Begijnhof-sproken

Part 10

Chapter 103,955 wordsPublic domain

De duivelkens speekten aldoor in hun potten om de vlammen wakker te houden. En het liedeken schokte door 't heele huis:

't Lievevrouwken weg van hier, 't Lievevrouwken weg van hier, in de vlam van 't helsche vier!

Het deed Kathelijne deugd aan het hert en ze knikte goedgunstig. De zwarte vrouw fluisterde: "Steek het in brand, dan zijt ge er af, toe Kathelijne!"

En 't begijntje triomfeerend, zocht een stoksken in den houtbak onder de stoof, stak het stoksken in een vuurpot en wachtte tot er een vlammeken aan tongde. Ze hield het brandend houtje vóór heur, lachend van blijdschap om de gevonden wraak. Ze duwde het stoksken onder 't kleedje van 't Lievevrouwken; in een wip flapte een helle vlam omhoog en wentelde er rond.

De spoken schoten in een lach en stormden de keuken uit. De pater zijn klonen klopten zwaar op de trap. De zwarte vrouw liet een kres en vluchtte ook.

En er kwam een angstige stilte.

Kathelijne zag het Lievevrouwen-kopken lachend in den vlammenkegel en meteen rees in heur geest het schrikkelijke van deze werkelijkheid. 'n Heiligschenderij.... de hel! de hel!! Ze sloeg heur kromme nagels aan haar kap en zag met open mond en wijde oogen het vurige beeldeken aan. O! de verdoemenis!...

Ze viel op heur knieën: "o Lievevrouwken! in Godsnaam en brand toch astenblieft niet af. Ik zie u zoo geren! gotogot! Lievevrouwken!..."

Maar de vlammen likten voort en krulden smerigen rook weg. Het blozend gezichtje werd zwart en verrimpelde onder een vlam.

Nu zou ze zeker naar de hel!... "Astenblieft Lievevrouwken:... gotogot!"

Ze sprong recht, greep het vlammende beeldeken en prangde 't aan heur borst: "Ge moogt niet afbranden! ik zie u zoo geerne!"

De vlammen plakten op heur borstdoek, kronkelden langs heur boezem omhoog en sloegen heur in 't gezicht. Ze stuikte op den vloer, joeg de vlammen weg met radde handen, maar het vuur spiraalde om heur lijf. Ze spartelde en wrong als een paling; ze sloeg heur hoofd op den grond: "'k En zal 't niet meer doen!... nooit meer doen!" Ze rochelde. O! die brand om heur lijf! die brand in heuren buik! die brand in heure borst!...

Een groote vlam in heur gezicht woelde, sloeg heur blind, neep den neus af, wrat de wangen weg en liet de tanden grijnzend bloot. De vlam slingerde rond heur schedel. Er schoot een schicht door heur hersens en ze was dood, pier-dood!

Kathelijne smeulde uit en een heete, verkoolde romp bleef er over.

HET FONTEINTJE

In het donkere St. Agathastraatje, heelemaal 't ende van 't Begijnhof, stonden voortijds twee eendere huizen nevens elkander. Het waren zeer oude huizen, zoo oud dat de moekruipende tijd de eenmaal witte steenen gezwart had, en dat in de brokkelige voegen klein gras en schurftig mos weelderig groeiden.

De huizen hadden elk een laag scheefgezonken deurgat waarboven uit een donker nisken een heiligenbeeld opdook, zoo verkleurd en afgeschilferd, dat het haast niet kennelijk meer was welken heilige het verbeelden moest. Doch uit hun houding kon men opmaken dat het een koplooze Sint-Justus was, want hij droeg het hoofd in de handen en het andere van boven Lijzebetheken heur deur, Sint-Hieronymus die met een grooten steen op zijn bloote borst klopte.

De puntgeveltjes zaten vol houtwerk en uitspringende steenen waarop onhandig gesneden loofwerk oppenkrulde.

't Waren echt antieken huizekes voorwaar, met gewelfde gangen en veel balkwerk en de lage zolderingen. Door de groene in loodgevatte ruitjes, kwam het getemperde daglicht zeer schuchter, met wijfelende kleerte, de witgekalkte muren streelen.

Op de vensterrichels langs binnen, vóór spierwitte effengeplooide gordijntjes stonden eenige bloempottekes met teere bellekens, of donkere geraniums.

In het een woonde Menheer Pastoor en in het andere 't begijntje Lijzebeth, en hun devote doening fokkeledeerde wonderwel met het mysterieuze vertoon der twee woonsten.

