Part 1
NIEUWE ROMANS
BEGIJNHOF-SPROKEN
DOOR
FELIX TIMMERMANS EN ANTOON THIRY
MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR TE AMSTERDAM
INHOUD
Pag. Binnenleiding. 5 De Waterheiligen. 7 Het Sacrificie van Zuster Wivina. 39 De Ivoren Fluit. 69 De Aankondiging of de Strijd tusschen Elias en den Antikrist. 115 "Ecce Homo" en het bange Portieresken. 151 Van Zuster Kathelijne en 't Lievevrouwken. 181 Het Fonteintje. 221 Buitenleiding. 255
BINNENLEIDING
De gele avend matte de witte huizekes en de bleeke straat-keien in hun kraagjes van groen gras. Wij zaten zwijgend gehurkt op den kouden dorpel van een scheefgezonken poortje. De beeklok klepte drie hommelende klanken open; en vóór ons, achter smalverlicht venster ging de bevende paternosterstem van een begijntje op en af, en vier andere doovere monden mummelden den overschot der weesgegroeten. En lijk appelenreuk in een kast waar appelen hebben in gelegen, zoo leefde hier de vergane devotie der Kerstenheid.
En heel de mystiek van Jesus-Christus, zijn honigzoete moeder en den duivel, en al wat daaruit opfleurde en ermede verwelkt is, was hier nog te zien als een oude gobbelijn, die door 't verouderen nog schooner geworden is als hij was. Wij voelden het vergane leven dat hier na-geurt in 't simpel gedoe der witgekapte begijntjes. Ons hart smolt van ontroering en een sprak: Een Begijnhof is een doode heilige, die nog een aangenamen meloenenreuk heeft.
En de andere zei:
Laat ons schrijven over dien reuk.
En dan hebben wij deze antieke verhalen geschreven tot profijt ende jolijt der menschen die wonen langs de zee, in 't blonde Holland en het malsche Vlaanderen. En wij hebben er heel devoot dien reuk in neergelegd. En wie hem niet rieken en mocht, verwijte het niet ons, maar zijnen neuze.
"Dit hebbe ik u gezegd, opdat het u geen hindernisse worde", spreekt Sint-Jan.
DE WATERHEILIGEN
I
In de Lente als de eerste madeliefkes pimpeloogen in 't jonge gras en de kastanjelaren plakken van 't snot, wierd Suska geboren in de kooi van de ouderlijke schuit: "De arke des Verbonds" genaamd. Het meisje was rood als een pioentje en malsch gelijk een abrikoos, een wolk van een kind. De vader was blij en hij danste van plezier omdat het jong geboren was in het teeken van de visschen, het waterelement. Het was kermis in 't schip, ze dronken bier met suiker, bakten pannekoeken en stoofden droge pruimen, en de schippersknecht haalde zijn harmonica voor den dag en speelde er den heelen avend op. Dit gebeurde achter het Liersch Begijnhof en den anderen dag wierd het borelingsken er gedoopt door 't pastoorken met het eene oog en den mond zonder tanden.
En de Arke vaarde naar Grobbendonck en Herenthals zooals ze alle weken deed met steen, kolen, graan en smout in den buik, tot den dienst der menschen. Zoo deed zij 't al jaren en Schipper Verstokt won er zijn broodje mee en smoorde zijn pijp in den vrede des harten. De moeder zong een kermislied en het zwert hondeken baste tegen Suska. Uit de Lente groeide de korengevende Zomer, die op zijne beurt verrimpelde tot de koninklijk gekleurde herfst, vol dunnen mist en fijnen zilverdraad, te heerschen begon. De Arke vaarde door regen en slegen, grijs weer en zonneschijn.
