
Toen het op Sint-Gommarustoren zes uur rammelde kwam ze langs het waschhuis het begijnhof in.
Maar zie wat was er nu gebeurd? wat liepen de begijnen zoo bedrijvig rond? Ze zagen Lijzebeth en riepen heur van ver: "Zeg! zuster Lijzebeth! 't Pastoorken is genezen! Menheer Pastoor is opgestaan! Het water dat ge hem gebracht heb, genas hem, zuster Lijzebeth!
Waar hebt ge dat water toch gehaald? zeg! waar? Geef mij er ook wat, zuster Lijzebeth!"
En ze liepen naar heur toe en wrongen zich om heur heen, vertellend met grooten mond en vele gebaren van het wonder. En ze baden zuster Lijzebeth: "Geef mij er ook wat voor mijn rheumathisme" en anderen: "en mij voor mijn tandpijn" of "voor mijn eksteroogen, toe zuster Lijzebeth!"
Maar zij gaf geen bescheid, want nu zou ze den genadeslag krijgen. Zeggen of niet zeggen! en o! de hel! langs alle kanten de hel! ze lachte pijnlijk en stapte vlug huiswaarts nu, immer omringd door die snappende begijnen die kloegen, kloegen steenen uit den grond om de simpele pijnen die ze te verduren hadden.
En ei! aan den draai van 't Sint-Agathastraatje zag ze Menheer Pastoor frisch en blij in zijn deur staan. Zij liep naar hem toe en bad met hokkende stem: "Och! Menheerken, vraag het niet, vraag het niet, er zit niets kwaads in! als 't u blieft! vraag het niet". Hij goedmoedig, lachte tevreden en antwoordde: "Och! 't is niets, zuster, ge moet het niet zeggen nu, 't is goed zoo, ik bedank u zeer!" Blijde vluchtte het begijntje in heur huis.
Lang nog bleven de andere zusters met koppeltjes in het straatje staan, geheimzinnig besprekend het mirakel van den dag.
Sedert dezen dag leefde Lijzebeth alleenig. De zusters schuwden heur en spraken heur nooit meer aan. Ze gaf daar niets om. De vreeselijke angst dien ze echter sindsdien uitstond van toch eens gedwongen te worden uitleg over heur wonderwater te geven, verzwakte heur merkelijk. Ze sliep er bij nacht niet van en vermagerde als een riet.
Zaterdag voor Ons-Heer-Hemelvaart riep Menheer Pastoor heur bij zich.
Nu zou het gebeuren, dacht Lijzebeth.
Wit, als het wit van heur effengestreken kapken, trad ze in zijn lage achterkamerken. De superieure en de priester zaten aan de ronde tafel. Zij ook moest zich zetten.
En hij zei dan: "Juffrouw Lijzebeth, de dingen zijn in den laatsten tijd wel anders gegaan dan ge hebt gepeinsd. Er wordt hier veel over u gesproken. Er worden geheimzinnige, vreeselijke dingen verteld over u, sedert ge me dat wondere water hebt te drinken gegeven. En ik vraag u nu, vlak te zeggen in de tegenwoordigheid der Eerweerde Moeder Superieure, waar ge dat water gehaald hebt".
Lijzebeth weende.
"Kom, ween nu niet", zei 't Pastoorken, "er steekt immers toch geen kwaad achter".
Toen beet ze hem toe in harde woorden:
"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!"
"En de gehoorzaamheid aan uwe oversten?"
"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!"
"Goed dan!" zei hij weer, "'t zal dan toch wel waar zijn!"
"Wat waar zijn? o! weet ge het dan? weet ge het dan? maar ge kunt niets weten, niets, niets, ik heb nog niets gezegd! ge kunt het niet".
Ze verstonden het anders. De superieure en de Pastoor stonden recht en gingen bevend achteruit...
"Ga! wij zullen weten wat te doen!..."
"Wat doen toch, wat doen?"
"Ga nu!"
Toen trad Lijzebeth de gang in. De twee anderen volgden. De voordeur stond open. Ei! wat al begijnen die daar stonden voor het huis, dicht tegen elkander gedrumd, wit en zwart, en met nieuwsgierige gezichten naar Lijzebeth gekeerd toen ze in het deurgat kwam. Het arme begijntje was beschaamd en dorst niet opzien.
"Wat doen toch?... zeg! wat denkt ge van mij?..."
En hij, Menheer Pastoor, stak de borst vooruit en sprak met hoekige woorden: "Liever ware ik gestorven dan genezen te worden door de macht van den duivel, nu is het leven me een vloek! een vloek!"
Daar had ge het! daar hadt ge het! hoe vreeselijk!
En al de begijnen samen barstten uit met geweldige rapstemmen, als 't kraaien van oude hanen: "Tooverheks! tooverheks! duivelskind!"
En zij toen, in edele verontwaardiging stak het witte gelaat fier vooruit en schreeuwde in hokkende klanken: "Gij slechte menschen die God lastert! neen ik! ik ben geen tooverkind! Het water heb ik geput aan 't Pastoorken zijn fonteintje! ja! aan zijn eigen fonteintje! waar de Heilige Familie aan drinken kwam, ja! ja! Jozef en Maria en 't Kindeken en 't ezelken, dat heb ik gezien! ik gezien! en daarom is het water zoo goed!" Ze kon niet verder. Heur borst hijgde van 't danig geweld.
Maar de anderen, niet geloovend, riepen woest: "Dat 's niet waar! dat 's niet waar! hoe zoudt gij! ge liegt, leelijke tooverkol! Jezus is in den hemel en de vlucht van Egypte is duizenden jaren geleden! En hoe zoudt gij? gij zijt niets meer dan wij! niets meer! tooverheks!" Toen is Lijzebeth van heur zelve gevallen, op de kille steenen van de straat.
De begijnen zijn naar huis gegaan. De superieure gebood het.
Zoo lag zij, die Hem gezien had, verlaten in de stille straat. Achter de gordijntjes der andere huizen loerden nieuwsgierige begijnen-koppen. Zij is terug bij heur zelve gekomen, is in heur huizeken gesukkeld en heeft zich daar tot bloed geslagen omdat ze Gods gebod nu toch overtreden had.
Den anderen dag verliet ze het begijnhof. Het fonteintje stierf na haar vertrek en 't vijvertje werd gedempt. Ze woonde in steden en dorpen, in hoef en herberg, als meid. En als ze te weten kwamen dat ze getooverd had, moest ze weer de baan op, om den spot en de verachting te ontgaan. Op 't laatste kwam ze in de Walen--waar men aan God niet gelooft--bij een slunsige boerin terecht, waar ze varkens hoeden moest. Toen men van heur wonder leven vertelde, lachte de dikke boerin medelijdend, en zei dat ze onnoozel was.
BUITENLEIDING
"Stel het licht op den kandeleer, opdat het uw huis verlichte", spreekt Ons Heer.
En als dan aangestoken hebbende voor deze "ut suvere caritaten" kinderen Begga's, 7 armzalige keerskens met smookende vlam, zoo smeeken wij u, o goede Lezer, dit boek niet te ruw toe te slaan opdat het niet een dezer nederige lichtjes uitblaze.
Wij vragen het niet voor ons, o Lezer, maar voor de zieltjes van Cicielken, Kathelijne, Lijzebeth, Agapieta en de anderen. Wees hunner indachtig. Amen.
Hier is 't uit.
Gemaakt te Lier van 1905 tot 1908.