Achter deze woonsten lagen er twee hofkes, rijk aan kleurige bloemen en teer-groene gewassen, zoo frisch en maagdelijk alsof ze gaan loopen waren van een Memlinc. Een dikke palmenhaag van sombergroene verwe, zeer ernstig en zwaar bij 't naïeve kleurenspel der andere groeisels, scheidde ze van elkander. En 't hofke van Menheer Pastoor droeg, vlak in 't midden van een effen graspleintje, een blauw vijvertje waaruit een pluimken schuimend water opspoot. De hofkens waren diep en heelemaal op 't ende stond een brokkelige muur zeer onregelmatig gebouwd in verre, verre tijden door een oude metseldiender juist zonder werk in die dagen.

Achter dien muur lag er een andere wereld. Daar stonden de vesteboomen en daar bochtte de blauwblinkende Nethe door onafzienbare, blakke beemden. De hooge boomen der veste, met hun grillig takkengewei staken hun zotgebolde kruin over het muurken. Ze waren schoon en goed daar ze de zware weelderigheid der blozende zomeren in hun armen droegen en 's winters sterke weermannen waren tegen de noorderjacht die vlak voor hun voeten vrij spel had. Ze konden dat looze gedoe goed verduren en de hovekens sussen in een stil leven zonder veel vertoon van huilende winden. Ja, 's winters was er ruwe strijd op de veste en 't wierd gezeid dat de joepende wind met zijn almachtigheid menig tam boomken in de wortels kittelde, beentje zette en 't met een lompe manier hals over kop in het rosgroene gras neersmeet.

De boomen maakten dan een eendig lawij en kreunden onder de felle windslagen. Als de bende wildelingen op hunne stampende luchtpeerden gezeten snuivend tegen de boomen aansprongen, wiepten ze omhoog en ritsten de hofkens over zonder één takje te verroeren. Ongedeerd bleven ze zelfs van de kwaadste windbrakken die met langgerokken lijf, wit van vel, en flappende ooren, huilend kwamen aangedjorreld. Als het op de velden stoof van sneeuw en regen en er alles kreveerde in het booze getij, bleven de hofkens, stilslapend, lijk wieg-kindekens bij rijke menschen. O! die goede boomen toch!

De lente kwam. De begijntjes en de brave menschen bleven nu binnen mediteerend het lijden van ons Lief-Heerken-Jezu. Terwijl ze zich zoo voorbereidden om het nakende hoogtij van Paschen te vieren brak er in de hofkens stilaan het nieuwe leven los. De magere takskens der gewassen verloren hun koude somberheid en sponnen zich heel zachtkes een doorzichtig kleedeken van groene zijde, dat met den dag warmer van tint en rijker aan bloeiende bladerkes wierd en op den duur in weelderige bloemenknoppen openberstte.

't Was daar een feest van de zoetste koleuren, nooit gedroomd. De kerselaren en de pruimelaren stonden zoo vol van witte en roze bloemen dat het was of elk takske zat proptigvol bedekt met fladderende vlindertjes. De glycine aan de scheefgezonken muur hing zwaar van trossen purpere edelsteenen en een jonge goudregen beierde zijn schitterweelde in de klare lucht. En er piepten en parelden nog vele bloemekens half verscholen in hun licht-groene zwachtels.

Al die schitterende kleurenweelde was gedragen in het teederste groen dat zwelde met den dag. En het geurde alles violier en glycine, om een merelaar dronken te krijgen!

Daarmidden in stond nu het fonteintje blinkend in de jonge zon en spoot met lallende blijheid zijn klare water in de lucht. Het zong daartusschen zijn mystiek liedeken, waar geen einde aan kwam, en met den rijpenden Lente altijd inniger wierd.

Het vestegeboomte, met zijn overdanen rijkdom van sap-rijk groen, was als een groote orgel in de kerk, zoo klonk en daverde het er van den zang der weergekeerde vogelen. 't Waren als duizende pijpkens elk met eigen klank en eigen toontje, waarboven zeer melodieus, als bewust van zijn hooge waarde, een jonge nachtegaal zijn koninklijke liederen sloeg.

En Paschen kwam en ons Lief-Heerken-Jezu stond op uit den dood, zegenend het nieuwe leven dat van hem uitging. En de hofkens waren zoo schoon geworden alsof daar de hemelvaart gebeuren moest!...