Als de witte winter het land toedekte en de eerste vorst 's nachts sterrekens van ijs op 't water in malkaar spon, kwam de Arke des Verbonds achter 't Begijnhof aanleggen en liet er zich vastvriezen om er den kalen winter door te brengen. Alles werd van 't dek geruimd en 't schippersvolk wachtte er de Lente af, gedoken in de warme holte van het schip. Om een stuiverken meer te verdienen in dezen kouden tijd en 't vet van den zomer niet heelemaal te moeten opeten, timmerde vader Verstokt een slee, bond schaverdijnen aan zijn voeten en reed er mee naar Lachenen om een tonneken dubbelen gersten en een flesch jenevel. De schippersknecht schuurde het ruim, plaatste er een geutijzeren stoveken in, en huurde bij een kleerkooper tafels en stoelen. Uit een kist wierden pinten, borrels, pijlschijf en speelkaarten gehaald en in deze vreemde herberg kwam het volk den Zondag daarop bier drinken en pijpen rooken. 't Was iets plezierigs een staminee op een schip, en de schipper en zijn wijf tapten en schonken en het mansvolk amuseerde er zich tot laat in den avond. Zoo ging de tijd om tot de winter ook al oud wierd, de dooi het ijs deed smilten en 't gescheurde ijs in schollen afdreef. En de Arke vaarde weer de vroegere wegen op. Zoo verliepen de seizoenen en verzwonden de jaren. En Suska groeide als een bloem, kraaide en zong op het dek en 's avonds leerde heur moeder heur bidden en breien en lezen in het Kruisken A. Ze leerde de dorpen en gehuchten kennen waar ze voorbij vaarden: Lier, Emblehem, Nijlen en meer, wist hoe het Netheland er uitzag in de drie open seizoenen en ze had er een deugd aan de boomen en de huizen te zien onder de wisselende hemels, maar ze zou er niet hebben willen wonen. Ze hield van het water, het aangename, levende water waarop de zon en de maan zoo schoon spelen konden en de winden ritselden en de regens ruischten. Ze maakte schuitjes uit oude holleblokken en heur vader leerde heur zwemmen. Voor geen geld zou ze te lande willen zijn in de duffe huizen en die benauwelijke straatjes!...
Maar tusschen die reeks van landschappen die wekelijks aan heur voorbijschoven was er een waar ze met de jaren meer en meer van te houden begon en dat was het Begijnhof met de roode spitse daken, de witte gevels en het fijne torentje waarin het zilveren kloksken zóó innig te zingen hing.
Als ze uit Herenthals leeg wegvaarde, rap en hoog boven water met de afloopende tij kwam er een blijde klop in heur hert en zat ze op 't voorsteven te kijken of ze, tusschen Sint-Gommarustoren en 't gothieke Belfort, boven de huizen en de boomen het Begijnhoftorenken niet zag. En als ze dan, de stad omgevaren, het daar rood en wit en groen tusschen de vesteboomen liggen zag, met de vredig smorende schouwpijpen voor den vierurenkoffie, dan wierd het heur zoo zoet om 't hert dat ze den wellust van 't varen vergat alsmede de wisselende tafereelen uit dit malsche land van Rijen, zóó schoon en innig als een land van Belofte. En Suska, dan, blozend en blond gezeten op het groene watertonneken, keek heur oogen uit heur lijf en ze dacht somwijlen aan het leven in die zuivere huizekens en begijntje te zijn en met een wit laken over den kop, in het lof vol blauwen wierook, als verloofde Kristi den Heer te loven en te danken... Maar och! dan rook ze het water weer, voelde het malsche water en overzag de bochtige Nethe gewonden door de vette landen en ze zuchtte. Het water! het water als het bloed van heur hert, ze zou het niet kunnen verlaten!
En als de winter de wereld onderdekte onder zijn sneeuw, als de eenzame huizen onder al dat witte geweld in den grond schenen te zinken, als de berken lijk wolken van licht, en de olmen wit te schitteren stonden in de half-blinde zon; als de Nethe toelag en er iedereen op schaverdijnde dan lag de "Arke des Verbonds" weer achter het begijnhof onder een witte sargie en klonken in het ruim het lachen en 't zingen der mannen bij 't drinken van 't smakelijk bier. Het zwarte scheeve schouwken dat tegen den mast omhoog stak rookte als een duivelspijp, want daarbinnen wierd er gestookt als in een bakkersoven.
Dan was 't een zoete tijd voor Suska. Ze ging elken morgen met heur moeder naar de mis, volgde de officiën, ging ter vespers en las mee de novenen van Sinter-Klaas, Kerstmis en Driekoningen. Telken Zondag wierd ze uitgenoodigd op een koffie bij 't een of 't ander begijntje, speelde een loto of een ganzenspelleken en ze spraken over geestelijke zaken, de martelingen der heyligen, de verschijning van Ons-Lief-Vrouwken en de schoonheid van den Hemel. En al de devote zielen stelden zich in de weer om het blonde, blozende schippersmeisken te behoeden voor wereldsche verleiding en ze gaven haar boeken, paternosters en schapulieren. En in die atmosfeer van kerstenheid en bidden en gelukkige leven in Godes alderzoetste tegenwoordigheid, smaakte Suska de fijnste geneugten van de ziel en ze wenschte dat er een Begijnhof mocht bestaan op een schip... Maar dat was nu helazen niet! En er kwam twijfel in haar, die dan weggeblazen wierd door den vromen geest dien ze inademde uit de gekregen boekskens, zooals Thomas a Kempis, de Gulden Legenden en zoo meer, maar van zoo haast ze geteerd houtwerk rook dacht ze aan het water en het schippersleven en vergat ze 't Begijn-zijn... Het water kon toch zoo schoon zingen als de wind er over voert en was daar God ook niet tegenwoordig vermits de psalm zeide:
"De wateren spreken met den Heer!"
Zoo wierd ze met heur twijfel van hier naar daar gestuurd, Ze kon geen besluit nemen.
De Lente wapperde een lauwen wind in de zwarte boomen, knoppen schoten, de grond rook en weer ging de "Arke des Verbonds" de waterwegen op. En elken Winter stond vaster Suska's wensch Begijntje te worden en al het eerdsche goed en ijdele verlangen op te offeren om te worden de gelukkige verloofde Onzes-Heeren Jezus-Kristus, tweede persoon der Alderheyligste Drievuldigheid.
II
En op heur twintig jaar nam zij het vast besluit Begijntje te worden. En dit deed ze tot grooter vreugde harer ouders die waren van oud kerstengeloove.
Ze nam heuren intrek bij het dik begijntje Stommels in 't huizeken genaamd "'s Hemels Poorte" 't laatste van het smalle en donkere Vagevierstraatje. Daar leerde ze den fijnen kant op de raam maken en vier maal in de week, tusschen licht en donker, ging ze naar 't eenoogige Pastoorken, die heur vaderlijk voorbereidde om te worden een waarachtig kindeken Gods. En eer de Zomer zijn rijkdom te blinken lag in de zon, was Suska in 't Convent met twee andere novieskens en kreeg ze heur religieuse kleeren aan. Ze bad veel, vastte, was van 's morgens tot 's avonds in gesprek met Onzen-Lieven-Heer en zijn Lieve-Moeder en op den patroondag der heylige Pelagia, Sondersse, werd ze verloofd met den zoetsten Zone des Hemels. Ze betrok de helft van "'s Hemels Poorte", werkte in den zonneschijn achter heur gordijntjes in den kant, tot onderhoud van het dak waaronder heur ziel woonde. De pastoor haalde eer van zijn werk en deed zijn een oog toe van voldaanheid en zei met zijn tandeloozen mond: "Een schoone ziel gewonnen voor den hemel".
Ze was een exempel, Suska! Ze bad inniglijk, mediteerde de passie, bleef het langst in de kerk, las god-gewijde boeken en tijdens heur werk zong ze geestelijke liederen. In heur keuken kraakte het van properheid en ze hield een kanarievogel, die hing boven de deur en hij zong zoolang hij licht zag. Het zwert hondeken had ze ook meegekregen, een schipperken van 't echt ras en zijn naam was Felinks. Op heur kasken, vóór de plaasteren Lievevrouw onder stolp, lag op een kusken een zeilende driemaster in een flesch en onder het beeld van den Heyligen Blasius op de schouw, hing gekonterfeit de "Arke des Verbonds" met witte, bollende zeilen op een blauwsel-zee met witte golf-kammekens. Vader stond aan 't roer, recht als een geweer en de schippersknecht Louis zat in 't toppeken van den mast. 't Was Suska een werkelijk genoegen dat schip te bekijken, zooals het daar over de baren vloog met den blijen wind in de gezwollen zeilen en dan droomde ze van heur kindsheid, dien zoeten tijd, de open lucht en het welriekende water.