Toen Lijzebetheke na al dat vasten en bidden in heur hoveken kwam ging er een wonderbaarlijk slagsken in heur hert zoodat ze met blije dripselende woordekens sprak: "Kijk! Kijk mijn lief Heerken Jezus! hoe schoone alles is! Zie de tulpen en de violetten en de groene Lente in mijn hoveken! Hoor! die merelaar! hoe zoet hij fluit vandaag; hoe rollen zijn blije reutelingskens! Hij pijpt zijn beste fluitje vandaag, zijn fluitje gesneden uit gouden wilgenstronken! Nu wordt de zoete tijd!"

En ze kon heur oogen niet gelooven van heel het nieuwe kleurvertoon. En ze luisterde, luisterde naar den merel en de frissche geruchten in de ontwakende vesteboomen. Ze rook de bedwelmende geuren der lachende bloemen en ze voelde de deugddoende weldadigheid van den Mei met zijn heerlijke zon en zijn blauwe lucht.

O! ze was zoo gelukkig, zoo vrij en rijk, dat ze had willen uitzingen: "Magnificat anima mea Dominum", ze bewonderde de werking van de Lente alsof ze 't nog nooit gezien had! Zie! dat kastanjeboomken met bladerkes van 't kostelijkste groen, 't leken vingertjes te zijn, die heel voorzichtig kwamen tasten of het deugdelijk begon te worden in de lucht, of er zon was. En er was veel zon en daarom had het zonder vrees zijn sneeuwwitte keerskens opgestoken, als een kerstboom in de Lente die brandde voor Heer-Jezus! Ze zag hoe de japansche kwee zoo waarachtig de vele bloeddruppels herinnerde van haar goddelijken bruidegom. En ze vond het al zoo schoon dat het was om te kussen!... Maar ei!... daar bij Menheer Pastoor! het fonteintje!... Lijzebeth verschoot ervan dat ze het nu eerst opmerkte. Het droeg zoovele wondere tinten! 't was zilver, goud, opaal en wat weet ik al, dat opschoot naar den hemel en in een pluim van diamant en klare paerlen open vouwde, die nederklaterde op het vijvertje van 't blijste blauw met gulden schijn op de kringetjes en golfjes. Het vijvertje was het blinkend slot dat gesloten hield het bonte mantelkleed dat over de hofjes lag.

Naar het fonteintje kon ze staren als naar een nieuwe wereld, als naar de komst van een Heilige. Er lag zoo'n mystisch leven in dat water, iets dat ze niet bepalen kon, maar innig voelde in 't diepst van heur wezen. En Lijzebetheke dacht: ons leven is water dat Gods adem opspuit naar den hemel en in wiens witte pluim Jezus zitten moet! En ze dacht nog: de fontein is het levende symbool van Jezus zelf, God en mensch, die de fontein is onzer zaligheid, de fontein die alles, alles onderhoudt, de zon, de maan, de sterren, de aarde en alles wat er in is!...

Zoo was het begijntje tevreden, want nu zou ze weer het hoogblije zomerleven van alle jaren genieten. Bij dag de witte handen ijverig in de witte kant en het witte linnen, bij deemstering, rustend tegen de dikke palmenhagen, turend naar het pluimende fonteintje en droomen, droomen.

God! hoe menigen avond heeft zij alzoo niet gesleten met droomen en herdroomen over de beteekenis van het nooit rustende fonteintje, zoo wonderlijk! Daags had ze er weinig tijd voor over, maar als de zonne purperde en bloedde een vuur van rood en geel en een roerlooze zee van helle kleuren schilderde alover de wolkenbanken aan de westerpoort, als alle geluiden verwasemden in de kalmte van den komenden nacht, dan kwam ze met heur witte kapken omzichtig het lage deurken uit en schoof traagjes door de wegeltjes, genietend van de bloemen die toe gingen en van de vesteboomen die groot en somber tegen den gulden, trillenden hemel gedonkerd stonden. En als ze van heur hofke genoten had als van een zeer zoeten wijn, bleef ze naar het fonteintje turen, dat blonk in de deemsterende lucht. Heur gedachten verdroomden zich dan in het lichtende gespeel der reutelende droppelkes, die beprikten het vijvervlak, alsof een vlugge meisje dat een fijne luchtkant aan 't speldewerken was. Zoo bleef ze tot de koele winden opzoefden en de heilige nacht steeg. En dan, zoo zalig alsof ze God in heur hert besloten had, ging ze in heur zuiver bed heur klare droomen genieten.