Zonder dat ze het zelf wist dacht ze er soms aan hoe aangenaam het wezen zou begijn te zijn op een schip, zoetekens weg te smilten in geestelijke oefeningen en toch te water te varen. En ze zag er de andere begijnen, en in 't ruim de kapel, en het koperen kruisken in den mast, en wit en rood, de kleuren des hemels, was er er alles geschilderd. Ze zag het tot in zijn minste bezonderheden en het groeide in heur tot een werkelijk bestaand ding. En als zij zich zelf verraste, verwijlend bij dien droom, dan kreeg ze er spijt over, bad een vaderons en maakte zich zelf wijs dat het hier in heur huizeken met de bonte bloemen, en 't groen voor 't venster in 't hofken en den zonneschijn op den tichelvloer, veel beter moest zijn dan op een schip!
Wekelijks voer de "Arke des Verbonds" achter het Begijnhof voorbij en dan stond ze reeds uren te voren op den dijk te wandelen om het schip te zien en heur Vader en heur Moeder. Ze beleefde er een malsche deugd aan, het schoone schip te zien aankomen, en ze vertelde dan telkens dat ze toch zoo geren op 't Begijnhof woonde en heur gedachten vlogen onwillens naar het schip met de begijnen in... Stilaan gaf ze toe aan die droomen want wat kon het God deren? En daarbij zoo'n varend hof kwam er toch nooit!...
Ze wandelde meer en meer langs de Nethe die tusschen de met populieren gefestoende dijken door de vettige beemden kronkelde naar den blauwen horizon. Ze sloeg geen dag meer over zonder buiten aan het water heur schippersziel eens op te halen. En ze zette zich in 't gers en bad er zoo goed als in de kerk. De koelte en de reuk van het water haalden heur ziel omhoog als orgelspel of preek...
Eens las ze van Sint-Marcus en van Venetië en zoo kwam ze te weten dat dit een stad was met straten onder water en dat de menschen ter mis of te boodschappen gaan in schipkens en in schuitjes... Ai mij! waarom was 't Begijnhof ook alzoo niet een stedeken waar elk begijntje heur bootje zou hebben om ter kerk te wrikkelen! Kon de Nethe nu nen keer overloopen bij de eerste nieuwe maan en alles overstroomen dat 't er nooit meer af en kon! En 's winters dan zouen ze er allemaal op schaverdijnen!... Dat zou het zijn!
Maar wat was me dat een verschiet, toen op een schoonen morgen heur vader en heur moeder heur afscheid kwamen zeggen en heur het nieuws brachten dat ze nooit meer naar Grobbendonck zouden varen. Ze konden meer verdienen tusschen Boom en Dendermonde en dat konden ze niet laten voorbijgaan...
Het droeve nieuws viel als een steen in een stillen vijver... Ze heeft koffie opgeschonken en is meegevaren tot aan 't hofken van Ringen... En toen heeft ze de "Arke des Verbonds" zien wegzeilen tusschen de populierenstammen en ze is aan 't snikken gegaan als een klein kind... Nooit zou ze nu nog de Arke zien varen op de klare wateren van de zoete Nethe!... nooit meer!... nooit meer zou ze varen!... Ze slenterde moezaam terug huiswaarts, zoo triestig gestemd dat de tranen in haar oogen welden.
Het was na den eenen als ze thuiskwam.
Begijntje Stommels schoot uit.
Maar juffrouw Suska toch! zijn me dat manieren! zoo lang weg te blijven!... 't Eten is koud en ge hebt niks gewerkt. En ge hebt zelfs niet gelezen want ge hebt geen boek bij!
Toen ze heur roode kaken zag en de betraande oogen, wierd ze verteederd en ze zei zoeter:
"Wat... wat is er toch?"
En Suska heeft heur alles verteld.
Toen zei begijntje Stommels wijselijk:
"Ge moet te biechten gaan! Zuster Suska!"
En ze ging te biechten en beleed ootmoediglijk dat ze van schepen en van varen hield buiten mate.
En de Pastoor zei:
"Mijn kind, Jezus is uw bruidegom en Maria uwe moeder. Ge moogt maar alleen voor hen leven. Schepen en varen is eerdsch goed en ijdelheid. Maak van uw ziel een schipken met het gebed als mast en de goede werken als zeilen en dan zult ge naar den hemel varen! Uw leven is in de kerk en in uw huizeken. Bid want de duivel beloert u".
En thuis viel ze met heur kop op de tafel, snikte, vroeg om vergiffenis en was vast besloten alleen maar aan God te denken.
III
Heur intentie was echt en alles ging goed in den beginne. Ze meed de rivier en ze was blij dat de winter aankwam die alle water onder 't ijs hield. Tegen 't uitkomen van de Lente zou ze 't wel gewoon zijn! Ze ging veel ter kerk, bad tot ze er in slaap zou bij vallen, maar het verlichte heur niet... Ze dacht soms aan de fijne zoetigheden die heur zielken genoot aan den groenen waterkant... Maar daarna bad ze weer inniger den Heer om alles te vergeten om alles dood te krijgen wat heur naar buiten trok. Maar het ding bleef leven in heur en solde met heur beste intenties als een katje met een muis. Ze wierd er mager van en ziek. Ze zat volle uren achter de roode stoof met Felinks op haren schoot te peinzen aan den vroegeren tijd en dan weende ze soms van wanhoop en teleurstelling. Aan niemand zei ze wat er was. Ze voelde zich versmachten in heur keukensken en ze wenschte dood te zijn en in den hemel waar de schepen gouden zijn op water van kristal. De begijnen gaven haar allerlei geneesmiddelen, zalfkens en papkens en plaasters, maar ze roerde er niet aan. Ze meenden dat ze zou sterven en ze baden voor een goeden dood. De Pastoor bracht er den doktoor bij en die zei dat ze veel wandelen moest als 't Lente was en de gezonde lucht inasemen. De Pastoor die sedert lang heur biecht vergeten had zei:
"Ja, da moete doen".
En heur hert sprong op van uitermate vreugde en de hoop herleefde in heur en zonder zonde te begaan, mocht ze weer langs de Nethe wandelen en 't water rieken! Wat zou ze er weer kunnen bidden en Ons-Heerken bedanken voor zijn goedheid!....
Na lange dagen veegde de regen de sneeuw weg, een schele zon pimpeloogde door de wolken en even later stonden de gerssprietjes op uit den natten grond.
En Suska ging wandelen langs de Nethe. Het water lag er toch zoo schoon en liep zoo zoet en kalm! Ze had er willen in liggen en meedrijven naar 't end van de wereld en er in smilten en zelf water worden en den weerschijn van den schoonen hemel dragen! Ze sloot bijwijlen heur oogen van geestelijke deugd als ze zoo al wandelend in heur getijdenboek de schoonste psalmen las. Ze voelde God en ze herleefde met den dag.
De lauwe wind speelde om de boomknoppen, de blaren schoten er uit en de fijne avenden kwamen.
Hoe dikwijls zagen de begijntjes haar niet gezeten in het gers van den oever waar de madeliefkens bloeiden en koekoesbloemen, de oogen toe, de handen op de borst en verzonken in vroom bidden. De vogels zongen dan telkens meer als gewoonlijk in de populieren-kruinen. En ze probeerden ook te zijn zooals zij was maar dat konden ze niet. En de pastoor die er geen kwaad in zag begost haar te vereeren om heur devotie, maar hij vond het spijtig dat ze in de kerk zóó weinig te zien was...
Soms bleef ze in den donkeren nog op den dijk zitten en 't gebeurde eens dat ze naar huis kwam als de poorten reeds gesloten waren. Begijntje Stommels speelde dan op heur poot en zei van in 't vervolg niet meer te openen.
De tijd vloeide en 't gewierd Sint-Margrietje als de processie uitgaat. Iedereen was er mee in de weer. Overal zaten de begijnen strooisel te snijden, kronen te vlechten en kandelaars te versieren. Suska echter zat met het heele geharrewar niets in en liep maar van zoo vroeg ze kon naar 't water en ze zat er als een beeld roerloos, met God in heur hart te bidden. De zusters lieten heur maar betijen want zij ook kregen stilaan de verzekering dat er iets heiligs in Suska stak.