Zoo ging het elken zomerdag, als de avenden innig zijn lijk middeneeuwsche gebeden. Het fonteintje was een stuk van heur leven geworden, iets dat ze noodig had als brood. O! 't was heur zoo weldadig, half-bedwelmd door de zware avondgeuren in de geruischlooze, wakke nachtstilte te genieten van het subtiele leven in God, den goeden vader, levend in het pluimende fonteintje.

Nu was het weer een nieuwe dag, die in den avond versmoorde. Hoog was de hemelkoepel, grijs en donker, en de laaiende kolk van lillend bloed en purper aan de westerpoort, waar de zon warm-rood als een lichtende robijn in versmachten ging, zette de aarde in fellen gloed. Zoo stond de zomerschoonheid een poosje stil als om zich zelf te aanbidden. En de zonne zonk weg in den grijzen zomerwasem aan den horizont en het gloeiend rood en purper vervaagde tot er ten laatste een gele trilling hangen bleef, onzichtbaar vervlietend in den donkeren. 't Was avond. De hofkens lagen in diepe rust en men hoorde geene geluiden. Alleen het koozende gedroppel van het dripselende fonteintje leefde in de stilte. De avond waasde zijn nevels om de lage dingen.

Lang reeds hing het witte kapken van Lijzebeth roerloos over de sombere palmenhaag. Ze was een witte bloem in den avond. Heur ziel droomde in het fonteintje.

Ze had gezien hoe het daarstraks rood straalde in het tanend daglicht, als een bloedstraal uit het hert van Jezus, en ze zag hoe het nu wit zoefde in den donkeren als een witte, wiegende pluim. In heur leefde een wonder gevoel dat ze nog nooit had waargenomen. Zij voelde zich groeien, groeien en 't was of heur ziel zich uitstrekte, wijd, over heel de wereld. Een ongekende zaligheid steeg naar heur hoofd, bedwelmend. 't Was alsof de zegen des Heeren als een vatbare lelie in heur binnenste groeide en geurde, en heur bloed witten wijn wierd. Bij poozen look ze de oogen om van de goddelijke deugd nog meer te genieten. Dan weer blikte ze naar de sterren die zilverperelden in het ijle blauw der luchten... ze glimlachte: daarachter gloorde de hemel!...

Ze hoorde het fonteintje, ze zag hoe het steeg, en met langzaam gebaar naar de aarde boog. En ze wenschte ook een fonteintje te wezen, dat opstralen zou naar den hemel, door de blauw kristalijnen lucht, voorbij maan en sterren en altijd hooger, hooger, om roze droppelend te vallen in de schoone handen van God, dien ze daarboven tronen wist op een ivoren met goud-belegen zetel, omringd van zoet-lachende engelen en roerlooze heiligen in witte gewaden; alles als een groote smettelooze sneeuwroos waar de heilige Drievuldigheid, de drie gouden stampers van zijn.

En als vanzelf, een spontane uitdrukking van heur hoogste geluk, zong ze met trillende stem en geloken oogen, het blanke gelaat ten hemel geheven, het droeve middeneeuwsche liedeke:

Ze staken Heer Jezus een kroon op 't hoofd Van twee en zeventig pinnen hoog...

en 't was of heur zang werd gedragen door de aangehoude begeleiding van ver-pijpende orgels en zuchtende instrumenten. In klagende mineurtoon zuchtte haar stem

Ave Maria

stil verademend om daarna weer te zwellen en bevend van heilige geestdrift ten tweede maal: Ave Maria... haast onhoorbaar vervlietend in de zilveren stilte...

Ze zong verder dan het gewijde lied met diepe liefde en vast geloof:

Ze staken Heer Jezus in zijn groot hert, Met een mesken, het deed hem, och arme! zoo'n smert!

Ave Maria...

En hooger steeg dan de zoete zang; voller en vatbaarder wierd de sensatie in de volgende strofen en ze meende Hem te zien, heur lief Heerken-Jezu, met groote blauwe oogen en bebloed voorhoofd, de dunne lippen purper in het witte glaat en sprekens rede. Zoo zag ze het schoone hoofd eindelijk groot voor haar in fellen gulden stralenkrans. En tranen kwamen in Lijzebetheke heur oogen en de kitteling die met het zilte vocht over heur bleeke wangen gleed, deed heur ontwaken als uit een diepen slaap. Heur stemme brak en de heerlijke droomerijen vielen uiteen. Ze verschoot, en ze stond nog in heur hofken, leunend op de palmenhaag van somber groene verwe. Ze zag hoe donker de avond was en meteens kwam er een naar gevoel over haar, ze wist zich alleen in den nacht.

Plots hoorde ze gerammel aan het poortje in den brokkeligen achter-muur van 't pastoorken zijn hofken. Heur hert begon te botsen van 't verschiet. Ze wist dat het poortje nooit openging, dat het gegrendeld en gesleuteld was sedert jaren, dat er klimop overgroeide en veel griezelige spinnewebben in de hoeken gesponnen waren.

En 't pastoorken sliep! Droomde ze dan? Ze hield de blikken strak naar het donkere poortje voor het jasmijnen bosselken. God! zouden soms dieven? En toen, toen schrok ze nog meer want een stille, gulden kleerte stroomde over het hofken en van achter de jasmijnenstruiken kwam dan een ezel, dragend een schoone vrouw in wijden witten mantel drukkend aan haar borst een kindeken in witte doeken, en een man in blauwen mantel stapte er moeizaam naast... Och Heere!... nu voer er een blijde klop in Lijzebetheke heur kristelijk hert. Ze herkende den schamelen stoet. Zoo stonden ze gebeeld, wit en blauw, in heur gebedenboek, zoo prijkten ze op de schilderij in de kerk, zoo stonden ze beschreven in heur "Gulden legenden". Het waren Maria en Sint-Jozef en 't lief, lief kindeken Jezus!

Zie! hoe al de bloemen in de gulden kleerte opengaan, hoe elke bloem vlamt heur eigen zoete kleur! Het waren als stralende lantarenkens in den hof. Alles lichtte en de boomen en de struiken droegen plekken klaarte, krakend vermiljoen, vlammend smaragd, gloeiend rood en geel en blauw o! zooveel schoons nog! een wondere verlichting in dien geruischloozen Meienacht!

Alles doemde op in de hovekens, gewekt uit zijn diepen donkeren slaap.

De twee huizen droegen veel helle lichtplekken, op de breedvingerige bladen van den muur-wijngaard, en vele vlammekens in de groene ruitjes! De spitse achtergeveltjes verschaduwde in de donkerte.

Lijzebeth zag het ezelken komen grauw van vel, en hoe zijn dunne pootjes trapten zeer preculeus met rythmischen gang, met oppe-en-neere het kopken, moe van zijn goddelijken last; Sint-Jozef blootshoofds, den blauwen mantel lenig plooiend om zijn gebogen rug. Hij was barrevoets met bloed tusschen de teenen, kwetsuren van de lange reis over ruwe steenen en distelen. Hij droeg veel lijden in de diepe oogen en hield den mond gesloten. Zijn neusvleugels trilden van heilige aandoening. En de schoone vrouw in 't witte kleed, suste het goddelijk kindeken. Maria met droomende oogen en de fijne lijning van kin en wangen, met den slanken witten hals en de lange vloeiende haren die rijkelijk golfden over den witten mantel en over den rug van het ezelken.

Ze stapten naar het fonteintje. Maria daalde dan terneer en sloot zacht het kindeken onder den mantel en neurde lijze: Soeza, soeza mijne, houd uw oogjes toe.

En Sinte-Jozef hield een bruin eerden kroesken onder het waterpluimpken, vulde het met paerelende droppelkes en reikte het zijne Vrouw.

Maria dronk voorzichtig, twee kleine teugskens maar, en zij maakte met heuren vinger Jezus' kleine lippekens nat, en hij Sint-Jozef zijn vader, dronk het laatste. Toen hij het kroesken geborgen had in den knapzak, vastgesnoerd op het ezelken zijn rug, merkte hij het wit van Lijzebetheke heur kap in de palmenhaag. Hij schrok, Sint-Jozef, stak zijn witte handen smeekend vooruit, zoodat zijn blauwe mantel nog schooner plooide, en sprak smeekend: "O, gij die heel devotielijk heet: Lijzebeth, spreek nooit van Hem die uw bruidegom is, spreek nooit van haar die uw moeder is, noch van mij. Spreek nooit van ons aan anderen, gij die gelaten wachtend zijt den goeden Dood".

En Lijzebeth met onvaste woorden sprak gedempt: "O... neen... ik zegge niets... nooit..." en verlegen dan sprak ze haastig heur grooten wensch "zeg... mag ik dan het kindeken Jezus eens zien?..."

Maria had het gehoord, knikte vriendelijk lachend en hield haar god-kindeken met beide handen geheven boven de haag... En toen zag Lijzebeth Hem, den Meester van het Leven en de Dood. Heerlijk was Hij, zegenend met zijn poezelige handjes het roerlooze begijntje. Hij glimlachte.