En zij, devoot van ziele, in de avendschemering aan de lispelende Nethe gezeten, droomde de processie te water, op schuiten, wit en rood en goud geschilderd. Een schip zou er zijn met den man met het kruis, een met maagdekens, een met begijnen, een met de relikwiekast der heilige Begga, een met 't muziek en de flambeeuwdragers en mijnheer Pastoor stond in een boot met goud-bestikt baldakijn en hij zegende met vierige remonstrantie de menschen die op de groene oevers geknield zaten. De populieren ruischten zoetekes hun kruinen boven dezen heiligen stoet en de vogels kweelden. De hemel was blauw als een Mariakleed. En ze vaarden tot aan 't Hofken van Ringen en vaarden toen weerom.
Zoo zat ze met heuren zoeten droom. De volle maan rees in het blauw des hemels en alles was stil een langen tijd. Plots hoorde ze geplas van riemen in 't water. Ze schrok en keek toe. En zie, in een visschersschuit, zat een arme vent en hij roeide tegen tij op. Ze keek hem na, niet denkend aan het late uur. De man lei wat verder zijn schuitje vast, nam stok en zak en trok zwijgend door de wazige beemden, den geurigen nacht in. De maan leekte zilver op het water... Ze zag dit alles aan, voelde de schoonheid ervan tot diep in heur dringen, en in heur gemoed schoot er een innig verlangen omhoog. Ze vergat heel de wereld, Begijnhof en Pastoor, hel en zonde, liep naar het bootje, maakte het los, sprong er in, greep de riemen en begon te roeien. Ze was als dronken van geluk, heur oogen gingen toe en o! dat varen, dat zoete, geluidlooze, onwerkelijke glijden en zweven op het zilveren, maangedrenkte water, als was men een zieltje of een geest en niet meer van der aarde... En ze zag ineens de maan tusschen twee populieren, en de maan wierd wel twintig keeren grooter en ze ging open als een bloem en er kwam een groot, gouden schip uit en engeltjes zaten in 't koordwerk en Ons-Lief-Heerken Jezus zat op het watertonneken op 't voorsteven en hij lachte haar toe... God-den-Alderhoogste!
Het sloeg twaalf uur op het Begijnhoftorenken, en travans! 't visioen was weg en ze hervond zich rillend van de kou, in het bootje op de Nethe. Ze wrikkelde terug den bocht in waar ze 't schuitje gevonden had, lei het vast en ze liep met angstig hert door den natten beemd naar 't Hof. Wat zou men nu gaan zeggen?... Ze kwam aan de poort en klopte stillekens. De schrik bekroop heur. Zaten hier geen venten, of daar soms?... En ze begon harder te kloppen, harder en harder nog. Met een keers in de hand, kwam 't Portieresken opendoen. Ze deed een lamentatie alsof ze den verloren zoon zag en schreeuwde dat het toch niet kon blijven duren.
"Ik zal 't aan Menheer Pastoor zeggen! Dat zijn nu geen streken meer. En zoo nat! 'k Schrijf het naar den bisschop, naar den Paus!... God-den-Heere!"
Angstig om de straf die ze krijgen zou, ontwaakte Suska den anderen dag. Ze weende om heur zwakte, maar Heere! 't was toch zóó deugdelijk zoet geweest!
Voor den achten kwam het Pastoorken, koleirig binnengesneld. Hij sloeg met zijn vuist op tafel en zijn een oog schoot vier en vlam.
"Zijde gij van den duivel, om zoo 's nachts lijk de heksen langs 't water te loopen?... Ehwel! ge gaat gij voor uw penitentie heel den zomer in huis blijven en ik zal u een koord brengen waarmee ge u geeselen zult".
En dan schoot hij aan 't snikken en weende tranen uit zijn een oog.
"Ik die van u zooveel had verwacht. O! God-en-Heere! en nu zijt ge van den duivel!"
En weer hervatte hij zich en zei;
"In huis blijfde dag en nacht!"
Hij ging heen. Hij trok de deur met een slag in de klink.
Suska dacht aan het schip dat ze uit de blozende maan had zien varen en ze weende niet. En als 't Pastoorken weg was, riep ze Felinks op heur schoot en ze bestreelde hem lang.
IV