Heur keel kropte, heur oogen schoten vol tranen en ze knielde neer achter de palmenhaag... toen ze weer recht kwam was Maria gezeten op het ezelken. Sint-Jozef zegde: "Lijzebetheke... God! beware u!..." Dan stapten ze verder.

Lijzebeth hoorde het poortje opengaan en weer toe. Tegelijkertijd vervloot de gouden kleerte en de vlammende bloemkens doofden.

Het was weer stille Meie-nacht. Ver, heel ver zong een nachtegaal zijn koninklijke liederen.

Lijzebeth weende van geluk. Ze had hem gezien die aarde en hemel geschapen heeft, ze had haar gezien, heur goede moeder: Maria!...

Toen is ze binnen gegaan, waar ze van den ganscher nacht niet geslapen heeft, maar geschreid, geschreid om het hooge geluk.

De zomer overweldigde nu de boomen en de gewassen der aarde met overdadig groen en de bloemen waren tot hun warmste kleuren en tot vastheid van vorm gekomen. De zon was als een gat in de lucht waaruit het hemelsche vuur in laaiende vlammen, op de berstende aarde gulpte. 't Was stikkensheet en 't geleek of er in de natuur een stilstand gekomen was en alle leven vastgevezen stond in deze blakende hitte.

Maar och arme! 't pastoorken lag plat te bed en bibberend van kou, met een zware ziekte die niemand begreep, die sterker aangroeide, en stillekens aan, maar zeker het laatste leven uit zijn hart peuterde. Tegelijkertijd was er een droeve lucht over het begijnhof gedaald. De begijntjes en kwezelkens waren door die felle mare uit hun lood geslagen en zwijgend geworden als toeë boeken. 't Had hen uit de zalige tevredenheid hunner piëteit gerukt en nu leefden ze in een atmosfeer, asempakkend en zwanger aan zwerte noodlottige gebeurtenissen. Ze voelden dat er iets akeligs komen moest en dit had hen zoo bevangen dat heel hun sante gedoe er van omgetuimeld was, dat ze niet meer waren de brave zielen die zich heel en al aan den grooten wil van hun Heer onderwierpen en zijn werking, hoe hard dan ook, zonder morren aannamen. Het waren nu gewone menschen die kloegen en jeremiasten om hun grijs herderken, lijk kinderkes om hun zieken vader. Ze durfden tegen malkander niet zeggen dat God wreed was indien hij hun pastoorken bij zich nam, maar ze dachten het toch. En ze baden in hun witgekalkte kamers vóór het zwartlievenheerkruis dat de dood zou keeren. Ze aanriepen alle heiligen en Sint-Just, die boven de Pastoor zijn deur koploos troonde, in 't bijzonder. In de kerk bleven ze bidden tot laat in den avend. Ze waren reeds te voet in processie naar Scherpenheuvel geweest om van het wonder-beeldeken te smeeken dat het de groote macht van de dood, die drukte op het Pastoorken, zou breken. Ze hadden van alles beproefd, wat volgens de veelzijdige middelen van hun geloof te beproeven was, koortsafbinden, water van kruiskesberg, en andere wonderlike remedies... maar 't had niets gekort. De dood kwam dichter en dichter en er was bijna geen leven meer in 't hart van den Pastoor.

Tusschen die harrewarrende begijntjes stond Lijzebeth kalm en gelaten, en hetgeen aan de gewone menschen zoo wreed schijnt, was heerlijk voor haar die hem betrachtte: de Dood. Sedert dien Mei-avond was er in haar een heele ommekeer gekomen. Ze was geworden een heilige--niet omdat ze meer bad en vastte, neen!--die voelde hoe innig het was te leven en heur ziel te weten als een wit-helle vonk, gebonden aan een gulden draad, die vloeide uit Gods hert. Ze leefde in zaligheid, vergetend de beteekenis van alle wereldsche dingen. Zij alleen kende de wondere doening der Heilige Familie, zij alleen voelde de zachte streeling der lichtende zegening van heur Heer. Ze zou die weelde immer voor zich houden, het aan niemand zeggen natuurlijk... want anders...! o!...

Maar somtijds als ze zich verkneukelde van innig plezier bij 't bedenken van heur rijkdom, kwam in haar een zwart vlammeken van hoogmoed op: Wat zouden de menschen zeggen, zoo ze wisten... Foei Lijzebeth! en ze bad daarna drie paternosters als boete voor dit onzalig gedacht.